1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42

Gelukkig niet vaak, maar soms vernemen wij, als Veluws Hert, dat er leden van onze vereniging zijn, die de regels van een natuurgebied niet respecteren. Betreden van gebied tijdens afsluiting, (ver) naast het pad lopen, rustgebieden betreden en niet zelden daarbij het wild verstoren zijn zo de overtredingen die plaatsvinden.

Het bestuur keurt deze acties af, welke goede bedoelingen er ook achter moge steken.

Nu weten wij ook dat verreweg de meeste leden zich keurig aan de regels houden en het zijn slechts enkelingen die menen dat de regels niet of minder voor hem gelden.

Meestal zal een waarschuwing of een boete de overtreder weer "op het pad" helpen, recidivisten kunnen door de terreineigenaren/beheerders enz. aan ons gemeld worden, waarna ook de vereniging sancties kan opleggen van schorsing tot royement. Voor je eigen bestwil, de onze en van het wild: laat het niet zover komen.

Het Veluws Hert
LELYSTAD - Het voorjaar is een kritische periode voor de 3000 heckrunderen, konikpaarden en edelherten die in de Oostvaardersplassen tussen Lelystad en Almere leven. De dieren zijn weliswaar bestand tegen een normale winter, maar extreme weersomstandigheden kunnen fataal zijn.

Image

Gemiddeld overleeft 15 tot 20 procent van de grote grazers dit seizoen niet. "Maar daar profiteren andere beesten weer van," zegt boswachter Hans Breeveld. Dieren die in de winterperiode erg verzwakt raken, zijn in het voorjaar vaak een makkelijke prooi.

Ver weg van de kudde staat een stier helemaal alleen in de ongerepte natuur van de Oostvaardersplassen, een bijzonder natuurgebied van 5600 hectare in Flevoland. De zwarte vacht glimt niet en het is goed te zien dat er een strenge winter is geweest. Het dier smikkelt van het opkomende gras en laat zich lekker in de modder glijden. "Tja, hij is wat mager, maar dat is nog geen reden om hem af te schieten", oordeelt Breeveld.

De boswachter weet het niet helemaal zeker, maar de kans is groot dat de onlangs gesignaleerde monniksgier op de kadavers afkwam. Net als de zeearend, die regelmatig neerstrijkt in de Oostvaardersplassen, is deze gier afhankelijk van grote kadavers. "Het is heel frappant dat deze monniksgier nadat hij was uitgezet in België, een paar dagen later hier was. Echt een toevalstreffer, maar hij ruikt dode beesten al op grote afstand."

Het aantal dieren dat jaarlijks nieuw leven ziet in dit gebied, is net zoveel als de beesten die het niet redden. De boswachter zet zijn auto achteruit. Hij ziet een pasgeboren kalfje rondhuppelen. "Het zal mij niet verbazen als de navelstreng er nog om zit." Hij is nog net op tijd met zijn verrekijker, want het dier verschuilt zich snel achter zijn moeder. "Ja, hij is echt pas een paar uur oud", zegt de boswachter met een glundering op zijn gezicht.

De edelherten, konikpaarden en heckrunderen die aan de andere kant van de weg staan, zien er niet op hun best uit. Een konikpaard kijkt nieuwsgierig naar de auto. Zijn botten steken uit en uit zijn vacht is alle glans verdwenen. Dit dier maakt wel een levendige indruk en zal niet worden afgeschoten, legt Breeveld uit.

Volgens de boswachter hebben mensen het idee dat dieren er altijd mooi uit moeten zien, met een glanzende vacht. "We vergeten dat de natuur ook een schaduwzijde heeft. De natuur is geen constante en dus zijn er ook perioden dat dieren er mager uitzien, omdat er te weinig voedsel is. Dat is een heel normaal verschijnsel, maar we zijn dat een beetje kwijtgeraakt".

artikel uit Deutsche Jagd Zeitung 3/2004

Nieuwe inzichten in de ecologie van het Edelhert:
Hoe past deze soort zich aan de winter met lage temperaturen en een beperkter voedselaanbod aan.

Algemeen is de opvatting dat het Edelhert vooral door geringere activiteit energie spaart. Nieuw wetenschappelijk onderzoek door het onderzoekscentrum voor wildbiologie en ecologie van de diergeneeskundige universiteit te Wenen tonen echter aan dat de tijdelijke daling van de temperatuur in de buitenste lichaamsdelen veel wezenlijker bijdragen tot een geringere energiebehoefte in de winter en de geringere activiteit voor een deel slechts een gevolg van deze energiebesparing is. Daaruit blijkt dat het organisme van het Edelhert zich verbluffend gelijk gedraagt als dat van dieren die een winterslaap houden.
Warmbloedige planteneters zoals het Edelhert en de Gems zijn 's winters aan een dubbele belasting overgeleverd: enerzijds vinden ze minder en kwalitatief slechter voedsel, anderzijds moet hun lichaamstemperatuur in de koude op peil gehouden worden.Tot op heden konden wildbiologen ondanks jarenlang onderzoek geen bevredigend antwoord geven op de vraag hoe de dieren deze dubbele belasting overwinnen. Tot op heden nam men aan dat herkauwers in de winter, vanwege het ongunstige weer, eigenlijk meer energie nodig hadden dan in de andere seizoenen. Het tegendeel is echter het geval. Bij onderzoekingen in afgerasterde gebieden met Rendieren, Edelherten en Reeën bleek dat ondanks een overdadig aangeboden voedselhoeveelheid de dieren in de winter steeds minder tot zich namen, in tegenstelling tot de zomer. Natuurlijk beschermt de uitstekende winterbeharing de dieren tegen warmteverlies. Ook vermindering van bewegingsactiviteiten gedurende de winter bespaart energie. De totale omvang van de vermindering van de voedselopname gedurende de winter kon daarmee echter niet verklaard worden en bleef tot op heden een raadsel.Daarentegen is dit thema ten behoeve een soortgerichte wintervoeding (!) en een juiste beoordeling van de gevolgen van verstoring van de dieren in de winter, van buitengewoon belang. Dat laatste wordt versterkt door het feit dat daarmee ook een sterke samenhang met het ontstaan van schade in het bos aanwezig is
.
Tegenstrijdige feiten uit het voormalige onderzoek.
Het onderzoek naar de oorzaken die verantwoordelijk zijn voor een geringere voedselopname en daarmee geringere stofwisseling van de wilde hoefdieren gedurende de winter, leidde naar tegenstrijdige gegevens. Vroeger onderzoek meende gedurende de winter een geringere totale energieomzet vast te stellen. Verdere studies en zorgvuldige experimenten konden deze echter niet bevestigen. Een mogelijke foutenbron lag daarin dat zich in kleinere afgerasterde terreinen de dieren zich anders gedragen als in de vrije wildbaan.
Een aan het onderzoeksinstituut voor Wilddierkunde en Ecologie ontwikkeld telemetrie systeem maakte metingen aan Edelherten onder vrij natuurlijke omstandigheden mogelijk. Een minuscule, ter hoogte van het borstbeen geïmplanteerde zender meet hierbij de hartfrequentie, die stofwisselingsactiviteit goed weerspiegelt. In verhouding tot de lichaamsomvang is deze zender beduidend kleiner als de pacemaker die we voor menselijk gebruik kennen, en hindert de dieren niet. Naast de hartfrequentie wordt ook de lichaamstemperatuur in het onderhuidweefsel gemeten. Het geïmplanteerde apparaatje zendt deze informatie naar een ontvanger in een halsband, die het betreffende dier om de nek draagt. Daar wordt het versterkt en tezamen met verdere informatie over bewegingen van het dier en de houding van de hals naar een automatisch ontvangststation gezonden, waar de gegevens ononderbroken geregistreerd worden. Dit systeem kan zonder oponthoud en zonder batterijvernieuwing tot drie jaar werken en biedt de mogelijkheid, naast de meting van fysiologische waarden, ook een vrij nauwkeurige inschatting van de activiteiten, inclusief de voedselopname, te registreren.
In totaal 8,5 miljoen metingen geregistreerd.
Ten einde de oorzaken en het gevolg van de afname van het energieverbruik van edelherten te achterhalen, onderzochten de Weense wetenschappers met dit telemetriesysteem gedurende vijf jaren vier mannelijke en vijf vrouwelijke edelherten. Deze dieren in een leeftijd van twee tot tien jaar, waren onderdeel van een roedel van twaalf tot vijftien stuks in een 35 hectare groot onderzoeksgebied. De vegetatie: 35% Gemengd Loofbos, 41% extensief gebruikt open terrein en 24% weide, bood de dieren in de zomer ruim voldoende voedsel. In de winter werd met goed hooi en dagelijks ongeveer vijfentwintig kilogram bieten en zeven kilogram graan bijgevoerd. In totaal werden ongeveer acht en een half miljoen gemiddelde minutenwaarden van hartslag, onderhuidtemperatuur en activiteit geregistreerd, waarmee waarschijnlijk de meest omvangrijke datahoeveelheid van aanpassingen van wilde dieren aan het seizoen werd verkregen.
Allereerst werd onderzocht hoe sterk de stofwisselingsactiviteit uitsluitend door de kwaliteit van het voedsel werd beïnvloed. De eiwit-, vet- en het ruwe stofgehalte in de pensinhoud weerspiegelt de verandering in de voedselplanten gedurende de seizoenen. Het eiwit- en vetgehalte stijgt in het voorjaar snel tot een hoogtepunt in de vroege zomer en neemt daarna continu af met de verouderende vegetatie. De laagste waarden van het jaar worden in de periode december tot maart bereikt. Precies omgekeerd verandert het gedeelte van de ruwe stof. Het werd duidelijk dat de door voor de vertering benodigde energiebehoefte niet in de winter, als het ruwe stofgehalte zeer hoog is, zeer hoog is maar juist in het optimum van het groeiseizoen, als de planten in verhouding veel eiwit en vet bevatten. Op het eerste gezicht lijkt dit resultaat onbegrijpelijk, want ruwe stof is in tegenstelling tot eiwit of vet, moeilijker verteerbaar. Daarbij wordt dan echter vergeten dat ruwe stof in de pens door micro-organismen wordt afgebroken en verteerd, hetgeen het dier zelf geen energie kost, terwijl de vertering van eiwit en vet juist wel extra energie vraagt van het dier. Door middel van de continu opgenomen telemetriegegevens kwam vrij nauwkeurig de fysiologische veranderingen in beeld die het Edelhert gedurende de seizoenen ondergaat.
Aan het hartslagfrequentie was af te lezen dat het totale energieverbruik van de onderzochte dieren in de nawinter met ongeveer veertig procent afnam. Het energiegebruik steeg erg sterk in april-mei en bereikte zijn hoogste waarde in juni. In dewinter waren de dieren ook duidelijk minder actief. Deze gedragsverandering kon echter niet de totale vermindering in energieverbruik verklaren. De hartslagfrequentie in rust toonde namelijk gedurende het gehele jaar ongeveer gelijke waarden, evenals de hartslagfrequentie gedurende de momenten dat de dieren actief waren. Daarnaast bleven de dagelijkse activiteiten gedurende de gehele zomer ongeveer gelijk, terwijl de gemiddelde hartslagfrequentie in diezelfde tijdsperiode al duidelijk afnam. In totaliteit waren de veranderingen gedurende de seizoenen bij de onderzochte dieren zo groot, dat het energieverbruik van bronst-, drachtigheids- en zoogperiode niet meer bijzonder opvielen. Gedurende de wintermaanden beperkte zich de activiteiten van de dieren vooral tot de voedselopname. Hieraan werd echter in totaal meer tijd besteed dan in de zomer. Vanaf het vroege voorjaar tot in de herfst laveiden de dieren ongeveer 15 tot 20% van de dag. Begrijpelijk, want met de rijkelijke vegetatie kan de pens veel sneller gevuld worden dan in de winter. Pas in de tweede helft van juni was de benodigde tijd voor de voedselopname onder de vrouwelijke dieren gedurende een korte tijd hoger, hetgeen vermoedelijk is te verklaren uit het hogere energieverbruik van de zogende hinden: in deze tijd nemen de kalveren de meeste melk tot zich.

Warmteproductie op de spaarvlam.
Een volledig nieuw en onverwacht gegeven kwam naar voren uit de uitwerking van de lichaamstemperátuurwaarden: edelherten zijn in staat in slechte tijden het energieverbruik voor de warmteregulatie te reguleren, in principe gelijk andere diersoorten die een winterslaap houden.De lichaamstemperatuurmetingen lieten zien dat de doorbloeding van de buitenste delen, ledematen en buitenste deel van de romp, die de lichaamswarmte aan de koude omgeving afgeven, verminderde, waardoor als het ware de warmteproductie op de spaarvlam kwam te staan.Daardoor koelden de buitenste lichaamsdelen sterk af, zelfs in de borstbeenomgeving, die relatief dicht bij de lichaamskern ligt, tot zelfs op 15%. De onderzochte Edelherten waren in deze fase ook minder actief, vermoedelijk omdat ze vanwege de stramme lopers niet bijzonder goed uit de voeten konden. Daardoor bleef in de wintermaanden de daarbuiten zo typisch gebruikelijke activiteit gedurende de ochtendschemering uit. Dit bewijst dat de geringere activiteit het gevolg van energiebesparingen zijn en niet, zoals tot op heden vaak werd verondersteld, de oorzaak. Enkele nauwkeurig analyses van enkele koude winternachten toonde aan dat der afname van de warmteproductie in het lichaam onmiddellijk het energieverbruik verminderde. Hoe lager de lichaamstemperatuur van de buitenste lichaamsdelen werd, hoe lager de hartslagfrequentie daalde, zowel in rust als tijdens activiteiten. De meetgegevens toonden dat het energieverbruik gedurende een fase van gedaalde onderhuidtemperatuur in rust zo rond de 13 procent en gedurende een activiteit zo rond 17 procent lager lag. De hogere reductie gedurende een activiteit rechtvaardigt de conclusie dat de dieren met koude lopers nog slechts langzaam bewegen konden. Langzamere bewegingen kosten minder energie en deze besparing kwam zo te zien ten gunste van de besparing op grond van geringere warmteproductie. Opmerkelijk is dat de temperatuurdalingen in de "schil" van het lichaam en de ledematen vooral in de koude nachten in het hartje winter optraden. Slechts af en toe werd dit ook in enkele zomernachten geregistreerd, dan echter in slechts zeer geringe mate en voor slechts korte tijd. Het verloop van de onderhuidtemperatuur gedurende het jaar laat zien dat de energiebesparingen hoofdzakelijk dan optreden als slechte weersomstandigheden gepaard gaan met een slinkende voorrad vetreserves, hetgeen alleen in hartje winter hergeval is. Lage buitentemperaturen waren nooit alleen de oorzaak. Het koudst was het namelijk gedurende de dagen rond de jaarwisseling, terwijl de "winterslaap in de benen (lopers)" het vaakst en intensiefst in februari en maart voorkwam.


Hartfrequenties van onder de dertig
De ware oorzaak van de stofwisselingsreductie van de edelherten in de winter was daarmee nog niet verklaart, zoals de wetenschappers verrast vaststelden: normaal registreerden de zenders uitsluitend hartslagfrequenties van boven de dertig slagen per minuut - in verband met alles wat men tot op heden van grotere zoogdieren wist, waren lagere waarden ook niet ingeschat. De huidige analyses toonden echter dat bij edelherten in het hartje winter hartslagfrequenties van onder de dertig slagen per minuut niet zelden voorkomen. Hier drong zich de vergelijking met winterslapende dieren op. Het onderscheid tot echte winterslapers ligt bij het edelhert daarin dat die dieren niet het gehele etmaal, maar een beperktere tijd: acht tot negen uur lang in een energiebesparende toestand blijven en de stofwisseling niet helemaal zo sterk "afknijpen". Dit effect kan men ook bij vele kleinere zoogdieren in een "energie kritische tijd" waarnemen: Vleermuizen of bosmuizen brengen hun stofwisseling gedurende de dagelijkse rustpauzes op winterslaapniveau, dus op slechts een fractie van hun normale energieverbruik terug. Kleine dieren koelen namelijk bij een geringere warmteproductie zeer snel af en kunnen zich dan nog slechts vertraagd bewegen. Edelherten zijn zo groot dat zij minder gevolgen ervaren van een slechts enkele uren durende verlaging van de eigen warmteproductie. Daarom ziet men de effecten vrijwel uitsluitend in de buitenste lichaamsdelen. In principe zijn de fysiologische reacties die de Edelherten gedurende de koude nachten in hartje winter vertonen weinig anders als die welke bijvoorbeeld het Murmeldier, de Zevenslaper of de Egel helpen de winter te overleven.

