1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9

“Iedere haar die de jager verliest, ziet de moeflon, de vos heeft het opgemerkt, en het edelhert heeft het geroken”, zo luidt een oude jagersspreuk. Geen zintuig is echter belangrijker voor het wild dan de neus. Reden genoeg om ons daar eens mee bezig te houden.

Iedere wildkenner kent de aanblik van een plotseling opwerpend en je strak aankijkend hert of ree.  Een seconde van onzekerheid volgt, en dan verdwijnt het dier met grote sprongen in de dekking. Pas dan ontdekt de toeschouwer dat de wind, die hem kort te voren nog in het gezicht waaide, plotseling gedraaid is.
Vooral bij de jacht op grote hoefdieren  is de wind vaak beslissend voor succes of mislukking. Want het is vooral de ” neus” die het wild het sein geeft of het vluchten moet of niet.

Het wild gebruikt de reukzin vooral voor het ontwijken van vijanden op langere afstanden, want ze kunnen over langere afstanden beter ruiken dan zien. Daarbij levert de neus verbazingwekkende prestaties, waarbij de menselijke reukzin in het niet valt.
Veel wildsoorten beschikken over een min of meer sterke vergroting van de reukslijmvlies,en over zeer veel reuksensoren per oppervlakteeenheid.

Als mensen of dieren iets ruiken, komen er kleine reukstofdeeltjes (moleculen) in de neus. Boven in de neus van de mens bevindt zich een geel-bruin gekleurd plekje, het reukslijmvlies (epithelium) van slechts enkele vierkante centimeters.
Dit plekje is bedekt met een heel dunne waterlaag, waarin bepaalde eiwitten zijn opgelost. Deze eiwitten kunnen een hele zwakke binding aangaan met een reukstofmolecuul. Het aangaan van die binding is omkeerbaar,d.w.z. nieuwe verse lucht spoelt de reukstofmoleculen weer weg. Het complex van eiwit met reukstofmolecuul wordt door de waterlaag getransporteerd naar ontvangende reukstofreceptoren en daarna verder naar de hersenen.

Ter vergelijking: het reukslijmvlies van een volwassen mens omvat ongeveer 5 cm2, die van een niet al te kleine hond tussen 70 en 80 cm2.
Dat betekent dat het reukoppervlak van een hond maar liefst 15 x zo groot is als van de mens.
Deze vergroting zien we in nog extremere mate terug bij de wolf, de oervorm van de hond. Door de geplooidheid van de neusspieren en door de gestrekte ( langer geworden) schedel  wordt dit nog eens extra versterkt. Deze soorteigen aanpassingen van de schedel vinden we bij alle inheemse hoefdieren terug. Een lange, gestrekte schedel betekent altijd een vergroot reukvermogen.

Het reukslijmvlies van een volwasen ree omvat ongeveer 90 cm2. Het totaal aan reukcellen bij het ree ligt in doorsnee rond de 33.000, in bijzondere gevallen bij 62.000 per cm2.
En zelfs bij het wilde konijn is het aantal reukcellen nog 5 x hoger dan bij de mens.

Van alle diersoorten waarvan de reukzin wetenschappelijk onderzocht is, bezit het wilde zwijn de grootste oppervlakte reukslijmvlies, en daarmee ook de meeste reukreceptoren.
Bij overlopers omvat het reukveld al 170 cm2, bij 2,5-jarige zwijnen rond 290 cm2, en bevatten tussen 300 en 560 miljoen  receptoren!
Het is bekend dat vossen bij gunstige wind op een afstand van 4 km. de sexuele feromonen van een paringsbereide vos kunnen opvangen.
Al deze cijfers geven nog eens aan hoe oneindig ver de mens achter blijft bij het wild, voor wat de reuk betreft.

Toch is de reuk ook bij de mens van groot belang, zo is de reuk vaak mee bepalend voor onze stemmingen en ook voor sympathie of antipathie tegenover mensen, dieren en planten of andere substanties. Bij voorbeeld bij een rottend kadaver.
En ook in ons sexuele leven speelt reuk een niet te onderschatten rol. Het bepaalt mede de sympathie of antipathie die we voor iemand voelen.