Praktijktips
Het gegeven dat de beperking in activiteiten bij Edelherten gedurende de winter niet de oorzaak maar het gevolg zijn van een reductie van het energiegebruik van de dieren, confronteert de praktijk van het faunabeheer met enkele belangrijke conclusies.

1. Rust(ige) gebieden instellen:
De gevolgen verontrusting en verstoring in de wintertijd zijn veel ingrijpender als tot op heden werd aangenomen. Ongestoorde gebieden in de winter zijn dus dringend gewenst. De inheemse wilde hoefdieren zijn vluchtdieren die hun vluchtgedrag slechts beperken als ze zich veilig voelen. Zeer waarschijnlijk gaat het y edelhert pas in de omschreven winterrust, dat wil zeggen: komt de energiebesparende daling van de hartslagfrequentie en de daarbij optreden temperatuurdaling van buitenste lichaamsdelenpas tot stand in volkomen ongestoorde omstandigheden. Dat is waarschijnlijk de oorzaak dat het verschijnsel bij onderzoek in laboratoria (stalproeven) zich tot op heden niet heeft gemanifesteerd.

2. Geen Jacht in de nawinter
De genoemde verschijnselen treden pas op tijdens slechte weersomstandigheden én slinkende vetreserves beide tegelijkertijd optreden: in de nawinter. Dit pleit er voor om de jachtuitvoering na de jaarwisseling volledig te staken of drastisch te beperken. Dit. betekent tegel'ijkertijd dat het daarmee ook zeer gewenst is binnen de randvoorwaarden van een efficiënte maar tegelijkertijd ethisch verantwoorde, ook wel weidelijk genoemde jachtuitvoering vóór de jaarwisseling tijdig te starten.

3. Onjuiste bijvoedering verhoogt schil- en vraatschade

Energierijke en vooral eiwitrijke bijvoedering inde winter brengt de dieren in een "zomerstofwisseling" die onnodig veel energie en extra opname van ruwe stof vraagt. Dat verhoogt de kans op meer schillen van bast en het eten van twijgen en knoppen als in de natuurlijke omstandigheden. Als een hoge mate van schillen en twijgen en knoppen eten vanwege de doelstelling ongewenst is, kan het als schade worden ervaren en aangemerkt.Wanneer bijvoedering als dringend gewenst wordt gezien is een zorgvuldige bepaling van het soort voeder en de hoeveelheden en tijdstippen van verstrekking eveneens gewenst.

Nawoord vertaler:
Ervaringen onder Nederlandse omstandigheden hebben aangetoond dat in ons land het nalaten van bijvoedering geen enkel nadelig effect heeft op de gezondheid van de populatie. Kortom: de klimatologische omstandigheden en het continue voedselaanbod zijn van dien aard dat de edelherten het niet nodig hebben. Eventuele dreigende mineralentekorten kunnen eenvoudig op een andere wijze worden voorkomen: door middel van likstenen en een op de omstandigheden toegesneden aantal goed beheerde wildweiden of graasweiden.

Verslag van Peter Friedrich Sieben , naar aanleiding van een voordracht van prof.Dr. Walter Arnold, leiter des Forschungsinstituts fur Wildtierkunde und 0kologie des Veterinármedizinischen Universitaet Wien

De verborgen winterslaap, prof.dr.W.Arnold
uit: DjZ 2/2004, blz 39 tm 41 vertaling J.Rouwenhorst
OOSTVAARDERSPLASSEN
• Creperende herten of de natuur die haar werk doet?


De ontwikkelingen in de Oostvaardersplassen houdt nog steeds de gemoederen bezig. Mede dankzij de protesten van onze vereniging is de zaak op de politieke agenda gekomen. Reden voor de vaste kamercommissie om in het gebied een kijkje te nemen. Ook Het Veluws Hert was tijdens dit werkbezoek aanwezig. Slecht weer spelbreker voor mens en dier Al op vrijdag 4 maart zou de Vaste Kamercommissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een werkbezoek afleggen aan de Oostvaardersplassen, maar dit bezoek moest vanwege het slechte weer worden uitgesteld. Doel van het bezoek was voorlichting te krijgen over het beheer in de Oostvaardersplassen, met zo min mogelijk ingrijpen zoals door Staatsbosbeheer wordt uitgevoerd en te discussiëren met verschillende partijen over de gevolgen van dit beleid voor het welzijn van de grote grazers en de edelherten. Juist op die dag lag er zo’n 20 centimeter sneeuw en daarom waren de effecten van de intensieve begrazing niet te zien. Het bezoek moest worden uitgesteld tot 18 april.
De weersituatie in maart was weliswaar niet normaal maar in het wild levende dieren zouden daar prima tegen moeten kunnen. Echter voor de bijna 3000 paarden, de runderen en de edelherten die in het natuurgebied de Oostvaardersplassen leven kwam het extra hard aan.
De grazers lopen in een gebied van 2000 hectare waar vanaf medio oktober vrijwel niets meer groeit. Het is een omrasterd gebied waarin de dieren die er zitten opgesloten maar moeten zien hoe ze de winter doorkomen.

Spoeddebat
Op 10 maart vroeg het CDA een spoeddebat aan in de Tweede Kamer en moest minister Veerman aan de politici uitleg geven over de op dat moment sterk stijgende sterfte onder met name de herten in de Oostvaardersplassen. Op dat moment stierven er zo’n 20 per dag en uit
de cijfers bleek dat het vooral om veel volwassen herten van tussen de 3 en 10 jaar ging. De politieke partijen gaven aan er moeite mee te hebben dat de edelherten een onnatuurlijke hongerdood stierven. De politiek is van mening dat de zorgplicht en het daaruit voortvloeiende dierenwelzijn te wensen overlaat. Het CDA, de VVD en de LPF, samen een kamermeerderheid, spraken met de minister af, dat op korte termijn vernieuwde richtlijnen moeten komen en dat de minister zal laten onderzoeken of er in de toekomst eerder preventief moet worden ingegrepen om ernstig lijden door voedselgebrek te voorkomen.

Werkbezoek kamerleden aan de OVP

Maandag 18 april brachten leden van de Vaste Kamercommissie LNV alsnog een bezoek aan de Oostvaardersplassen. Aanwezig waren o.a. de heer Ormel (CDA), mevrouw Kruijsen (PvdA), mevrouw Snijder (VVD), de heer van de Brink (LPF), de heer Jager (CDA) en de heer Herben (LPF). Laatst genoemde was vergezeld van zijn dochter Elleke, die onlangs afstudeerde op een scriptie over de juridische status van de grote grazers. Ook de pers, waaronder de Stentor en het Algemeen Dagblad en onze redacteur Jan Paulides was uitgenodigd. Staatsbosbeheer had alle betrokken interne medewerkers van stal gehaald en ook nog enkele externe deskundigen gevraagd een korte inleiding te houden. Na een welkomstwoord van directeur Vriesman, vertelde ecoloog Frans Vera over het ontstaan en ontwikkeling van de Oostvaardersplassen als internationaal vermaard vogelgebied. Hij ging daarbij in op de inzet van grote grazers als middel om met name voor de grauwe gans in de ruiperiode een aantrekkelijke grasmat te bieden met kort gras. Hij ging daarbij ook in op het streven naar een zo compleet mogelijk ecosysteem met minimaal menselijk ingrijpen, maar wel met speciale aandacht voor een aantal bedreigde vogelsoorten. Hij hield, zoals altijd, een vlammend betoog.
Hierna volgde nog een aardige bijdrage van Agnes van den Berg van Alterra. Zij gaf het verschil aan tussen cultuur en oernatuur en het verschil in beleving door de mens. Mensen die systeembeheer voorstaan gaan voor ongerepte ecosystemen, mensen die ook het dierenwelzijn van belang vinden, willen meer sturing in het beheer en stellen dat in Nederland op dit moment geen ruimte is voor grootschalige experimenten met veel dierenleed tot gevolg.

Slaapstand
De heer Boersma (SBB) kwam met de interpretatie van het Winterslaap-artikel uit de Deutsche Jagd Zeitung. Het leek erop dat Staatsbosbeheer dit onderzoek aangrijpt om het ingezette beleid te ondersteunen. Enkele van de aanwezige verbaasden zich hier dan ook non-verbaal over. Tevens meldde hij dat afgelopen zomer 420 edelhertkalveren werden geboren en er deze winter “slechts” 300 dood gingen. Het zo gewenste evenwicht is dus nog niet bereikt en dit zou betekenen dat in de komende jaren nog wel eens meer dieren de hongerdood zouden moeten sterven. Wat de heer Boersma vergat erbij te zeggen was dat het hier geen sterftevan ouderdom betrof, maar dat het overgrote deel stierf door ondervoeding*.

Rit met de bolderkar Het tijdschema was ondertussen flink uitgelopen, waardoor het geplande ritje in de bolderkarachter de tractor en de wandeling ingekort werden. Jammer, want daar kwamen de kamerleden voor. Tijdens de tocht werd goed duidelijk hoeveel van de vlier en wilg geschild was door de herten. Veel bomen waren dood en dat gaf een troosteloze aanblik. Natuurlijk gaat het niet om het verlies van de bomen, maar wel om het feit, dat de herten blijkbaar geen alternatieven meer hadden.
Harm van der Veen toonde in zijn proefschrift al aan dat edelherten heel flexibel omgaan methet voedselaanbod en dat deze dieren in de winter ruim 30% vezelrijk voedsel kunnen verteren, maar dit is toch wel iets heel anders dan gedwongen worden praktisch alleen maar boombast te moeten eten. Onnatuurlijk en met, zoals nu gebleken is, desastreuze gevolgen!
Er ontstond dan ook de nodige discussie tijdens de uitstekende lunch in de vogelobservatiehut de Zeearend.
Vervolgens gingen het gezelschap met de bolderkar nog iets verder het gebied in. Vele grauwe ganzen, enkele nijlganzen en een zilverreiger waren op de nu weer aardig groen wordende grasvelden ten westen van de Praambult te zien. Ook Heckrunderen, Konikpaarden en grote roedels edelherten konden, weliswaar van grote afstand, bekeken worden.


* Dit waren zeker niet voornamelijk oude en zwakke dieren, zoals uit de gegevens van SBB blijkt. Een opmerkelijke wending want anderhalf jaar geleden schreef de officiële woordvoerder de heer Kuiper in de Telegraaf nog een heel ander verhaal. Toen waren het volgens hem nog zwakke en oudere dieren die in het wild leven en het recht hadden te mogen sterven aan ouderdom of ziekte. Waar mensen toch die verhalen van voedselgebrek vandaan
haalden was hem een raadsel. (Telegraaf 2-10-2003)
.
Op de open vlakte staan enkeleHeckrunderen en tientallen edelherten.

In het veld werden vier kadavers gesignaleerd, maar ook enkele Heckrundkalfjes. De afstand was te groot om de dieren te kunnen beoordelen. Wel viel op dat twee Heckrundstieren maar moeizaam overeind konden komen. Jammer dat wij al snel weer terug moesten, de grazigeweiden gaven een ietwat vertekend beeld. Was er een mogelijkheid geweest te wandelen over “het Stort” dan zouden de kamerleden een completere indruk gekregen hebben van de situatie. Ook werd het Fluitbos niet aangedaan, juist hier zag het publiek wat er zich afspeelde met de verhongerende herten.

Afsluiting

Staatsbosbeheer sloot op 3 maart dit 170 hectare grote wandelbos af, naar hun zeggen om de herten de nodige rust te geven. Een vreemde benadering, daar er in de OVP al 1700 hectarerustgebied is. De ruim 500 herten die ’s nachts de laatste bast van de bomen schilden, kwamen daar niet voor de rust maar voor een noodrantsoen en Staatsbosbeheer wilde liever geen pottenkijkers. In maart vielen hier honderden herten om van de honger en elke ochtend werd een aantal afgeschoten door medewerkers, die dan ook snel de uitgemergelde kadavers verwijderden. Zij werden gedumpt op plaatsen waar het publiek niet kon komen of gingen naar de destructie. Het is trouwens nog maar twee jaar geleden dat Staatsbosbeheer in samenwerking met de Gemeente Almere dit gebied juist openstelde voor intensief recreatief gebruik. Er werd toen, zelfs tegen de wens van medewerkers van SBB, een fijnmazig padennet aangelegd en rust voor herten in de kritieke winterperiode werd als “maatschappelijk niet relevant” afgedaan door het toenmalige regiohoofd.

Discussie
In het informatiecentrum volgde een discussie onder strakke leiding van de heer Boeschoten (SBB) en in aanwezigheid van o.a. de gedeputeerde van Flevoland de heer de Raad, de heer Kotter (Stichting Reeënonderzoek), de heer Posthumus Meyjes, (algemeen directeur Dierenbescherming), onze voorzitter a.i. Buitenhuis, een vertegenwoordiger van Stichting Ark, wethouders van Lelystad en Almere, en de heer Keulartz (filosoof Wageningen Universiteit).
De heer Vera gaf aan dat een hert dat rustig ligt te sterven niet gebaat is met een schot. Bijverzadiging in een gebied (overbevolking) zou vanzelf via een slechtere conditie, ziekte en gebrek, enige natuurlijke selectie plaatsvinden. Dat zou beter zijn dan een schot voor gezonde herten voor de winterperiode, zoals overal elders ter wereld wordt gedaan. Vera maakte vreemd genoeg de vergelijking met de Veluwe, waar overigens hetzelfde Staatsbosbeheer de grootste beheerder is. Volgens Vera worden hier omwille van biodiversiteit, soortenbehoud en dierenwelzijn de aantallen bepaald en de jaarlijkse aanwas wordt doodgeschoten doormensen die daar ook nog eens dik voor moeten betalen. De heer Kotter verklaarde dat voorafgaand aan het moment van de hongerdood al veel geleden is. Indien in het beenmerg de hoeveelheid vet minder dan 20% is, treedt er verzuring op, dat met veel pijn gepaard gaat. Mevrouw Snijder verbaasde het dat SBB geen toekomstplan heeft en achtte dat wel zinvol, omdat volgens haar SBB wel vaker door de natuur verrast werd. De heer Herben was blij datdieren, die echt niet meer kunnen, nu worden doodgeschoten.
Gedeputeerde de Raad sprak over een niet-natuurlijke situatie, nu er de afgelopen tijd ruim500 dieren zijn afgevallen en ook de Dierenbescherming is niet blij met de situatie in de OVP. Zij houden vast aan hun standpunt dat de door de mens ingebrachte grazers “gehouden“ zijn in de zin van de wet en dat de mens wel degelijk een grote mate van verantwoordelijkheid heeft en dus ook een zorgplicht.
De wethouder van Almere pleitte voor een versnelde aanleg van de robuuste verbindingen richting Zeewolde/Veluwe, dit in combinatie met recreatief gebruik door de inwoners van haar stad.

Wetenschappelijke Adviescommissie Grote Grazers
De voorzitter, prof. dr. C.J.G. Wensing, van deze door Staatsbosbeheer ingestelde commissie was helaas niet aanwezig tijdens de discussie met de kamerleden. In oktober vorig jaar gaf hij aan dat de draagkracht voor het gebeid was bereikt en dat er sprake was van een zogenoemde zomerhabitat, waardoor het voedselaanbod in de winter de bottleneck vormt. Onderzoek door biologen van het RIZA heeft inmiddels aangetoond dat zowel de grashoogte als de bedekking afneemt en de relatieve jaarlijkse sterfte een stijgende trend vertoont. Het advies, dat slechts voor dit jaar geldt, geeft aan dat Staatsbosbeheer moet werken aan een betere monitoring met een goed inzicht in de populatieopbouw en dat er gewerkt dient te worden aan een completer leefgebied. Ook blijft volgens de commissie een betere onderbouwing voor de langere termijn noodzakelijk. Het zou goed geweest zijn als de Kamerleden het oordeel van de commissie nu hadden kunnen vernemen!

Conclusie
Het was een vruchtbare dag met voldoende ruimte voor inbreng van verschillende standpunten.
Staatsbosbeheer verdient hiervoor dank. De politici hebben kunnen luisteren naar de tegenstelling van op zich twee goedwillende partijen, namelijk diegenen die systeembeheer voorstaan met zelfregulerende natuur en diegenen die het dierenwelzijn hoog in het vaandel hebben.
Voor een gebied als de Oostvaardersplassen kan naar het idee van het Veluws Hert vrij eenvoudig een compromis worden bereikt. Als vogelgebied is het uniek en wij kunnen het snel eens worden over een grote mate van zelfregulatie, immers als een vogel het niet naar zijn zin heeft vliegt deze weg. Voor de grote grazers en de edelherten ligt dit anders en daarom zullen er preventieve ingrepen noodzakelijk blijven in het belang van het dier zelf.
Op dit moment wordt al 75% van de uitzichtloos lijdende grazers afgeschoten. Het meningsverschil waar het nu vooral om gaat is het tijdstip wanneer dit gebeurt. Daarbij is het voor onze vereniging onacceptabel dat omwille van een stukje natuurlijke selectie groot dierenleed wordt veroorzaakt. Daarom pleit onze vereniging voor vroegtijdig ingrijpen.
Indien Staatsbosbeheer zover gaat dat er ook preventief zal worden ingegrepen en dat mogelijk natuurlijke selectie wordt losgelaten dan zal dat het Veluws Hert en vast ook de Dierenbescherming tot tevredenheid stemmen. De Kamerleden hebben nu een grote verantwoordelijkheid en nu alle standpunten gehoord hebbend, zullen zij nu nog voor de komende herfst de richting moeten aangeven.

Het Veluws Hert heeft vertrouwen in de afloop en zal deze herfst de ledendag houden in de Oostvaardersplassen. Dat moet een gezellige dag worden met meerdere sprekers, wellicht kan een Kamerlid de dan hopelijk bekende richting komen uitleggen. In het najaarsnummer hoort u hier meer over, maar zet 29 oktober vast in de agenda, want deelname is beperkt tot zo’n 120 personen.

Image
In het geschilde wilgenbos met vele dode bomen
probeert Frans Vera tevergeefs Henk Jan Ormel te overtuigen.

Image
Is dit de natuur die SBB voor ogen staat?
De vlier is weliswaar ongewenst, maar een natuurlijk gezicht is het niet

Image
Met het voedselpakket in de hand gaat de
korte tocht naar vogeluitkijkhut de Zeearend

Image
Joanneke Kruijsen (PvdA) wordt door
TV-Flevoland even apart genomen voor een kort interview.
De berichtgeving op 18 april door Omroep Flevoland is sterk pro SBB.

Image


Image
Dit vierjarig hert is ongeveer 12 uur geleden letterlijk
van de honger omgevallen. Niet dat de herten doodgaan, maar
de manier waarop is het discussiepunt. (foto eind maart 2005)

Image
Het rund komt maar moeizaam overeind.
Hieren daar zijn wat kadavers zichtbaar, Janneke Snijder (VVD) telt er vier.

Image
Na de borrel loop ik nog even een stukje het gebied in.
Een jong hert steekt in gestrekte draf over.

Image
Twee herten gaan op de achterlopers.
Helaas drukte ik net te vroeg af.

Image
Op de Kitsweg staat wat kaal wild.
Op de terugweg met de bolderkar zagen we ze zo'n 10 meter van de weg af.
Afzender: STAATSBOSBEHEER Nieuwsbrief
Rubriek: Binnenland
Datum en tijd: 23-03-2005 16:28


Na een korte afsluiting heeft Staatsbosbeheer het Fluitbos in de Oostvaardersplassen nabij Almere weer opengesteld voor publiek.

Dankzij de afsluiting van het bos twee weken geleden hebben de edelherten in de Oostvaardersplassen de kans gehad om de afgelopen weken ongestoord door te komen. De rust was nodig om onnodige sterfte door stress onder de ruim 200 edelherten in het bos te voorkomen.

Uit recente onderzoeken in het buitenland is gebleken dat om energie te sparen tijdens koude perioden de herten hun lichaam afkoelen tot zo'n 10 graden. Een soort tijdelijke winterslaap. Bij verstoring moeten zij echter keer op keer opnieuw hun normale lichaamstemperatuur krijgen om te kunnen vluchten. Dit kost zoveel energie dat de dieren er aan kunnen sterven.

Ondanks de afsluiting waren er veel herten te zien vanaf de toegang bij de Hugo de Vriesweg. De dieren waren terwijl zij rustig stonden te eten zeer goed waarneembaar voor de vele nieuwsgierigen. Dit toont nogmaals aan hoe weinig schuw deze herten zijn in vergelijking tot de Veluwe.
Over het algemeen waren de bezoekers, ondanks het feit dat zij niet het gebied in konden vol met begrip voor de drastische maatregel. De boswachters van Staatsbosbeheer waren daarom blij verrast met de medewerking en het begrip van de recreanten.

Ook leverde de rustperiode nog een bijzondere gast op in de Oostvaardersplassen: een monniksgier. Deze vogel met een vleugelwijdte van bijna 3 meter, die tot nog toe slechts drie keer in ons land is waargenomen, profiteerde van de rust, ruimte en het voedselaanbod in de Oostvaardersplassen. Een unieke belevenis voor Nederland, die aantoont hoe waardevol grote aaneengesloten gebieden met grote kuddes in het wild levende dieren zijn. De monniksgier is een ernstig bedreigde soort, omdat er in Europa bijna geen grote kuddes wild levende dieren meer voorkomen.
(intern SBB-blad)


Eén winterse week begin deze maand zorgde voor een lawine aan commotie rond de Oostvaardersplassen. Het is een feit dat er zwakke dieren stierven door de barre week aan het eind van de winter maar de berichtgeving in de media en de ophef in de Tweede Kamer waren niet geheel en al op feiten gestoeld. Hoe zat het nu wél precies?
Ruim driehonderd mannelijke edelherten van de Oostvaardersplassen zochten massaal dekking tegen het winterse weer in het Fluitbos bij Almere Boswachter Jan Griekspoor: "Om de dieren, die aan het eind van de winter toch al in een matige conditie verkeerden, nu hun rust te gunnen, hebben we het bos voor wandelaars afgesioten. Vrijwel alle vrouwelijke dieren zwierven tijdens de sneeuwweek door het hele gebied. Doordat zij minder gewichtsverlies lijdeti in de herfst (de mannelijke geweidragers vallen dan veel af door de bronst) zijn zij minder kwetsbaar." De totale sterfte onder de edelherten bedroeg deze winter (cijfers t/m 15 maart) 218 dieren. Bij de heekrunderen en de konikpaarden hadden vooral de jaarlingen (dieren die het voorgaande voorjaar geboren zijn) en de oudere dieren het moeilijk, van de runderen en de paarden hebben respectievelijk 119 en 93 dieren de winter niet overleefd. Van de totale populatie van 2985 dieren aan het begin van de winter, is dat 14,4 procent. Twee weken lang was Jan Griekspoor elke dag met twee collega's in het veld om de verzwakte dieren op te sparen, af te schieten en af te voeren. Enkel keren per week was er ook een dierenarts in het veld. In en ria de winterse week werd ongeveer zeventig procent van de `afgevallen' dieren geschoten. De rest stierf een natuurlijke dood. De aantallen afgeschoten dieren vindt Jan niet wereldschokkend. "De ene winter halen we er driehonderd dieren uit, de andere zeshonderd. Op een populatie van drieduizend grote grazers maakt dat voor de lange termijn niets uit."

Stemmingmakerij
In het Algemeen Dagblad werd gesuggereerd dat de paarden ondraaglijke honger leden omdat `ze zelfs aan de bomen begonnen te knagen'. "Wilgenbast en -twijgen vormen normale winterkost voor paarden," zegt ecoloog Frans Vera. "Dat heeft met ondraaglijke honger niks te maken." Nog bonter maakte CDA'er Henk Jan Ormel ' het tijdens het spoeddebat dat de Tweede Kamer op 10 maart met minister Veerman voerde. Ormel suggereerde dat in de Oostvaardersplassen de boel de boel wordt gelaten en dat wij alle dieren lieten verhongeren. Pure stemmingmakerij, vindt Frans Vera. "Ten eerste ging het maar om een beperkt aantal dieren, ten tweede waren wij elke dag drie keer in het terrein aanwezig om dieren zonder toekomstperspectief uit hun lijden te verlossen, juist om de sterkere dieren weer perspectief te kunnen bieden. Ormel sprak ook van een `calamiteit'. Dat was niet zo en gelukkig heeft de minister dat ook tegengesproken. Veerman zei ook dat er geen sprake was van extreme sterfte. Mischien mag ik er nog even op wijzen dat er de afgelopen winter op de Veluwe 1200 van de 1800 edelherten werden afgeschoten, zwakke én gezonde dieren. Daar hoor je nooit iemand over. Terwijl de draagkracht van dat gebied bij lange na nog niet bereikt is. Onderzoek heeft uitgewezen dat de Veluwe wel tien keer meer edelherten aankan dan er nu leven."

Directie | Princenhof Park 1 | 3972 NG Driebergen | Postbus 1300 | 3970 BH Driebergen | T 030-6926375 | F 030-6910667

Geachte heer Veerman,

In reactie op uw brief d.d. 18 mei jl., waarin u verzoekt om nadere informatie ten behoeve van een evaluatie met betrekking tot de situatie van de grote grazers in de Oostvaardersplassen de afgelopen
winter, bericht ik u het volgende.

Uw vragen worden in volgorde behandeld.

1. De meest recente gegevens over de ontwikkeling van de populatie-omvang van Edelherten,
Heckrunderen en Koniks (update brief 7 april jl.).
Een overzicht van de sterfte- en geboortecijfers over de afgelopen vijf jaar, inclusief afgelopen winter, alsmede een overzicht van he t afschotpercentage van de afgevallen dieren treft u aan in bijgaande grafieken.


Samengevat is er sprake van de volgende ontwikkeling: het aantal Heckrunderen stabiliseert (geboorte en sterfte komen in een meerjaarlijks gemiddelde in evenwicht), de groei van het aantal Koniks neemt af en van het aantal Edelherten toe. De totale populatie groeit nog steeds.
Gegevens met betrekking tot leeftijdsopbouw en geslachtsverhouding van de groepen grote grazers zijn nog niet be schikbaar. Comform de telprocedure worden deze in de zomermaanden 2005 verzameld.
De vraag of er sprake is van stabilisering van de populatieomvang nu de draagkracht van het gebied lijkt bereikt, is niet eenduidig te beantwoorden. Naast het terugkoppelingsmechanisme op voedselaanbod spelen ook de opbouw van de populatie en de weersomstandigheden een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de populatieomvang. De wetenschappelijke adviescommissie heeft aangeven dat naar haar mening de draagkracht, zoals bedoeld in de leidraad, bereikt is en dat een ge rede kans bestaat op grootschalige sterfte. Ecologisch gezien betekent dat, dat het natuurlijk terugkoppelingsmechanisme begint te werken. Stabilisatie heeft in een natuurlijk, zullen de aantallen fluctueren; het is niet waarschijnlijk dat in enig jaar eenzelfde aantal dieren wordt geboren als er sterf t. Over meerdere jaren gekeken kan wel een trend worden vastgesteld; zoals eerder genoemd bij de Heckrunderen is het aantal geboortes in evenwicht met de sterf te. Bij de Edelherten komt het erugkoppelingsmechanisme op gang. Dit wordt geïllustreerd in onderstaande grafiek waarin de jaarlijkse sterfte en de jaarlijkse geboortes van Edelherten in de Oostvaardersplassen ten opzichte van de stand per 1 januari wordt weergegeven. Het jaarlijkse afschot ten opzichte van de voorjaarsstand op de Veluwe wordt weergegeven als referentie. Bij een stabilisatie van de populatie zal de sterfte over een periode van meerdere jaren in evenwicht zijn met de geboortes.


2. De aanwezigheid van een extreme situatie, zowel naar weersomstandigheden als naar sterfte, in de Oostvaarders plassen in de afgelopen winter. Ik ben van mening dat daar geen sprake van was .
Een overzicht van voedselaanbod gedurende de afgelopen winter is niet voorhanden. In het reguliere monitoringprogramma worden de hoogte en bedekking van de vegetatie gemeten.
Daarnaast vindt er gericht onderzoek plaats naar de relatie tussen vegetatiegroei en de grazers . In de beheersevaluatie, die in 2005 plaatsvindt, zullen de resultaten van deze meerjarige ontwikkeling worden geëvalueerd.
Gegevens over het kopergehalte in de levers en een oordeel over de relatie daarvan met ataxie zijn niet beschikbaar. Hiervoor is aanvullend onderzoek nodig. Een onderzoeksvoorstel is  Er vindt nog een analyse plaats van de meerjarige ontwikkeling van de conditie van de dieren.

3. De conclusie ten aanzien van het gevoerde beheer is dat het predatormodel logistiek en communicatief beheersbaar is gebleken onder deze omstandigheden. De maatschappelijke acceptatie voor het gevoerde beheer is toegenomen. In geval van een snelle terugval in conditie bij Edelherten is de beoordeling wanneer moet worden ingegrepen soms lastig. Deze zwakke dieren blijven lang in de groep meelopen en afschot leidt dan tot welzijnsproblemen onder de rest van de groep. Deze vraag is in he t kader van de evaluatie ook voorgelegd aan de wetenschappelijke adviescommissie. Op basis van dit advies zal de directie Staatsbosbeheer besluiten hoe hiermee moet worden omgegaan.

4. Met betrekking tot het toekoms tige beleid zal de Wetenschappelijke Adviescommissie deze zomer het advies beschikbaar stellen aan Staatsbosbeheer. Op basis van dit advies neemt de directeur Staatsbosbeheer een besluit. Het onderwerp van bijvoederen zal worden uitgewerkt in het Calamiteitenplan.

5. Met betrekking tot uitbreiding van het leefgebied van de Edelherten is een plan gemaakt voor toevoeging van de Hollandse Hout aan het gebied. Hiervoor is een begroting gemaakt. Er worden wegen gezocht om de uitbreiding met de Hollandse Hout en het Kotterbos als toegangspoort tot de toekomstige verbindingszone te versnellen. Daarnaast overlegt Staatsbosbeheer met bestuurlijke en maatschappelijke partijen en met marktpartijen in en rondom de toekomstige verbindingszone om versnelling te brengen in de realisatie van de robuuste verbinding tussen de Oostvaardersplassen en Duitsland via het Horsterwold en de Veluwe.

6. Het Calamiteitenplan is in concept gereed en voorgelegd aan de Wetenschappelijke
Adviescommissie die hierover schriftelijk zal adviseren. E r is nog geen conceptplan beschikbaar (nog in procedure richting de Wetenschappelijke Adviescommissie). Daarnaast vindt overleg plaats met Natuurmonumenten om afstemming met het beheer op de Veluwezoom te bewerkstelligen. Het calamiteitenplan zal beschikbaar komen voor het einde van het groeiseizoen.

7. Het meerjarig beheerplan voor de Oostvaardersplassen zal worden opgesteld op basis van de beheersevaluatie over de afgelopen 10 jaar. Deze evaluatie wordt dit jaar uitgevoerd (volgens contract tussen het Ministerie van LNV en Staatsbosbeheer). Het meerjarig beheerplan zal derhalve in 2006 worden opgesteld.

Hiermee hoop ik u voldoende te hebben geinformeerd.

Hoogachtend,
Ir. C.J. Vriesman
Algemeen directeur
c.c. Mr. G.B. Raaphorst

Image

Image

Image

Nieuwsbericht van SBB , 4 juni 2005

In de Oostvaardersplassen heeft Staatsbosbeheer een aantal jaren ervaring met het laten liggen van kadavers van herten. Ze blijken een bron van leven te zijn voor allerlei diersoorten. Vossen, raven, kraaien en allerlei keversoorten doen er hun voordeel mee.

Kroon
De laatste paar jaar kwamen daar de zeearenden bij, waarvan inmiddels een mogelijk paartje het hele jaar is gebleven. Maar de kroon op het werk is wel de komst van de monniksgier Carmen, die nu al bijna drie maanden in de Oostvaardersplassen verblijft. Gieren zijn voor hun voortbestaan afhankelijk van kadavers van grote zoogdieren. De Oostvaardersplassen is een van de weinige gebieden in Europa waar deze met uitsterven bedreigde vogelsoort nog kadavers kan vinden. In Frankrijk worden de dieren bijvoorbeeld gevoerd met dode schapen van boeren.

Nieuw leven
Bij de processen in onze natuurgebieden horen dus niet alleen het leven en ontstaan van nieuw leven, maar ook het sterven en het daar op volgende afbraakproces. Ook na hun dood vervullen dieren een essentiële rol ten gunste van veel andere processen en organismen. Inmiddels is iedereen wel gewend aan dode en scheefhangende bomen in het bos, maar dode dieren laten liggen is nog weer een volgende stap waar het publiek vertrouwd mee moet raken.