De biologische betekenis van de reukzin is voor bijna alle wildsoorten zeer groot. Al bij de geboorte is de reuk praktisch volledig ontwikkeld. De reuk speelt ook een grote rol bij het inprenten van de geur van moeder en jong, zodat ze elkaar herkennen aan de unieke geur. Het reukvermogen  neemt nog toe doordat bij de groei van het dier de schedel langer wordt en het reukslijmvlies ook meegroeit. Door opgedane ervaringen tijdens het leerproces in de jeugdfase, wordt de reuk steeds belangrijker.

De functie van de reuk is veelzijdig: voedsel zoeken, vijandvermijding, een geslachtspartner zoeken, markering van het terrein, herkenning van elkaar en van wissels en territoria.
In de bronsttijd controleert het hert d.m.v. “flehmen” de paringsbereidheid van de hinde. 

Ook beschermt de reukzin de longen voor beschadigingen door gasvormige stoffen.

Niet iedere geur wordt even sterk waargenomen, er treedt op de langere duur een zekere gewenning aan bepaalde geuren op, die dan niet meer als “gevaar” worden gesignaleerd.
Dat kan snel veranderen als de bekende geur plotseling in hevigheid toeneemt. Het dier zal dan opnieuw gealarmeerd worden en zijn “gewenningsniveau” direct bijstellen.
Dat gebeurt door het intensief opnemen van lucht met korte stoten, het z.g. snuffelen.

Voor de meeste dieren is dit scherpe reukvermogen uiterst belangrijk.
Primair natuurlijk bij het vermijden van vijanden als b.v. de mens,  en secundair bij het voedsel zoeken, bij voorbeeld in de buurt van een hoogzit waar vanuit geschoten kan worden.
Dat de zeer uiteenlopende geursporen in de lucht afhankelijk van de windsterkte sneller en verder getransporteerd kunnen worden, betekent ook voor de jager een factor van belang.
De luchtvochtigheid speelt ook een rol. Vochtige lucht geleidt de geursporen duidelijk beter dan droge lucht. Zweethondengeleiders die vaak nazoek doen weten dat de prestatie van de hond sterk afhangt van de luchtvochtigheid. Hoge temperaturen beinvloeden de prestatie ook positief.

De functionele plaats van de reukzin is bij de verschillende diersoorten verschillend. Zelfs  de reukzin van moeflons, die als zeer goed bekend staat, staat bij de zintuigen van dit dier op de tweede plaats. Het zien staat hier op de eerste plaats. Pas als de waarneming van onbekende objecten door het zien niet voldoende is, zal het dier door dichter bij het onbekende object proberen te komen, verwaaing krijgen, en zodoende zekerheid  of er wel of niet gevaar dreigt.

En ander doel van de reukzin is de herkenning van de roedel of rottegenoten. Als een dier het contact verliest met de rest van de groep zal het eerst proberen door zichtcontact te leggen, weer terug te keren in de groep. Dat gebeurt vaak door nerveus heen en weer te lopen en naar alle kanten  te kijken. Blijft dat zonder effect, dan gebruikt het de neus, om net als een hond, het spoor van de groep te volgen.
De uiterst gevoelige reukzin biedt talrijke voordelen voor de soorten, waarmee belangrijke informatie beschikbaar komt.
Het zicht en het gehoor zijn vaak maar momentopnamen, die niet altijd betrouwbaar zijn.
Een voorbeeld: of een 200 meter verderop staande roerloze figuur een mens, (dus een vijand ) is, of slechts een krom gegroeide boom of misschien een potentiele prooi, is vanuit het dier niet altijd goed te zien. Ook het geluid van een vallende tak kan van een vijand of van een prooi zijn.
Als dat ondefinieerbare object echter duidelijk naar mens ruikt, dan is het ook zeker een mens!
En verder kan geen enkel dier door een dicht bossage kijken. Met de windvang echter krijgt het wild door de bosjes heen, heel duidelijk de geur toegewaaid en weet wie of wat zich er achter verbergt. En ook duisternis heeft geen invloed op het reukvermogen.

Wagenknecht heeft de functie van de reuk bij het roodwild treffend beschreven:
“De neus als orgaan dat het meest nauwkeurig is, verdient bijzondere aandacht: oog en oor kunnen zich vergissen, de neus nooit!  Als de neus voldoende scherp is, garandeert de luchtstroming het dier een duidelijke en overvloedige waarneming van alles wat van honderden meters ver komt. Daar is geen verbergen mogelijk, dat weet iedere jager.
Iedere wildkenner weet ook hoe geraffineerd het roodwild de kunst verstaat de windrichting zo te benutten dat een verrassing nauwelijks mogelijk is. Bij onzekerheid van wel of niet gevaar, maakt roodwild vaak een omtrekkende beweging om zodoende verwaaing op te kunnen snuiven, en indien nodig te vluchten.”
Heel typerend is b.v. hoe roodwild (en ook reeën) gaat zitten. Om te rusten of te herkauwen zal het steeds zo gaan zitten dat het met de rug naar de wind toegekeerd ligt, zodat het niet van achteren kan worden verrast. De wind zal iedere geur tijdig doen ontdekken, terwijl het met de ogen het voor hem liggende terrein onder controle heeft. Dit gedrag vertonen vooral alleengaande dieren of kleinere roedels, bij grotere roedels is dit gedrag niet zo duidelijk te zien. Daar zijn ook veel meer ogen die naar alle kanten kijken en dus een veel grotere kans op ontdekking.

Maar op dit gebied komt de jager steeds weer voor verrassingen te staan. De ene keer wordt een roedel al vluchtig op 400/500 meter, een andere keer blijft het op 150 meter nog vertrouwd staan. Dat ligt echter niet aan het wild, maar aan het spel van de wind, die vaak totaal onberekenbare richtingen uit gaat, horizontaal en verticaal, gestuurd door bosranden, groepen jonge opslag, hellingen, kuilen en zonnestraling. Bijna steeds is het de jager die voor de gek wordt gehouden en niet het wild.

De betekenis van de reuk voor het wilde zwijn kan moeilijk overschat worden.
Briedermann beschrijft dat heel treffend:  “Zo als wij een lichtovergoten landschap zien met allerlei kleuren en kleurnuances, vormen en perspectief, zo ontsluit de reuk van het wilde zwijn een dergelijk landschap maar dan via de reuk.  En dit reukbeeld is waarschijnlijk niet minder levendig dan ons zichtbeeld.
Het grote voordeel is dat het bij nacht even goed functioneert als bij daglicht. Zelfs blinde dieren kunnen zich met slechts de reuk nog tamelijk goed orienteren.
Een al lang uit het zicht verdwenen vijand of soortgenoot laat nog urenlang vaststelbare sporen achter aan de bodem, in de onderste luchtlaag en aan vegetatie waarmee het in aanraking kwam.
Bij het voedselzoeken is de reuk van groot belang, omdat een groot deel van het voedsel door wroeten uit de grond moet worden opgenomen. Een bekend fenomeen zijn de z.g. truffelzwijnen. De mens maakt dankbaar gebruik van hun uitmuntende reuk door ze af te richten op de specifieke geur van truffels. Zo kunnen ze onder een sneeuwdek van 30 cm. nog truffels vinden die 10 tot 30 cm in de bodem zitten en die vaak niet groter zijn dan een maiskorrel.”  

Vooral bij reeën kennen we het in het begin van dit artikel beschreven verschijnsel van “schijnazen”. Bij verontrusting werpt het dier tijdens het laveien plotseling de kop op. Men meende lange tijd dat het ree de doodstil staande vijand wilde verleiden om te bewegen en zich daarmee te verraden.
In werkelijkheid dient dit schijnazen voor een betere geurenwaarneming.
We hebben al eerder gezegd dat geuren relatief snel gewenning veroorzaken, waardoor er een bepaalde ongevoeligheid optreedt. Hersencellen kunnen slechts voor een korte tijd gelijksoortige impulsen van de reukorganen verwerken. Wordt deze geur echter kort afgewisseld door andere geuren, dan is de voorgaande geur weer scherp waarneembaar voor het ree. Het op en neer doen gaan van de kop, het schijnazen, staat dus in dienst van die nodige afwisseling van geuren. Het is dus een physiologische noodzakelijkheid om de normale reukscherpte te behouden of weer te herstellen.

Een fijne neus is dus heel belangrijk!