Compleet beeld
Dood doet leven, een boek van Ruud Lardinois, informeert over de verschillende aspecten die hier een rol spelen en geeft een compleet beeld van het belang van deze nieuwe ontwikkeling in het natuurbeheer. Dit boek is te koop bij de Uitgever KNNV.
Image Image


de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
De heer dr. C.P. Veerman
Postbus 20401
2500 EK DEN HAAG
Nummer: RDA/2005/290 en RLG 2005.174

Datum: 14 juni 2005
Betreft: advies wintersterfte Oostvaardersplassen

Geachte heer Veerman,

De Vaste Commissie voor LNV heeft u gevraagd om in samenwerking met de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) een evaluatie op te stellen van de situatie in de afgelopen winter met betrekking tot de edelherten, runderen en paarden in de Oostvaardersplassen. De RDA adviseert over strategische vraagstukken op het gebied van de gezondheid en het welzijn van gehouden dieren, terwijl het in de Oostvaardersplassen niet-gehouden dieren betreft. Daarom heeft u tevens de Raad voor het Landelijk Gebied gevraagd te adviseren over de op te stellen evaluatie. Uw adviesaanvragen zijn op 26 mei 2005 verstuurd.

Delegaties van de raden zijn tot een gezamenlijk advies gekomen dat wij u hierbij aanbieden. De raden zelf zullen hun definitieve oordeel geven in hun komende raadsvergaderingen op 23 juni (RLG) en 28 juni (RDA).

De raden hebben onderling geen overeenstemming kunnen bereiken over het onderwerp ‘geboortebeperking’. De Raad voor Dierenaangelegenheden bepleit onderzoek naar deze beheersmaatregel die kan bij dragen tot vermindering van het aantal dieren, de Raad voor het Landelijk Gebied wijst deze beheersmaatregel principieel af als strijdig met de uitgangspunten van zo natuurlijk mogelijk beheer.

Wij adviseren:
-ten principale te accepteren dat ecologisch beheer leidt tot perioden van verminderd welzijn van grote grazers;
-het gevoerde beheer te optimaliseren door aanscherping van het ‘predatormodel’ en toevoeging
van extra oppervlak aan het nu beschikbaar gebied teneinde het lijden tot een minimum terug te brengen;
-de burger vertrouwd te maken met deze vorm van beheer.


Hoogachtend,
prof. dr. C.J.G. Wensing prof. H.J.L. Vonhoff
voorzitter Raad voor Dierenaangelegenheden voorzitter Raad voor het Landelijk Gebied Advies over de wintersterfte 2004-2005 van grote grazers in de Oostvaardersplassen Raad voor Dierenaangelegenheden en Raad voor het Landelijk Gebied
14 juni 2005


1. inleiding
De Vaste Commissie voor LNV heeft de minister van LNV gevraagd om in samenwerking met de Raad voor Dierenaangelegenheden een evaluatie op te stellen van de situatie in de afgelopen winter met betrekking tot de edelherten, runderen en paarden in de Oostvaardersplassen. De minister van LNV heeft advies gevraagd aan de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) en aan de Raad voor het Landelijk Gebied (RLG). In de adviesaanvraag wordt aangegeven dat de RDA adviseert over strategische vraagstukken op het gebied van de gezondheid en het welzijn van gehouden dieren, terwijl het in de Oostvaardersplassen niet-gehouden dieren betreft. Daarom heeft de minister tevens de Raad voor het Landelijk Gebied gevraagd te adviseren over de op te stellen evaluatie.
De minister verzoekt om mede op basis van de gegevens van Staatsbosbeheer te adviseren en daarbij in elk geval aandacht te besteden aan de relatie tussen een ecologisch beheer van de populaties Heckrunderen, Koniks en edelherten enerzijds en het dierenwelzijn anderzijds.
Delegaties van de Raad voor Dierenaangelegenheden en van de Raad voor het Landelijk Gebied zijn tot een gezamenlijk advies gekomen waarin op basis van het gevoerde beleid en beheer ten aanzien van grote grazers en de gevolgen daarvan aanbevelingen worden gedaan voor een verantwoord evenwicht tussen ecologische en welzijnsdoelstellingen.
2. beleidsmatige context van het gevoerde beheer
De Oostvaardersplassen worden beheerd als een ‘nagenoeg natuurlijk terrein’. Voor deze vorm van beheer is gekozen in het Natuurbeleidsplan (1989); dit houdt in dat het beheer gericht is op het maximaal faciliteren van natuurlijke processen en, in het verlengde daarvan, minimaal menselijk ingrijpen. In de ontwikkelingsvisie ‘De Oostvaardersplassen natuurlijker’ (Beheerscommissie Oostvaardersplassen, 1995) is dit beleid uitgewerkt.
De Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren en de Flora- en Faunawet vormen het kader voor het omgaan met dieren in het beheer. De regelgeving is geconcretiseerd in de ‘Ethische richtlijnen’ van Staatsbosbeheer en Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren en in de door de Tweede Kamer vastgestelde ‘Leidraad grote grazers’. De regelgeving is door de beheerder, daarin bijgestaan door een wetenschappelijke adviescommissie, nader geconcretiseerd in het zogeheten ‘predatormodel’. De bestaande concretiseringen zijn correct toegepast in het beheer. De raden constateren dat de huidige regelgeving wel, maar de uitwerking daarvan vanuit het oogpunt van welzijn niet geheel blijkt te voldoen. De nu ontstane situatie is een logisch gevolg van keuzen uit het
verleden.

3. de situatie van de grazers
De gegevens van Staatsbosbeheer laten bij alle drie de soorten een stijgende trend zien in de sterfte in de afgelopen jaren. De wintersterfte van 2004-2005 past in die trend maar is verhoogd door het optreden van een kortdurende koude- en sneeuwperiode in begin maart hetgeen de vraag oproept wat in andere winters kan gebeuren. De sterftecijfers zijn opgenomen in de bijlage. Oorzaken voor de natuurlijke sterfte zijn slechte conditie als gevolg van voedselschaarste en wisselende weersomstandigheden laat in de winter waardoor reserves versneld werden opgebruikt. Doordat de weers- en voedselcondities van jaar tot jaar variëren, varieert ook de omvang van de stabiele populatie door jaarlijkse variatie in sterfte en aanwas.
Het stervensproces is via afschot versneld bij 70 procent van de Heckrunderen, 65 procent van de paarden en 57 procent van de edelherten. Bij de overige dieren was om een aantal redenen afschot niet mogelijk:
-te grote verstoring van rustende dieren in de kudde
-onvindbaarheid van individuen;
-onzekerheid bij de beheerder over de individuele overlevingskans van dieren.
Het afschotpercentage is relatief laag omdat in het perspectief van het naderend voorjaar, dat uiteindelijk langer uitbleef dan verwacht, de overlevingskans van dieren te hoog werd ingeschat: de dieren kregen bij de selectie voor afschot het voordeel van de twijfel.

4. het gevoerde beleid en beheer Met het beheer in de Oostvaardersplassen wordt gestreefd naar maximale ruimte voor natuurlijke processen. Dit krijgt onder meer vorm via de aanwezigheid van vrijlevende, ongestoorde kuddes van edelherten, Heckrunderen en Koniks. In slechts enkele gebieden in Nederland, waaronder de Oostvaardersplassen, zijn op dit moment de mogelijkheden aanwezig om de natuur het voortouw te geven. Beheer waarin de mens niet stuurt en waarin het voortouw ligt bij de natuur (procesbeheer), kan nog ongekende – positieve én negatieve - ontwikkelingen tonen wat betreft natuurlijke processen en het sociale gedrag bij de grazers.
In andere gebieden grijpt de mens continu in en is de visie van de mens leidend over hoe de natuur er uit zou moeten zien. Door vooraf te schatten hoeveel dieren in een gebied vanuit een oogpunt van voedselbeschikbaarheid kunnen voorkomen (de draagkracht van een gebied) en daar het aantal dieren op af te stemmen, stuurt de mens en creëert de natuur die hij zelf verwacht. Om het aantal dieren af te blijven stemmen op de draagkracht, dient bij deze beheersvorm jaarlijks een deel van de dieren door de mens verwijderd te worden (‘oogstbeheer’).
Met het gevoerde beheer in de Oostvaardersplassen wordt de maximale draagkracht van het gebied bereikt. Uiteraard fluctueert de draagkracht van een gebied jaarlijks. Daardoor kan op jaarbasis het aantal grazers de draagkracht overschrijden en treedt voedselschaarste op. Ook in terreinen elders waar via afschot in de zomer het aantal dieren afgestemd wordt op de geschatte draagkracht, treedt onverwachte wintersterfte op als gevolg van een plotselinge vermindering van draagkracht.
Voor de dieren betekent dit beheer dat perioden met voedselschaarste optreden. In elk ecosysteem wordt het aantal dieren gereguleerd door voedselbeschikbaarheid via verhoogde sterfte én natuurlijke geboortebeperking en door predatie. De draagkracht van gebieden wordt door groei van het aantal dieren in principe altijd bereikt, zo ook in gebieden die begrensd zijn door barrières (water bij eilanden, ondoordringbare biotopen zoals open vlakten voor bosdieren, hekken in cultuurgebieden).
Voedselschaarste is in de natuur een normaal verschijnsel en kan bijvoorbeeld al optreden in situaties waarbij in fysieke zin voldoende voedsel in het gebied aanwezig is. Door gedrag van de dieren en sociale interacties worden op enige afstand aanwezige voedselbronnen soms niet gezocht. Dieren blijven bijvoorbeeld bewust in hun eigen territoria, ook indien dit tot verhongering leidt. Edelherten blijven in extreme weersomstandigheden in de bossen en sterven daar, ook als daarbuiten voedsel beschikbaar is. Ook bij reeën, die in staat zijn de hekken rondom de Oostvaardersplassen te passeren, vindt wintersterfte plaats.
Ondanks de aanpassingen aan voedselschaarste zijn in sommige winters de zwakkere dieren niet in staat de periode van tekorten te overleven. De beheerder beëindigt het leven van deze dieren via afschot voordat de dood op natuurlijke wijze intreedt. In principe vindt dit afschot plaats twee weken vóór het optreden van de natuurlijke sterfte. Door dieren op dat moment (en niet veel eerder) te verwijderen worden dieren geselecteerd die de winter niet zullen overleven, zodat de kuddes blijven bestaan uit sterke dieren. Het beheer dat gevoerd wordt op advies van de Wetenschappelijke Adviescommissie van het Staatsbosbeheer, wordt aangeduid als het 'predatormodel' hetgeen het element van natuurlijke selectie (scheiden van de in relatie tot de overlevingskans in de winter zwakke en sterke dieren) illustreert. De beheerder treedt op als ‘predator’ die voor de natuurlijke selectie zorgt, bij het ontbreken van bijvoorbeeld natuurlijke predatoren zoals wolven.

5. de gevolgen van het gevoerde beleid en beheer
Het optreden van voedselschaarste is een natuurlijk proces waar de dieren op ingesteld zijn via de aanleg van vetreserves en aanpassingen in gedrag en metabolisme om het energieverbruik terug te dringen. De dieren houden volstrekte rust. Edelherten kennen bij vermindering van vetvoorraden in de winter een winterrust-conditie met verminderde stofwisseling, verminderde lichaamsfuncties en temperatuurverlaging. Zij bereiken daarbij een toestand die functioneel is voor het overleven. Verwacht mag worden dat Heckrunderen en Koniks een vergelijkbare aanpassing aan verminderde vetcondities kennen. Dit in tegenstelling tot landbouwhuisdieren die geselecteerd zijn op maximale vlees- of melkproductie. In deze rassen is de opbouw van functionele vetreserves (deels) weggeselecteerd waardoor minder mechanismen aanwezig zijn om met voedseltekorten om te gaan.

Voorwaarde om het lijden te beperken, is de mogelijkheid om natuurlijk gedrag uit te kunnen oefenen, waaronder vrij rondlopen en het zelf zoeken van een sterfplaats zonder verstoring, in een gebied dat het dier vertrouwd is. Er zijn te weinig onderzoeksgegevens beschikbaar om aan te kunnen geven in welke mate de aanpassing aan voedseltekort heeft plaatsgevonden door de daarop gerichte fok van de rassen, de verwildering én de selectie op sterke dieren in het beheer.
Het gevoerde beheer heeft een aantal gevolgen voor het welzijn van de grote grazers:
-het leven in ongestoorde kuddes maakt maximaal natuurlijk gedrag mogelijk en geeft alle dieren volledige autonomie binnen de grenzen van het gebied. Vrije verplaatsing binnen het gebied, eigen voedselkeuze in perioden van groot voedselaanbod, vrije partnerkeuze en andere sociale interacties dragen naar de huidige inzichten bij aan een maximaal welzijn;
-perioden met honger en, voor een aantal dieren, sterfte door uitputting van de vetreserves, spierafbraak en uiteindelijk cachexie veroorzaken lijden. Dit treedt op aan het eind van de winterperiode.

Het gevoerde beheer leidt binnen het ecosysteem tot:
-een grotere soortenrijkdom waarbij voor eerder uitgestorven soorten weer plaats is in Nederland;
-optreden van vele natuurlijke processen, een expliciete doelstelling van het natuurbeleid
-het optreden van ongekende interacties binnen het systeem, bijvoorbeeld onverwachte ontwikkeling van vegetatiepatronen. Kennis van deze processen is uit een oogpunt van natuurbeheer belangrijk, maar wordt helaas thans niet vergaard.
In elk leven treden perioden van verhoogd en verlaagd welzijn op. De raden menen dat lijden als onderdeel van het leven ten principale geaccepteerd dient te worden. Voedseltekorten én sterfte zijn een natuurlijk gegeven. In de natuur is voedselbeperking en daaruit voortkomende sterfte het primaire proces waarlangs de aantallen dieren gereguleerd worden. Vanuit het principe van natuurlijke selectie mag verwacht worden dat, zeker bij sociaal levende dieren, natuurlijke mechanismen aanwezig zijn om het lijden bij voedseltekort en daaraan verbonden sterfte te minimaliseren. De aanmaak van endomorfinen als pijnbestrijder is een voorbeeld van een natuurlijk mechanisme om lijden te verminderen.

De beoordeling in hoeverre dit lijden als gevolg van het gevoerde beheer acceptabel is, dient plaats te vinden in de context van de andere gevolgen van het gevoerde beheer.

De welzijnsbeoordeling kan niet gebaseerd worden op een periode van enkele weken op een leven van vele jaren dat, vaak inclusief de winters, op een hoog welzijnsniveau kan verlopen. Het 'welzijnssaldo' dient in beschouwing genomen te worden. In het dierenwelzijnsbeleid is het tevens gangbaar om een weging toe te passen tussen de mate van lijden en het nut van het lijden. Voorbeelden daarvan zijn afwegingen in het kader van de dierhouderij (welzijn versus economische baten) en in het kader van dierexperimenten (welzijn versus kennisvermeerdering voor bijvoorbeeld de ontwikkeling van medicijnen).

Tegenover het lijden aan het eind van de winterperiode staat:
-een hoog welzijn gedurende rest van het jaar voor het betreffende individu: zowel in absolute zin als in vergelijking met bijvoorbeeld landbouwhuisdieren: geen verstoring van het natuurlijk gedrag door menselijk ingrijpen met als gevolg volledige ontplooiing van natuurlijk gedrag, waaronder eigen selectie van voedselplanten, vrije partnerkeuze en andere sociale interacties. Alle individuen in de Oostvaardersplassen kennen een natuurlijk levensverloop, met minimale bemoeienis van de mens;
-een ecosysteem met ruimte voor de terugkeer van uitgestorven soorten en voor natuurlijke processen.

6. mogelijkheden om welzijn te verhogen via aanpassing van het beheer
Voor het minimaliseren van het lijden zijn de volgende alternatieven in principe beschikbaar:
-vergroting oppervlak beschikbaar gebied;
-verwijderen dieren vóór de winter via vangen;
-verwijderen dieren vóór de winter via afschot;
-bijvoeren;
-optimalisatie huidig beheer.


vergroting oppervlak beschikbaar gebied (toegang tot Hollandse Hout, Kotterbos, verbindingmet Veluwe)

Vergroting van het gebied biedt de dieren:
-een groter en gevarieerder voedselaanbod, en daardoor betere conditie voor de winter;
-meer gevarieerd winterhabitat dan nu aanwezig is;
-meer ruimte en daarmee meer welzijn gedurende het gehele leven;
-meer mogelijkheden om fluctuaties in weersomstandigheden op te vangen.
In vergelijking met het huidige beheer zal deze optie het welzijn verhogen. Ten principale zal wintersterfte niet voorkomen worden, omdat ook in een groter gebied de draagkracht bereikt zal worden en dezelfde processen zullen gaan plaatsvinden. De grote verschillen tussen het rijke zomer en arme winterhabitat kunnen met deze maatregel echter worden verminderd.

verwijderen dieren vóór de winter via vangen
Verwijderen van dieren leidt tot vermindering van het aantal dieren en daardoor meer voedsel per individu.
Het verwijderen van dieren heeft tot gevolg dat:
- het vangen van dieren en afvoeren in veewagens tot grote stress leidt bij zowel de te vangen individuen als een deel van de kudde;
-alsnog sterfte van dieren in de winter plaatsvindt aangezien selectie van sterke/zwakke dieren in de zomer goed niet mogelijk is;
-zwakkere dieren blijven deel uitmaken van de genenpool omdat selectie op zwakke en sterke dieren niet goed mogelijk is;
-oormerken van dieren noodzakelijk wordt. De regelgeving staat de afvoer van niet geoormerkte dieren niet toe. Op basis van de regelgeving zal, bij consequent afvoeren van dieren, oormerken moeten worden toegepast;
- de bestemming van de afgevoerde dieren op termijn problematisch wordt omdat alle terreinen met een overschot aan graasdieren worden geconfronteerd zodat uiteindelijk afschot nodig zal zijn. In vergelijking met het huidige beheer zal deze optie het welzijn niet verhogen vanwege de optredende stress bij grote aantallen dieren. Op grond hiervan achten de raden deze beheersoptie ongewenst.

verwijderen dieren vóór de winter via afschot
Verwijderen van dieren leidt tot vermindering van het aantal dieren en daardoor meer voedsel per individu. Afschot in de zomer leidt tot:
-verlies aan welzijn door verkorting van het leven van het individu;
-zwakkere dieren blijven in de genenpool aanwezig omdat selectie op zwakke en sterke dieren onvoldoende mogelijk is;

- voortgaande sterfte van dieren in de winter aangezien selectie van sterke/zwakke dieren in de zomer niet goed mogelijk is;

-uitoefenen van beheersjacht dat als ingreep haaks op de uitgangspunten van natuurlijk beheer.

Op grond hiervan achten de raden deze beheersoptie ongewenst.
bijvoeren Bijvoeren leidt tot een betere conditie van de dieren en daardoor tot minder sterfte.

Het leidt ook tot:

-opschuiven van het probleem: in de winter daarna zijn er meer dieren en wordt de draagkracht gebied nog verder overschreden;

-de noodzaak van afvoer of afschot van dieren;
-versterkte competitie tussen sterke en zwakke dieren waardoor vooral de sterke dieren van het bijvoederen zullen profiteren;
-stress door onderlinge verdringing bij de voederplaatsen en verstoring van de sociale verhoudingen in de kudde;
-opheffen van de natuurlijke geboortebeperking die voedselschaarste veroorzaakt waardoor de groei van de populatie onverminderd door gaat. Bijvoeren in de winter kan, door de beperkte mogelijkheid van individuele dosering (relatief veel voer zal bij de sterkere dieren terecht komen), ook leiden tot vruchtbaarheid op een laat moment in het seizoen en een late worp, vlak voor het winterseizoen. De overlevingskansen van koe en kalf worden daardoor lager. Experimenten met bijvoeren, uitgevoerd door Natuurmonumenten, zijn om deze redenen gestopt.

In vergelijking met het huidige beheer zal deze optie het welzijn niet verhogen vanwege de optredende stress bij grote aantallen dieren. Op grond hiervan achten de raden deze beheersoptie ongewenst, calamiteiten uitgezonderd.
optimalisatie huidige beheer Aanpassingen in het beheer bieden mogelijkheden om lijden van ten dode opgeschreven dieren te verminderen. Ongeveer 30 procent tot 43 procent van de dieren werd in de winter 2004-2005 niet via afschot gedood en verlaging van dit percentage zal het lijden verminderen.

Mogelijkheden daarvoor zijn:
-het moment van afschot vervroegen
Vervroegen van het moment van afschot van dieren waarvan de situatie uitzichtloos is, vermindert het lijden. Vervroeging van het afschotmoment dient verwerkt te worden in het ‘predatormodel’ zodat het element van selectie aanwezig blijft maar vroeger wordt ingegrepen. De kans zal evenwel toenemen dat dieren die sterk genoeg zijn om de winter te overleven, afgeschoten worden. Via onderzoek zal de selectiemethode verder verbeterd moeten worden.
-de mogelijkheden vergroten om dieren uit hun lijden verlossen zonder verstoring van de kuddes Dieren die in de kuddes blijven, worden niet via afschot gedood om onrust in de kudde in de kwetsbare winterperiode te voorkomen. Via de inzet van inmiddels aanwezige geluiddempers kan in de toekomst ook afschot binnen de kuddes plaatsvinden.
In vergelijking met het huidige beheer zal deze optie het welzijn verhogen.

conclusies
-Bijvoeren en het verwijderen van dieren voor de winter kunnen in principe honger en natuurlijke wintersterfte voorkomen maar hebben andere en grotere negatieve gevolgen voor het welzijn van individuen en kuddes. Deze beheersmethoden zijn strijdig met de doelstelling van het ecologisch beheer (het voortouw bij de natuur leggen) in de Oostvaardersplassen;

-Optimalisatie van het huidige beheer (aanscherping van het ‘predatormodel’) en vergroting van het oppervlak aan beschikbaar gebied, vooral als een betere winterhabitat wordt gecreëerd, verhogen het welzijn van de dieren in voldoende mate en dragen bij aan de ecologische doelstellingen van het beheer.

7. maatschappelijke acceptatie
De wintersterfte heeft maatschappelijke aandacht gekregen van bezoekers, pers en Tweede Kamer. Uit ervaringen van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten met omwonenden en andere bezoekers van natuurgebieden, blijkt dat hoe groter de afstand van burgers tot de problematiek in het veld, hoegroter de afwijzing van het gevoerde beheer. Toelichting op het gevoerde beheer leidt tot begrip bij de burger waarbij het besef dat huisdieren, landbouwhuisdieren en wilde dieren wezenlijk van elkaar verschillen van invloed blijkt op de oordeelsvorming over het gevoerde beheer. De maatschappelijke acceptatie hangt mede af van de beschikbaarheid van informatie over de betekenis van het lijden. Uit ervaring van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten blijkt dat het merendeel van aanvankelijk sceptische burgers na toelichting begrip heeft voor het gevoerde beheer en dit beheer accepteert.

8. samenvatting, conclusies en aanbevelingen
Voor de Oostvaardersplassen is politiek gekozen voor een ecologisch beheer. Het bestaande beleid is correct toegepast in het beheer. De nu ontstane situatie is een gevolg van in het verleden gemaakte keuzen. De gevolgen leiden tot maatschappelijke discussies die aanleiding zijn om het gevoerde beheer nader te bezien op mogelijkheden om het lijden te minimaliseren.

De delegaties van raden komen tot de volgende conclusies:
-bijvoeren en het verwijderen van dieren voor de winter kunnen in principe honger en natuurlijke wintersterfte voorkomen maar zullen leiden tot andere en grotere negatieve gevolgen voor het welzijn van individuen en kuddes. Deze beheersmethoden zijn strijdig met de doelstelling van het ecologisch beheer in de Oostvaardersplassen;
-optimalisatie van het huidige beheer door aanscherping van het ‘predatormodel’ en toevoeging van extra oppervlak aan het nu beschikbaar gebied zal het welzijn van de dieren in voldoende mate verhogen en bijdragen aan de ecologische doelstellingen van het beheer, mits een beter winterhabitat beschikbaar komt;
-de aanpassingen in het beheer dienen gemonitoord te worden op de gevolgen voor het welzijn en de ecologische doelstellingen. Onderzoek is nodig om het beheer verder te optimaliseren.

5
De delegaties van raden zijn van mening dat na de voorgestelde aanpassing van het beheer het periodiek lijden en de natuurlijke sterfte van individuen verantwoord zijn omdat dit gecompenseerd wordt door een verhoogd welzijn gedurende de rest van het leven, een verhoogd welzijn van de dieren die wél overleven en door de toename van natuurwaarden in de Oostvaardersplassen.

De delegaties van raden adviseren:

- ten principale te accepteren dat ecologisch beheer leidt tot perioden van verminderd welzijn van grote grazers;

-het gevoerde beheer te optimaliseren door aanscherping van het ‘predatormodel’ en toevoeging van extra oppervlak aan het nu beschikbaar gebied teneinde het lijden tot een minimum terug te
brengen;

-de burger vertrouwd te maken met deze vorm van beheer.

totstandkoming van het advies Dit advies is voorbereid door een werkgroep bestaande uit mevr. F.G. van Diepen (vice-voorzitter RLG) en de heren P. Nijhoff (lid RLG), S.J. Schenk (lid RDA) en J.J. Snoep (extern deskundige van de RDA), daarin ondersteund door P.A. Overgaauw, plv. secr. RDA en B.H. van Leeuwen, plv. secr. RLG. Bij de voorbereiding is onder meer gesproken met de heren C.J.G. Wensing (Raad voor Dierenaangelegenheden), J.Th. Postumus Meyjes (Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren), H. Massop (Natuurmonumenten) en F. Boersma (Staatsbosbeheer).


bijlage
Het aantal dieren in de Oostvaardersplassen bedroeg in januari 2005 ongeveer 3100, als volgt samengesteld: ca. 1550 edelherten, 665 Heckrunderen en 880 Koniks. In de winterperiode van 2004 is de volgende sterfte opgetreden: bij edelherten 340 (22 procent van de populatie), Heckrunderen 231 (34 procent) en Koniks 126 (14 procent).

Het sterfteverloop (als percentage van de totale populatie) over de afgelopen periode is:
door Thijs Wartenbergh

ALMERE – Twee uitkijkposten vanaf de Oostvaardersdijk; een uitkijkheuvel aan het Jan van den Boschpad in het Fluitbos bij Almere; een educatief centrum annex natuurboulevard – een lang wandelpad – bij Almere; extra uitkijkplekken en een wandelroute in het Kotterbos aan de Almeerse zijde; uitbreiding van het gebied bij Lelystad ten zuiden van de spoorlijn met 350 ha waarin in een kleine omgeving de bezoeker een beeld krijgt van wat er in het grote gebied te zien is (een zogenaamd voorbeeldbos) en een wandelpad nabij Lelystad-Haven.
Maar we zijn er nog niet: een koppeling met het aanpalende, 900 ha grote bosgebied het Hollandse Hout in Lelystad; een ecologische verbindingszone die moet doorlopen richting Zeewolde en vervolgens via de Veluwe verder voert; de bouw van een definitief informatiecentrum in Lelystad en de mogelijkheid bezoekers van bovenaf via een kabelbaan een kijkje in het gebied te gunnen.
Waarschijnlijk zijn we gelenog een en ander vergeten, want het is nauwelijks bij te houden wat er allemaal gebeurt in en rondom het bijna 6000 grote internationaal befaamde natuurgebied de Oostvaardersplassen, gelegen tussen Almere en Lelystad in de provincie Flevoland. Het zal geen verbazing wekken dat met deze extra voorzieningen, die voor een deel zijn gerealiseerd, wordt gegokt op een toename van het aantal bezoekers van het gebied. Zowel daadwerkelijk erin, via een wandeling of excursie, dan wel aan de rand ervan (rond de Oostvaardersplassen ligt ook een fietsroute) via een bezoek aan het informatiecentrum, de uitkijkposten en de observatiehutten.

Image
De edelherten van de Oostvaardersplassen: je struikelt er bijna over…

Image
Van het mooie uitzicht op de Oostvaardersplassen genieten vanaf een van de nieuwe uitkijkposten aan de pas heropende Oostvaardersdijk tussen Almere en Lelystad.
Foto's: Bob Friedander

Konikpaarden
De Oostvaardersplassen genieten een bekendheid die ver over onze landsgrenzen reikt. En niet voor niets. Het terrein heeft zich in de loop der jaren kunnen ontwikkelen tot een dorado voor flora en fauna. Door minimaal ingrijpen kon de natuur in de Oostvaardersplassen zich spontaan ontwikkelen en kon een moeras ontstaan, waar zowel de lepelaar, het baardmannetje, de grauwe gans als de aalscholver en de grote zilverreiger zich thuis voelt. Niet zonder reden noemen velen het een oerbos. Het wordt beschouwd als een reservaat van internationale betekenis voor bijna 250 vogelsoorten die er rusten, broeden en voedsel vinden. Daarnaast zijn er vele grazers, zoals edelherten, reeën, konikpaarden en heckrunderen te vinden.

Ontwikkeling en uitbreiding natuurgebied enorm

Boswachter Hans Breeveld van Staatsbosbeheer: „We willen zo veel mogelijk mensen de kans bieden de Oostvaardersplassen te bekijken.” Zijn collega Leo Smits, die ons in een busje door het gebied leidt: „De Oostvaardersplassen moet je gewoon gezien hebben. Er is al een flinke toeloop van mensen aan de Almeerse kant, met name in het Fluitbos, omdat de monniksgier daar in de buurt verblijft. Wie wil die niet voor de lenzen van zijn verrekijker krijgen?”


We hebben het geluk dat de gier op nog geen 50 meter afstand van de auto neerstrijkt. De vrouwtjesgier, Carmen geheten, met een spanwijdte van 2,5 tot 3 meter en normaal gesproken alleen te zien in Zuid- Europa en Azië, heeft net het nest verlaten, dat even verderop staat. Dat is in feite bestemd voor de visarend. Die is dus nu zijn plek kwijt en zal een ander onderkomen moeten gaan zoeken. Echt hoog van de grond komen doet Carmen niet, het is meer huppelen. De vleugels half uitslaan en dan weer verder. Het is tijdens het wandelen, zoals Smits zegt, alsof ze heen en weer waggelt. Kraaien vallen haar lastig, maar die jaagt ze met een grauw weg.
De gier, die twee jaar geleden werd vergiftigd, maar daarvan helemaal herstelde, blijft voorlopig nog wel even een attractie in de Oostvaardersplassen. Voor de vogel is het gebied een walhalla. Gek als zij is op kadavers, hoeft ze van de honger bepaald niet om te komen. In de Oostvaardersplassen lopen 640 konikpaarden, 1200 edelherten en 450 heckrunderen rond.
De zwakke en zieke dieren die zich van de kudde afscheiden om te gaan sterven, worden door jagers van Staatsbosbeheer gedood. Dat is het zogenaamde predatormodel: het jagen komt overeen met de manier waarop wolven toeslaan als deze een ziek of zwak dier pakken. De gier – maar ook visarenden, zeearenden, vossen en raven – heeft daardoor een lekker hapje dicht bij de hand en zal daarom weinig reden hebben een dergelijk fastfoodrestaurant snel te verlaten.
Aan: de heer Veerman Minister LNV
Van: Ir. C.J. V riesman Algemeen directeur
c.c. Mr. G.B. Raaphorst



Reactie op brief van Veerman van d.d. 18 mei jl., waarin hij verzoekt om nadere informatie ten behoeve van een evaluatie met betrekking tot de situatie van de grote grazers in de Oostvaardersplassen de afgelopen
winter.

Klik recht op de link om de reactie te lezen

http://www.veluwshert.nl/veluwshert/pdf/20050615evaluatieOVP.pdf

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

ons kenmerk: DN. 2005/2121
datum: 24-06-2005
onderwerp: Kamervragen over diersterfte in de Oostvaardersplassen

Bijlagen:


Geachte voorzitter,
Hierbij ontvangt u de antwoorden op de vragen van het lid Ormel (CDA) inzake de diersterfte in de Oostvaardersplassen, ingezonden op 20 juni 2005.
1
Hebt u kennisgenomen van het feit dat afgelopen winter zevenhonderd dieren zijn gestorven in het natuurgebied Oostvaardersplassen?
Ja.
2
Kunt u de Kamer een uitgebreide rapportage met o.a. leeftijd en geslacht van de dode dieren verstrekken?
U ontvangt binnenkort een brief waarin ik op verzoek van de vaste commissie voor LNV een evaluatie geef van de situatie van afgelopen winter ten aanzien van edelherten, paarden en runderen in de Oostvaardersplassen. Bij deze brief is een rapportage van Staatsbosbeheer gevoegd. Cijfers over leeftijd en geslacht van de dode dieren zijn daar nog niet in verwerkt, maar zullen voor september beschikbaar zijn (zie vraag 3). Staatsbosbeheer heeft hiervoor een opdracht verstrekt aan het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA). De rapportage is beschikbaar voor het debat op 8 september.
3
Waarom wordt de specificatie naar o.a. leeftijd en geslacht die tot 10 maart jl. wel werd gegeven nu niet meer verstrekt?
Staatsbosbeheer doet een uitgebreide monitoring in de Oostvaardersplassen. De basisgegevens worden door eigen medewerkers of door derden in opdracht van Staatsbosbeheer geînventariseerd.

De monitoringsgegevens worden jaarlijks gepubliceerd in openbare rapporten door het RIZA. In het verleden zijn de ruwe basisgegevens van de monitoring op eerste aanvraag aan een ieder verstrekt, zonder dat de gegevens waren geconsolideerd. Met consolideren van de gegevens wordt in dit verband bedoeld: het controleren op juistheid, het bewerken, het geven van een toelichting op gehanteerde begrippen ten behoeve van een juiste interpretatie en het trekken van conclusies uit de gegevens. Nu de gegevensstroom een behoorlijke omvang heeft aangenomen, is het risico toegenomen dat de ruwe basisgegevens van de monitoring een vertekend beeld geven van de werkelijkheid. Daarom is besloten de basisgegevens van de monitoring te laten consolideren door een onafhankelijke derde partij, in dit geval het RIZA, waarna de gegevens worden vrijgegeven. Staatsbosbeheer stelt deze gegevens aan mij ter beschikking en zal deze vervolgens publiceren op zijn website. Daarmee wordt enerzijds de betrouwbaarheid van de gegevens gewaarborgd en anderzijds de beschikbaarheid van juiste informatie geoptimaliseerd. Een protocol is hiervoor in ontwerp. Staatsbosbeheer heeft mij toegezegd dat de gegevens over leeftijd en geslacht ruim voor het Algemeen Overleg op 8 september beschikbaar zullen zijn.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
dr. C.P. Veerman

Naar boven

http://www.veluwshert.nl/veluwshert/pdf/20050623GroteGrazers.pdf



De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

ons kenmerk: DN. 2005/2011
datum: 23-06-2005
onderwerp: Grote grazers Oostvaardersplassen

Bijlagen: 2


Geachte Voorzitter,
In uw brief van 27 april jl. heeft u mij verzocht om, in samenwerking met de Raad voor Dieraangelegenheden, een evaluatie op te stellen van de situatie met betrekking tot edelherten, runderen en paarden in de Oostvaardersplassen de afgelopen winter en deze eind mei aan de Kamer aan te bieden. Naast de Raad voor Dieraangelegenheden heb ik ook de Raad voor het Landelijk Gebied verzocht een advies te leveren over de wintersterfte van 2004-2005 op basis van gegevens van Staatsbosbeheer. Op 14 juni heb ik een gezamenlijk advies ontvangen van delegaties van de raden (zie bijlage). Het definitieve oordeel van de raden ontvang ik eind juni. Het is de verwachting dat de raden het advies van hun delegaties zullen overnemen. Mocht dat onverhoopt niet zo zijn dan informeer ik u daar vanzelfsprekend over.

Hierbij doe ik u mijn evaluatie toekomen die ik op grond van de cijfers van Staatsbosbeheer en het advies van de raden heb opgesteld. Voorts stel ik u in deze brief op de hoogte van de wijze waarop ik ben omgegaan met de toezeggingen die ik u tijdens het spoeddebat over edelherten op 10 maart jl. heb gedaan.

Evaluatie van afgelopen winter
Uit de gegevens van Staatsbosbeheer (zie bijlage) en het advies van de raden blijkt het volgende.
De ontwikkeling van de populatieomvang de afgelopen tien jaar laat zien dat het aantal Heckrunderen stabiliseert, dat de groei van de populatie Konikpaarden afneemt en dat de populatie Edelherten nog groeiende is. Stabilisatie van de populatie kan erop duiden dat er een situatie is ontstaan waarbij de populatieomvang in een natuurlijk evenwicht is met de draagkracht van het gebied. Ook bij stabilisatie zullen nog steeds jaarlijkse fluctuaties in de populatieomvang optreden. Dit komt doordat het voedselaanbod en daarmee de draagkracht van het gebied jaarlijks fluctueert. Op deze manier wordt in elk ecosysteem het aantal dieren onder meer gereguleerd door de voedselbeschikbaarheid.
Naast het voedselaanbod zijn de opbouw van de populatie en de weersomstandigheden van belangrijke invloed op de ontwikkeling van de populatieopvang. Afgelopen winter is hier een voorbeeld van. In beginsel betrof het een zachte winter. De kortdurende sneeuw- en vorstperiode laat in het seizoen heeft er toe bijgedragen dat een hogere sterfte optrad. Deze extreme weersomstandigheden zo laat in het seizoen kunnen worden beschouwd als uitzonderlijk; ze komen niet jaarlijks voor. De winter van 1986 had vergelijkbare procentuele sterftecijfers bij de runderen (32%).

Op grond van een analyse van de wintersterfte in 2004-2005 van grote grazers in de Oostvaardersplassen komen de raden tot de volgende gezamenlijke adviezen:

ten principale te accepteren dat ecologisch beheer leidt tot perioden van verminderd welzijn van grote grazers;
het gevoerde beheer te optimaliseren door aanscherping van het 'predatormodel' en toevoeging van extra oppervlak aan het nu beschikbaar gebied teneinde het lijden tot een minimum terug te brengen;
de burger vertrouwd te maken met deze vorm van beheer.
Ik sluit mij aan bij deze adviezen, die het huidige natuurbeleid ondersteunen.
Gevolgen voor het beheer
Het advies om het welzijn van de dieren te verhogen door extra oppervlak toe te voegen aan het gebied dat nu voor de grote grazers beschikbaar is, toont opnieuw aan hoe belangrijk de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur en Robuuste Verbindingen is. Op de lange termijn zal het welzijn van de dieren in de Oostvaardersplassen worden verhoogd door de Robuuste Verbinding die tussen de Oostvaardersplassen en de Veluwe wordt gerealiseerd.
Ik zal Staatsbosbeheer verzoeken om verdere uitwerking te geven aan het advies om het gevoerde beheer te optimaliseren door aanscherping van het 'predatormodel' en hierbij gebruik te maken van de aanbevelingen van de raden. Daarnaast stelt Staatsbosbeheer een calamiteitenplan op dat in september beschikbaar zal zijn.

Het advies om ten principale te accepteren dat ecologisch beheer leidt tot perioden van verminderd welzijn van grote grazers sluit aan bij de hoofdlijnen van het natuurbeleid in de Oostvaardersplassen. Tegenover korte perioden van verminderd welzijn biedt het ecologisch beheer een verhoogd welzijn voor de grote grazers gedurende de rest van het jaar en een verrijking van het ecosysteem. Zo zijn uitgestorven soorten teruggekeerd in de Oostvaardersplassen (zeearend, zilverreiger, monniksgier). Het gebied vervult daarmee in internationaal opzicht ook een voorbeeldfunctie en heeft daarvoor erkenning gekregen van de Raad van Europa met een Europees diploma. Het draagvlak in de samenleving wil ik verder vergroten door voorlichting over het gevoerde beheer.

De raden hebben onderling geen overeenstemming kunnen bereiken over het onderwerp 'geboortebeperking'. De Raad voor Dierenaangelegenheden bepleit onderzoek naar deze beheersmaatregel die kan bijdragen tot vermindering van het aantal dieren. De Raad voor het Landelijk Gebied wijst deze beheersmaatregel principieel af als strijdig met de uitgangspunten van zo natuurlijk mogelijk beheer.

Geboortebeperking als beheersmaatregel gaat in tegen het principe van natuurlijke selectie en werkt daardoor verstorend op de natuurlijke ontwikkeling van de populatie. De maatregel sluit dus op geen enkele wijze aan bij mijn beleid in de Oostvaardersplassen waarbij natuurlijke processen zoveel mogelijk hun gang moeten kunnen gaan. Ik zal dan ook zeker niet lichtvaardig tot deze maatregel overgaan.

Voortgang toezeggingen spoeddebat van 10 maart 2005
Tijdens de wintersituatie is de situatie van de edelherten nauwkeurig gemonitord. De noodzaak tot bijvoederen is niet gebleken.

Het calamiteitenplan, waarin de criteria voor bijvoederen worden geoperationaliseerd, is inmiddels in een vergevorderd stadium en voorgelegd aan de Wetenschappelijke Adviescommissie Oostvaardersplassen. Nadat de beoordeling van de Adviescommissie is verwerkt zal het calamiteitenplan worden afgestemd met Natuurmonumenten vanwege het beheer op de Veluwezoom. Het definitieve Calamiteitenplan zal in september beschikbaar zijn, ruim voor het volgende winterseizoen.
Naast de evaluatie van de afgelopen wintersituatie voert Staatsbosbeheer dit jaar een beheersevaluatie over de afgelopen 10 jaar uit, op basis waarvan zij in 2006 een meerjarig beheerplan zal opstellen. Ook de evaluatie van afgelopen winter en de adviezen van de Raden zullen mede richting geven aan dit meerjarig beheerplan.

De Leidraad Grote grazers zal worden getoetst aan de hand van de meest recente wetenschappelijke inzichten die in binnen- en buitenland bestaan. Ik heb de sectie natuurbeheer van de Wageningen Universiteit gevraagd dit te coördineren.

De provincies Flevoland en Gelderland zijn verantwoordelijk voor de aanleg van de Robuuste Verbinding tussen de Oostvaardersplassen en de Veluwe. De versnelde aanleg is besproken in de stuurgroep van het project Middengebied Flevoland. Het project beoogt integrale ontwikkeling van het middengebied van zuidelijk Flevoland, waar naast natuur ook andere functies als waterberging, recreatie, wonen en werken een plek moeten krijgen. De stuurgroep heeft met enthousiasme gereageerd op de mogelijkheden van een versnelde aanleg.
Inmiddels is het projectplan aangepast en wordt gestreefd naar een akkoord op hoofdlijnen met de betreffende gemeenten en het waterschap eind 2005. Hiermee komt de mogelijke versnelling en realisatie van de Robuuste Verbinding in 2015 dichterbij.
Mijn ministerie financiert onderzoek dat de mogelijkheden verkent voor de aanleg van de Robuuste Verbinding.
Tevens bestudeer ik op dit moment de mogelijkheden om de benodigde financiering voor aankoop van gronden versneld beschikbaar te stellen. Verder onderzoeken de provincies Flevoland en Gelderland op mijn initiatief momenteel de knelpunten en oplossingen voor de aansluiting van de Robuuste Verbinding van Flevoland naar de Veluwe.

Staatsbosbeheer zet - al voorafgaande aan realisatie van de verbindingszone - in op uitbreiding van het leefgebied van de grote grazers met aangrenzende bosgebieden. Dit zal met name gunstig zijn voor de edelherten. Voor de overige grote grazers ligt de oplossing vooral bij het huidige 'predatormodel' met mogelijkheden voor optimalisatie en het calamiteitenplan. Ik heb Staatsbosbeheer verzocht conform het bovenstaande te handelen.


De minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit,

dr. C.P. Veerman

Bijlagen
Advies van RDA en RLG over de wintersterfte Oostvaardersplassen
Gegevens van Staatsbosbeheer - Evaluatie grote grazers in de Oostvaardersplassen
http://www.veluwshert.nl/veluwshert/pdf/20050624ormel.pdf


De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

ons kenmerk: DN. 2005/2121
datum: 24-06-2005
onderwerp: Kamervragen over diersterfte in de Oostvaardersplassen

Bijlagen:

Geachte voorzitter,

Hierbij ontvangt u de antwoorden op de vragen van het lid Ormel (CDA) inzake de diersterfte in de Oostvaardersplassen, ingezonden op 20 juni 2005.

1
Hebt u kennisgenomen van het feit dat afgelopen winter zevenhonderd dieren zijn gestorven in het natuurgebied Oostvaardersplassen?

Ja.

2
Kunt u de Kamer een uitgebreide rapportage met o.a. leeftijd en geslacht van de dode dieren verstrekken?

U ontvangt binnenkort een brief waarin ik op verzoek van de vaste commissie voor LNV een evaluatie geef van de situatie van afgelopen winter ten aanzien van edelherten, paarden en runderen in de Oostvaardersplassen. Bij deze brief is een rapportage van Staatsbosbeheer gevoegd. Cijfers over leeftijd en geslacht van de dode dieren zijn daar nog niet in verwerkt, maar zullen voor september beschikbaar zijn (zie vraag 3). Staatsbosbeheer heeft hiervoor een opdracht verstrekt aan het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA). De rapportage is beschikbaar voor het debat op 8 september.

3
Waarom wordt de specificatie naar o.a. leeftijd en geslacht die tot 10 maart jl. wel werd gegeven nu niet meer verstrekt?

Staatsbosbeheer doet een uitgebreide monitoring in de Oostvaardersplassen. De basisgegevens worden door eigen medewerkers of door derden in opdracht van Staatsbosbeheer geïnventariseerd.

De monitoringsgegevens worden jaarlijks gepubliceerd in openbare rapporten door het RIZA. In het verleden zijn de ruwe basisgegevens van de monitoring op eerste aanvraag aan een ieder verstrekt, zonder dat de gegevens waren geconsolideerd. Met consolideren van de gegevens wordt in dit verband bedoeld: het controleren op juistheid, het bewerken, het geven van een toelichting op gehanteerde begrippen ten behoeve van een juiste interpretatie en het trekken van conclusies uit de gegevens. Nu de gegevensstroom een behoorlijke omvang heeft aangenomen, is het risico toegenomen dat de ruwe basisgegevens van de monitoring een vertekend beeld geven van de werkelijkheid. Daarom is besloten de basisgegevens van de monitoring te laten consolideren door een onafhankelijke derde partij, in dit geval het RIZA, waarna de gegevens worden vrijgegeven. Staatsbosbeheer stelt deze gegevens aan mij ter beschikking en zal deze vervolgens publiceren op zijn website. Daarmee wordt enerzijds de betrouwbaarheid van de gegevens gewaarborgd en anderzijds de beschikbaarheid van juiste informatie geoptimaliseerd. Een protocol is hiervoor in ontwerp. Staatsbosbeheer heeft mij toegezegd dat de gegevens over leeftijd en geslacht ruim voor het Algemeen Overleg op 8 september beschikbaar zullen zijn.



De minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit,

dr. C.P. Veerman
Betreft: Advies over de wintersterfte 2004-2005 van grote grazers in de Oostvaardersplassen

Aan:
de heer Veerman Minister LNV
Van :
prof. dr. C.J.G. Wensing voorzitter Raad voor Dierenaangelegenheden
prof. H.J.L. Vonhoff voorzitter Raad voor het Landelijk Gebied

De Vaste Commissie voor LNV is gevraagd om in samenwerking met de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) een evaluatie op te stellen van de situatie in de afgelopen winter met betrekking tot de edelherten, runderen en paarden in de Oostvaardersplassen. De RDA adviseert over strategische vraagstukken op het gebied van de gezondheid en het welzijn van gehouden dieren, terwijl het in de Oostvaardersplassen niet-gehouden dieren betreft.


Klik recht op de link om het advies te lezen of leest het als niet opgemaakte tekst hieronder

----------------------------------------------------------------------------------------------

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
De heer dr. C.P. Veerman
Postbus 20401
2500 EK DEN HAAG
Nummer: RDA/2005/290 en RLG 2005.174
Datum: 14 juni 2005
Betreft: advies wintersterfte Oostvaardersplassen


Geachte heer Veerman,
De Vaste Commissie voor LNV heeft u gevraagd om in samenwerking met de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) een evaluatie op te stellen van de situatie in de afgelopen winter met betrekking tot de edelherten, runderen en paarden in de Oostvaardersplassen. De RDA adviseert over strategische vraagstukken op het gebied van de gezondheid en het welzijn van gehouden dieren, terwijl het in de Oostvaardersplassen niet-gehouden dieren betreft. Daarom heeft u tevens de Raad voor het Landelijk Gebied gevraagd te adviseren over de op te stellen evaluatie. Uw adviesaanvragen zijn op 26 mei 2005 verstuurd.
Delegaties van de raden zijn tot een gezamenlijk advies gekomen dat wij u hierbij aanbieden. De raden zelf zullen hun definitieve oordeel geven in hun komende raadsvergaderingen op 23 juni (RLG) en 28 juni (RDA).

De raden hebben onderling geen overeenstemming kunnen bereiken over het onderwerp 'geboortebeperking'. De Raad voor Dierenaangelegenheden bepleit onderzoek naar deze beheersmaatregel die kan bijdragen tot vermindering van het aantal dieren, de Raad voor het Landelijk Gebied wijst deze beheersmaatregel principieel af als strijdig met de uitgangspunten van zo natuurlijk mogelijk beheer.

Wij adviseren:

-ten principale te accepteren dat ecologisch beheer leidt tot perioden van verminderd welzijn van grote grazers;
-het gevoerde beheer te optimaliseren door aanscherping van het 'predatormodel' en toevoeging van extra oppervlak aan het nu beschikbaar gebied teneinde het lijden tot een minimum terug te brengen;
-de burger vertrouwd te maken met deze vorm van beheer.

Hoogachtend,
prof. dr. C.J.G. Wensing prof. H.J.L. Vonhoff
voorzitter Raad voor Dierenaangelegenheden voorzitter Raad voor het Landelijk Gebied

Advies over de wintersterfte 2004-2005 van grote grazers in de Oostvaardersplassen
Raad voor Dierenaangelegenheden en Raad voor het Landelijk Gebied
14 juni 2005

1. inleiding
De Vaste Commissie voor LNV heeft de minister van LNV gevraagd om in samenwerking met de Raad voor Dierenaangelegenheden een evaluatie op te stellen van de situatie in de afgelopen winter met betrekking tot de edelherten, runderen en paarden in de Oostvaardersplassen. De minister van LNV heeft advies gevraagd aan de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) en aan de Raad voor het Landelijk Gebied (RLG). In de adviesaanvraag wordt aangegeven dat de RDA adviseert over
strategische vraagstukken op het gebied van de gezondheid en het welzijn van gehouden dieren, terwijl het in de Oostvaardersplassen niet-gehouden dieren betreft. Daarom heeft de minister tevens de Raad voor het Landelijk Gebied gevraagd te adviseren over de op te stellen evaluatie.
De minister verzoekt om mede op basis van de gegevens van Staatsbosbeheer te adviseren en daarbij in elk geval aandacht te besteden aan de relatie tussen een ecologisch beheer van de populaties Heckrunderen, Koniks en edelherten enerzijds en het dierenwelzijn anderzijds.
Delegaties van de Raad voor Dierenaangelegenheden en van de Raad voor het Landelijk Gebied zijn tot een gezamenlijk advies gekomen waarin op basis van het gevoerde beleid en beheer ten aanzien van grote grazers en de gevolgen daarvan aanbevelingen worden gedaan voor een verantwoord evenwicht tussen ecologische en welzijnsdoelstellingen.

2. beleidsmatige context van het gevoerde beheer
De Oostvaardersplassen worden beheerd als een 'nagenoeg natuurlijk terrein'. Voor deze vorm van beheer is gekozen in het Natuurbeleidsplan (1989); dit houdt in dat het beheer gericht is op het maximaal faciliteren van natuurlijke processen en, in het verlengde daarvan, minimaal menselijk ingrijpen. In de ontwikkelingsvisie 'De Oostvaardersplassen natuurlijker' (Beheerscommissie
Oostvaardersplassen, 1995) is dit beleid uitgewerkt.
De Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren en de Flora- en Faunawet vormen het kader voor het omgaan met dieren in het beheer. De regelgeving is geconcretiseerd in de 'Ethische richtlijnen' van Staatsbosbeheer en Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren en in de door de Tweede Kamer vastgestelde 'Leidraad grote grazers'. De regelgeving is door de beheerder, daarin bijgestaan door een wetenschappelijke adviescommissie, nader geconcretiseerd in het zogeheten 'predatormodel'. De bestaande concretiseringen zijn correct toegepast in het beheer. De raden constateren dat de huidige regelgeving wel, maar de uitwerking daarvan vanuit het oogpunt van welzijn niet geheel blijkt te voldoen. De nu ontstane situatie is een logisch gevolg van keuzen uit het
verleden.

3. de situatie van de grazers
De gegevens van Staatsbosbeheer laten bij alle drie de soorten een stijgende trend zien in de sterfte in de afgelopen jaren. De wintersterfte van 2004-2005 past in die trend maar is verhoogd door het optreden van een kortdurende koude- en sneeuwperiode in begin maart hetgeen de vraag oproept wat in andere winters kan gebeuren. De sterftecijfers zijn opgenomen in de bijlage. Oorzaken voor de natuurlijke sterfte zijn slechte conditie als gevolg van voedselschaarste en wisselende weersomstandigheden laat in de winter waardoor reserves versneld werden opgebruikt. Doordat de weers- en voedselcondities van jaar tot jaar variëren, varieert ook de omvang van de stabiele populatie door jaarlijkse variatie in sterfte en aanwas.
Het stervensproces is via afschot versneld bij 70 procent van de Heckrunderen, 65 procent van de paarden en 57 procent van de edelherten. Bij de overige dieren was om een aantal redenen afschot
niet mogelijk:
-te grote verstoring van rustende dieren in de kudde
-onvindbaarheid van individuen;
-onzekerheid bij de beheerder over de individuele overlevingskans van dieren.
Het afschotpercentage is relatief laag omdat in het perspectief van het naderend voorjaar, dat uiteindelijk langer uitbleef dan verwacht, de overlevingskans van dieren te hoog werd ingeschat: de dieren kregen bij de selectie voor afschot het voordeel van de twijfel.

4. het gevoerde beleid en beheer
Met het beheer in de Oostvaardersplassen wordt gestreefd naar maximale ruimte voor natuurlijkeprocessen. Dit krijgt onder meer vorm via de aanwezigheid van vrijlevende, ongestoorde kuddes vanedelherten, Heckrunderen en Koniks. In slechts enkele gebieden in Nederland, waaronder de Oostvaardersplassen, zijn op dit moment de mogelijkheden aanwezig om de natuur het voortouw tegeven. Beheer waarin de mens niet stuurt en waarin het voortouw ligt bij de natuur (procesbeheer), kan nog ongekende - positieve én negatieve - ontwikkelingen tonen wat betreft natuurlijke processenen het sociale gedrag bij de grazers.
In andere gebieden grijpt de mens continu in en is de visie van de mens leidend over hoe de natuur eruit zou moeten zien. Door vooraf te schatten hoeveel dieren in een gebied vanuit een oogpunt van voedselbeschikbaarheid kunnen voorkomen (de draagkracht van een gebied) en daar het aantal dieren op af te stemmen, stuurt de mens en creëert de natuur die hij zelf verwacht. Om het aantal dieren af te blijven stemmen op de draagkracht, dient bij deze beheersvorm jaarlijks een deel van de dieren door de mens verwijderd te worden ('oogstbeheer').
Met het gevoerde beheer in de Oostvaardersplassen wordt de maximale draagkracht van het gebied bereikt. Uiteraard fluctueert de draagkracht van een gebied jaarlijks. Daardoor kan op jaarbasis het aantal grazers de draagkracht overschrijden en treedt voedselschaarste op. Ook in terreinen elderswaar via afschot in de zomer het aantal dieren afgestemd wordt op de geschatte draagkracht, treedtonverwachte wintersterfte op als gevolg van een plotselinge vermindering van draagkracht.
Voor de dieren betekent dit beheer dat perioden met voedselschaarste optreden. In elk ecosysteemwordt het aantal dieren gereguleerd door voedselbeschikbaarheid via verhoogde sterfte én natuurlijkegeboortebeperking en door predatie. De draagkracht van gebieden wordt door groei van het aantal dieren in principe altijd bereikt, zo ook in gebieden die begrensd zijn door barrières (water bij eilanden, ondoordringbare biotopen zoals open vlakten voor bosdieren, hekken in cultuurgebieden). Voedselschaarste is in de natuur een normaal verschijnsel en kan bijvoorbeeld al optreden in situaties waarbij in fysieke zin voldoende voedsel in het gebied aanwezig is. Door gedrag van de dieren en sociale interacties worden op enige afstand aanwezige voedselbronnen soms niet gezocht. Dieren blijven bijvoorbeeld bewust in hun eigen territoria, ook indien dit tot verhongering leidt. Edelhertenblijven in extreme weersomstandigheden in de bossen en sterven daar, ook als daarbuiten voedsel beschikbaar is. Ook bij reeën, die in staat zijn de hekken rondom de Oostvaardersplassen te passeren, vindt wintersterfte plaats.
Ondanks de aanpassingen aan voedselschaarste zijn in sommige winters de zwakkere dieren niet in staat de periode van tekorten te overleven. De beheerder beëindigt het leven van deze dieren via afschot voordat de dood op natuurlijke wijze intreedt. In principe vindt dit afschot plaats twee weken vóór het optreden van de natuurlijke sterfte. Door dieren op dat moment (en niet veel eerder) teverwijderen worden dieren geselecteerd die de winter niet zullen overleven, zodat de kuddes blijven bestaan uit sterke dieren. Het beheer dat gevoerd wordt op advies van de Wetenschappelijke Adviescommissie van het Staatsbosbeheer, wordt aangeduid als het 'predatormodel' hetgeen het element van natuurlijke selectie (scheiden van de in relatie tot de overlevingskans in de winter zwakke en sterke dieren) illustreert. De beheerder treedt op als 'predator' die voor de natuurlijke selectie zorgt, bij het ontbreken van bijvoorbeeld natuurlijke predatoren zoals wolven.

5. de gevolgen van het gevoerde beleid en beheer
Het optreden van voedselschaarste is een natuurlijk proces waar de dieren op ingesteld zijn via de aanleg van vetreserves en aanpassingen in gedrag en metabolisme om het energieverbruik terug te dringen. De dieren houden volstrekte rust. Edelherten kennen bij vermindering van vetvoorraden in de
winter een winterrust-conditie met verminderde stofwisseling, verminderde lichaamsfuncties en temperatuurverlaging. Zij bereiken daarbij een toestand die functioneel is voor het overleven.
Verwacht mag worden dat Heckrunderen en Koniks een vergelijkbare aanpassing aan verminderde vetcondities kennen. Dit in tegenstelling tot landbouwhuisdieren die geselecteerd zijn op maximale vlees- of melkproductie. In deze rassen is de opbouw van functionele vetreserves (deels) weggeselecteerd waardoor minder mechanismen aanwezig zijn om met voedseltekorten om te gaan. Voorwaarde om het lijden te beperken, is de mogelijkheid om natuurlijk gedrag uit te kunnen oefenen, waaronder vrij rondlopen en het zelf zoeken van een sterfplaats zonder verstoring, in een gebied dat het dier vertrouwd is. Er zijn te weinig onderzoeksgegevens beschikbaar om aan te kunnen geven in welke mate de aanpassing aan voedseltekort heeft plaatsgevonden door de daarop gerichte fok van de rassen, de verwildering én de selectie op sterke dieren in het beheer.
Het gevoerde beheer heeft een aantal gevolgen voor het welzijn van de grote grazers:
-het leven in ongestoorde kuddes maakt maximaal natuurlijk gedrag mogelijk en geeft alle dieren volledige autonomie binnen de grenzen van het gebied. Vrije verplaatsing binnen het gebied, eigen voedselkeuze in perioden van groot voedselaanbod, vrije partnerkeuze en andere sociale interacties dragen naar de huidige inzichten bij aan een maximaal welzijn;
-perioden met honger en, voor een aantal dieren, sterfte door uitputting van de vetreserves, spierafbraak en uiteindelijk cachexie veroorzaken lijden. Dit treedt op aan het eind van de
winterperiode.

Het gevoerde beheer leidt binnen het ecosysteem tot:
-een grotere soortenrijkdom waarbij voor eerder uitgestorven soorten weer plaats is in Nederland;
-optreden van vele natuurlijke processen, een expliciete doelstelling van het natuurbeleid
-het optreden van ongekende interacties binnen het systeem, bijvoorbeeld onverwachte
ontwikkeling van vegetatiepatronen. Kennis van deze processen is uit een oogpunt van
natuurbeheer belangrijk, maar wordt helaas thans niet vergaard.
In elk leven treden perioden van verhoogd en verlaagd welzijn op. De raden menen dat lijden alsonderdeel van het leven ten principale geaccepteerd dient te worden. Voedseltekorten én sterfte zijneen natuurlijk gegeven. In de natuur is voedselbeperking en daaruit voortkomende sterfte het primaire proces waarlangs de aantallen dieren gereguleerd worden. Vanuit het principe van natuurlijke selectiemag verwacht worden dat, zeker bij sociaal levende dieren, natuurlijke mechanismen aanwezig zijnom het lijden bij voedseltekort en daaraan verbonden sterfte te minimaliseren. De aanmaak vanendomorfinen als pijnbestrijder is een voorbeeld van een natuurlijk mechanisme om lijden te verminderen.
De beoordeling in hoeverre dit lijden als gevolg van het gevoerde beheer acceptabel is, dient plaats tevinden in de context van de andere gevolgen van het gevoerde beheer.
De welzijnsbeoordeling kan niet gebaseerd worden op een periode van enkele weken op een levenvan vele jaren dat, vaak inclusief de winters, op een hoog welzijnsniveau kan verlopen. Het'welzijnssaldo' dient in beschouwing genomen te worden. In het dierenwelzijnsbeleid is het tevens gangbaar om een weging toe te passen tussen de mate van lijden en het nut van het lijden.
Voorbeelden daarvan zijn afwegingen in het kader van de dierhouderij (welzijn versus economische baten) en in het kader van dierexperimenten (welzijn versus kennisvermeerdering voor bijvoorbeeld
de ontwikkeling van medicijnen).
Tegenover het lijden aan het eind van de winterperiode staat:
???? een hoog welzijn gedurende rest van het jaar voor het betreffende individu: zowel in absolute zin als in vergelijking met bijvoorbeeld landbouwhuisdieren: geen verstoring van het natuurlijk gedrag door menselijk ingrijpen met als gevolg volledige ontplooiing van natuurlijk gedrag, waaronder eigen selectie van voedselplanten, vrije partnerkeuze en andere sociale interacties. Alle individuen in de Oostvaardersplassen kennen een natuurlijk levensverloop, met minimale bemoeienis van de mens; een ecosysteem met ruimte voor de terugkeer van uitgestorven soorten en voor natuurlijke processen.

6. mogelijkheden om welzijn te verhogen via aanpassing van het beheer
Voor het minimaliseren van het lijden zijn de volgende alternatieven in principe beschikbaar:
-vergroting oppervlak beschikbaar gebied;
-verwijderen dieren vóór de winter via vangen;
-verwijderen dieren vóór de winter via afschot;
-bijvoeren;
-optimalisatie huidig beheer.

vergroting oppervlak beschikbaar gebied (toegang tot Hollandse Hout, Kotterbos, verbinding
met Veluwe)
Vergroting van het gebied biedt de dieren:
-een groter en gevarieerder voedselaanbod, en daardoor betere conditie voor de winter;
-meer gevarieerd winterhabitat dan nu aanwezig is;
-meer ruimte en daarmee meer welzijn gedurende het gehele leven;
-meer mogelijkheden om fluctuaties in weersomstandigheden op te vangen.
In vergelijking met het huidige beheer zal deze optie het welzijn verhogen. Ten principale zal
wintersterfte niet voorkomen worden, omdat ook in een groter gebied de draagkracht bereikt zal
worden en dezelfde processen zullen gaan plaatsvinden. De grote verschillen tussen het rijke zomeren
arme winterhabitat kunnen met deze maatregel echter worden verminderd.

verwijderen dieren vóór de winter via vangen
Verwijderen van dieren leidt tot vermindering van het aantal dieren en daardoor meer voedsel per
individu.
Het verwijderen van dieren heeft tot gevolg dat:
-het vangen van dieren en afvoeren in veewagens tot grote stress leidt bij zowel de te vangen
individuen als een deel van de kudde;
-alsnog sterfte van dieren in de winter plaatsvindt aangezien selectie van sterke/zwakke dieren in de zomer goed niet mogelijk is;
-zwakkere dieren blijven deel uitmaken van de genenpool omdat selectie op zwakke en sterke dieren niet goed mogelijk is;
-oormerken van dieren noodzakelijk wordt. De regelgeving staat de afvoer van niet geoormerkte dieren niet toe. Op basis van de regelgeving zal, bij consequent afvoeren van dieren, oormerken moeten worden toegepast;-de bestemming van de afgevoerde dieren op termijn problematisch wordt omdat alle terreinen met een overschot aan graasdieren worden geconfronteerd zodat uiteindelijk afschot nodig zal zijn.
In vergelijking met het huidige beheer zal deze optie het welzijn niet verhogen vanwege de optredende stress bij grote aantallen dieren. Op grond hiervan achten de raden deze beheersoptie ongewenst.

verwijderen dieren vóór de winter via afschot
Verwijderen van dieren leidt tot vermindering van het aantal dieren en daardoor meer voedsel per individu. Afschot in de zomer leidt tot:
-verlies aan welzijn door verkorting van het leven van het individu;
-zwakkere dieren blijven in de genenpool aanwezig omdat selectie op zwakke en sterke dieren onvoldoende mogelijk is;
-voortgaande sterfte van dieren in de winter aangezien selectie van sterke/zwakke dieren in de zomer niet goed mogelijk is;
-uitoefenen van beheersjacht dat als ingreep haaks op de uitgangspunten van natuurlijk beheer.
Op grond hiervan achten de raden deze beheersoptie ongewenst.

bijvoeren
Bijvoeren leidt tot een betere conditie van de dieren en daardoor tot minder sterfte.
Het leidt ook tot:
-opschuiven van het probleem: in de winter daarna zijn er meer dieren en wordt de draagkracht gebied nog verder overschreden;
-de noodzaak van afvoer of afschot van dieren;
-versterkte competitie tussen sterke en zwakke dieren waardoor vooral de sterke dieren van het bijvoederen zullen profiteren;
-stress door onderlinge verdringing bij de voederplaatsen en verstoring van de sociale verhoudingen in de kudde;
-opheffen van de natuurlijke geboortebeperking die voedselschaarste veroorzaakt waardoor de groei van de populatie onverminderd door gaat. Bijvoeren in de winter kan, door de beperkte mogelijkheid van individuele dosering (relatief veel voer zal bij de sterkere dieren terecht komen), ook leiden tot vruchtbaarheid op een laat moment in het seizoen en een late worp, vlak voor het winterseizoen. De overlevingskansen van koe en kalf worden daardoor lager.
Experimenten met bijvoeren, uitgevoerd door Natuurmonumenten, zijn om deze redenen gestopt. In vergelijking met het huidige beheer zal deze optie het welzijn niet verhogen vanwege de optredende stress bij grote aantallen dieren. Op grond hiervan achten de raden deze beheersoptie ongewenst, calamiteiten uitgezonderd.

optimalisatie huidige beheer
Aanpassingen in het beheer bieden mogelijkheden om lijden van ten dode opgeschreven dieren te verminderen. Ongeveer 30 procent tot 43 procent van de dieren werd in de winter 2004-2005 niet via afschot gedood en verlaging van dit percentage zal het lijden verminderen.
Mogelijkheden daarvoor zijn:
-het moment van afschot vervroegen
Vervroegen van het moment van afschot van dieren waarvan de situatie uitzichtloos is, vermindert het lijden. Vervroeging van het afschotmoment dient verwerkt te worden in het 'predatormodel' zodat het element van selectie aanwezig blijft maar vroeger wordt ingegrepen. De kans zal evenwel toenemen dat dieren die sterk genoeg zijn om de winter te overleven, afgeschoten worden. Via onderzoek zal de selectiemethode verder verbeterd moeten worden.
-de mogelijkheden vergroten om dieren uit hun lijden verlossen zonder verstoring van de kuddes Dieren die in de kuddes blijven, worden niet via afschot gedood om onrust in de kudde in de kwetsbare winterperiode te voorkomen. Via de inzet van inmiddels aanwezige geluiddempers kan in de toekomst ook afschot binnen de kuddes plaatsvinden.
In vergelijking met het huidige beheer zal deze optie het welzijn verhogen
.
conclusies
-Bijvoeren en het verwijderen van dieren voor de winter kunnen in principe honger en natuurlijke wintersterfte voorkomen maar hebben andere en grotere negatieve gevolgen voor het welzijn van individuen en kuddes. Deze beheersmethoden zijn strijdig met de doelstelling van het ecologisch beheer (het voortouw bij de natuur leggen) in de Oostvaardersplassen;
-Optimalisatie van het huidige beheer (aanscherping van het 'predatormodel') en vergroting van het oppervlak aan beschikbaar gebied, vooral als een betere winterhabitat wordt gecreëerd, verhogen het welzijn van de dieren in voldoende mate en dragen bij aan de ecologische doelstellingen van het beheer.

7. maatschappelijke acceptatie
De wintersterfte heeft maatschappelijke aandacht gekregen van bezoekers, pers en Tweede Kamer. Uit ervaringen van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten met omwonenden en andere bezoekers van natuurgebieden, blijkt dat hoe groter de afstand van burgers tot de problematiek in het veld, hoe groter de afwijzing van het gevoerde beheer. Toelichting op het gevoerde beheer leidt tot begrip bij de burger waarbij het besef dat huisdieren, landbouwhuisdieren en wilde dieren wezenlijk van elkaar verschillen van invloed blijkt op de oordeelsvorming over het gevoerde beheer. De maatschappelijke acceptatie hangt mede af van de beschikbaarheid van informatie over de betekenis van het lijden. Uit ervaring van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten blijkt dat het merendeel van aanvankelijk sceptische burgers na toelichting begrip heeft voor het gevoerde beheer en dit beheer accepteert.

8. samenvatting, conclusies en aanbevelingen
Voor de Oostvaardersplassen is politiek gekozen voor een ecologisch beheer. Het bestaande beleid is correct toegepast in het beheer. De nu ontstane situatie is een gevolg van in het verleden gemaakte keuzen. De gevolgen leiden tot maatschappelijke discussies die aanleiding zijn om het gevoerde beheer nader te bezien op mogelijkheden om het lijden te minimaliseren.

De delegaties van raden komen tot de volgende conclusies:
-bijvoeren en het verwijderen van dieren voor de winter kunnen in principe honger en natuurlijke wintersterfte voorkomen maar zullen leiden tot andere en grotere negatieve gevolgen voor hetwelzijn van individuen en kuddes. Deze beheersmethoden zijn strijdig met de doelstelling van het
ecologisch beheer in de Oostvaardersplassen;
-optimalisatie van het huidige beheer door aanscherping van het 'predatormodel' en toevoeging van extra oppervlak aan het nu beschikbaar gebied zal het welzijn van de dieren in voldoende mate verhogen en bijdragen aan de ecologische doelstellingen van het beheer, mits een beter winterhabitat beschikbaar komt;
-de aanpassingen in het beheer dienen gemonitoord te worden op de gevolgen voor het welzijn en de ecologische doelstellingen. Onderzoek is nodig om het beheer verder te optimaliseren.

De delegaties van raden zijn van mening dat na de voorgestelde aanpassing van het beheer het periodiek lijden en de natuurlijke sterfte van individuen verantwoord zijn omdat dit gecompenseerdwordt door een verhoogd welzijn gedurende de rest van het leven, een verhoogd welzijn van de dierendie wél overleven en door de toename van natuurwaarden in de Oostvaardersplassen.

De delegaties van raden adviseren:
-ten principale te accepteren dat ecologisch beheer leidt tot perioden van verminderd welzijn van grote grazers;
-het gevoerde beheer te optimaliseren door aanscherping van het 'predatormodel' en toevoeging van extra oppervlak aan het nu beschikbaar gebied teneinde het lijden tot een minimum terug te brengen;
-de burger vertrouwd te maken met deze vorm van beheer.

totstandkoming van het advies
Dit advies is voorbereid door een werkgroep bestaande uit mevr. F.G. van Diepen (vice-voorzitter RLG) en de heren P. Nijhoff (lid RLG), S.J. Schenk (lid RDA) en J.J. Snoep (extern deskundige van de RDA), daarin ondersteund door P.A. Overgaauw, plv. secr. RDA en B.H. van Leeuwen, plv. secr. RLG. Bij de voorbereiding is ondermeer gesproken met de heren C.J.G. Wensing (Raad voor Dierenaangelegenheden), J.Th. Postumus Meyjes (Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren), H. Massop (Natuurmonumenten) en F. Boersma (Staatsbosbeheer).

bijlage
Het aantal dieren in de Oostvaardersplassen bedroeg in januari 2005 ongeveer 3100, als volgt samengesteld: ca. 1550 edelherten, 665 Heckrunderen en 880 Koniks. In de winterperiode van 2004 is de volgende sterfte opgetreden: bij edelherten 340 (22 procent van de populatie), Heckrunderen 231 (34 procent) en Koniks 126 (14 procent).

Het sterfteverloop (als percentage van de totale populatie) over de afgelopen periode is:

  1995
1996
1997
1998
1995
2000
2001
2002
2003
2004
2005
Edelhert
2 2
3
2
5
4
4
2
9
8
22
Konik 1 6
4
4
5
5
6
8
10
14
14
Heckrund 4 7
6
9
20
7
20
13
26
7 3


bron: Staatsbosbeheer


Het advies gegeven door de Raad voor Dierenaangelegenheden en Raad Landelijk Gebied aan Minsiter Veerman is ingetrokken!

Na de reactie van het Veluws Hert op het advies, waarin op vele punten commentaar geleverd wer, is het advies hedenmorgen ingetrokken. De Raad Landelijk Gebied heeft volgens de Raad voor de Dierenaangelegenheden een te grote invloed in het rapport gehad en trekt nu het advies in.

Ook het één op één overgenomen advies van Veerman aan de Tweede Kamer is nu waardeloos.

Er wordt nu een nieuwe commissie ingesteld en opnieuw over de kwestiegebogen.

Het Veluws Hert is zeer verheugd dat de dwaling tijdig is gecorrigeerd.

Meer volgt.
Donderdag 30 juni 2005 - Driebergen - De natuur gedijt wanneer dode dieren blijven liggen in het gebied. De kadavers vormen „een bron van leven“ voor andere diersoorten, aldus Staatsbosbeheer gisteren.

In het Flevolandse gebied de Oostvaardersplassen heeft de natuurbeheerder de afgelopen jaren kadavers van herten laten liggen. De dode dieren zijn een bron van voedsel voor vossen, kraaien en allerlei kevers. De kadavers trekken ook bijzondere gasten als zeearenden en de monniksgier aan.
De beheerder vindt gezien de ervaring dat kadavers moeten blijven liggen om hun rol in de natuur te vervullen. „Inmiddels is iedereen wel gewend aan dode en scheefhangende bomen in het bos, maar dode dieren laten liggen is nog weer een volgende stap waar het publiek mee vertrouwd moet raken“, aldus Staatsbosbeheer.
De natuurbeheerder verwijst ook naar het boek ’Dood doet leven’, dat morgen verschijnt. Hierin houden verschillende auteurs een pleidooi voor het laten liggen van de kadavers. Het weghalen van de dode dieren wordt hierin een „aderlating voor de biodiversiteit in Nederland“ genoemd.


Stank

Voorzitter R. Lardinois van de Stichting Kritisch Bosbeheer stelt in het boek dat de stankoverlast van kadavers zich beperkt tot „hooguit enkele dagen“. Een dier van honderd kilo is na zes dagen voor viervijfde opgegeten door aaseters. Hij meldt tevens dat planten, bomen en struiken gebaat zijn bij de kadavers. „Vossen en zwijnen verspreiden de harde delen als hoorns, huid en beenderen over het natuurgebied“, dat voor belangrijke mineralen voor het groen zorgt.
Het natuurbeheer in de Oostvaardersplassen raakte de afgelopen winter in opspraak. De opzet voor het Flevolandse gebied is dat de natuur zijn gang moet gaan en dieren niet bijgevoederd mogen worden. Staatsbosbeheer mag alleen lijdende grazers afschieten.
Afgelopen winter stierven door voedseltekort echter enkele honderden edelherten, heck- runderen en konikpaarden.

Advies over de wintersterfte 2004-2005 van grote grazers in de Oostvaardersplassen
Raad voor Dierenaangelegenheden
18 augustus 2005

http://www.veluwshert.nl/veluwshert/forumbijlages/20050818RDA_advies.pdf
Paarden zijn toch geen koolmezen

Door Hans Hopster
Lector Welzijn van Dieren aan de Hogeschool Van Hall Larenstein in Leeuwarden. Tevens onderzoeksleider dierenwelzijn aan de Universiteit Wagen ingen en het Research Centre in Lelystad.

Onze kijk op dieren is niet bepaald consequent. Waar we ze enerzijds een eigen waardigheid toekennen, verdelgen we ze rustig als ze ons hinderen - denk aan muizen en mollen. In het debat over de wintersterfte van grote grazers, waarover minister en Kamercommissie volgende week praten, lopen te veel argumenten door elkaar.
Bij de ontwikkeling van beleid zijn in onze postmoderne samenleving niet alleen wetenschappelijke argumenten doorslaggevend. Ook belangen en emoties spelen gewild en ongewild een grote rol. Ook in het debat over het natuurbeleid in de Oostvaardersplassen. Op 13 juli verscheen in deze krant een artikel met als kop `We moeten leren van de natuur af te blijven'. In dat artikel wordt de Oostvaardersplassen door de voorzitter van de Raad voor Dierenaangelegenheden vergeleken met een concentratiekamp. Een bijzonder ongelukkige vergelijking die niet bijdraagt aan een constructief debat. Net zo min als een voormalig ambassadeur van Varkens in Nood destijds met deze vergelijking het varkensgeluk dichterbij heeft gebracht.
Terug naar de feiten. Het belangrijkste strijdpunt in het debat over het natuurbeleid in de Oostvaardersplassen is de wintersterfte onder de edelherten, de Konikpaarden en de Heckrunderen. Deze grote grazers leven in een 5.600 hectare groot omrasterd gebied van Staatsbosbeheer, waar van tijd tot tijd het voedselaanbod onvoldoende is om alle monden te voeden. Daardoor sterven er dieren, vooral aan het einde van de winter. Dat is in de natuur een situatie die eerder regel is dan uitzondering. Het komt in tal van landen in grote omrasterde en niet omrasterde natuurgebieden voor, zelfs in gebieden waar de die¬, ren over grote afstanden trekken, zoals in de Serengeti in Afrika, 450 maal zo groot als de Oostvaardersplassen. Onderzoek aan de gnoes of wildebeesten in dit gebied heeft aangetoond dat hun aantal (nu 1,4 miljoen) gereguleerd wordt door gebrek aan voedsel, ongeacht de aanwezigheid van grote predatoren als leeuwen en gevlekte hyena's.
Voor de zwakke dieren die sterven is dat beslist geen pretje, maar voorstanders van deze vorm van aantalregulatie verdedigen dit als natuurlijk en beschouwen dit als middel voor het verkrijgen van een sterke populatie met een omvang die op de draagkracht van het gebied is afgestemd.
Behalve sterfte door gebrek aan voedsel treedt bij een aantal soorten echter ook een zogeheten dichtheidsafhankelijke regulatie op. Dat betekent dat naarmate er meer dieren komen en de hoeveelheid voedsel niet navenant voorradig is, niet alle vrouwelijke dieren elk jaar drachtig worden en jongen krijgen. Ze slaan een jaar over. De hypothese van dr. Frans Vera, de geestelijke vader van deze vorm van natuurbeheer en werkzaam bij Staatsbosbeheer, is dat ook in de Oostvaardersplassen de sterken overleven en de dieren zelf op termijn hun voortplantingssnelheid mede afstemmen op het voedselaanbod in het gebied: Op de lange termijn, is de gedachte, ontwikkelt zich zo een zelfregulerend ecosysteem dat minder menselijk ingrijpen vraagt. Meer natuurlijkheid betekent een betere garantie voor het voortbestaan van soorten en minder beheer. Dat daarbij het welzijn van individuen ondergeschikt is aan het belang van de populatie, moet dan op de koop toe worden genomen.
De vraag is echter of het zo werkt en in welke mate wintersterfte van vooral jonge en verzwakte dieren hét bepalende mechanisme is waarop aantalregulering is gebaseerd. Zijn er gegevens of deze natuurlijke aantalregulering zich op de verwachte wijze ontwikkelt? Veertig jaar onderzoek naar de aantalregulatie van de wildebeesten in de Serengeti laat zien dat ondervoeding de belangrijkste doodsoorzaak is (75 procent van de gevallen) en vooral de kalveren treft. Voedselschaarste leidde bij de jaarlingen (dieren die een jaar oud zijn) tot uitstel van de puberteit en bij volwassen dieren tot een afname van het percentage drachtige volwassen vrouwtjes van 95 naar 88 procent.
Hoe zit dat in de Oostvaardersplassen? Wat we weten is dat van de 1.550 edelherten die er aan het begin van de afgelopen winter liepen, 78 procent de winter overleefde. Van de 665 Heckrunderen wist 66 procent de ontberingen van de winter te trotseren en van de 880 Konikpaarden kwam 86 procent op eigen kracht de winter door. Percentages die in een aantal kranten en door een enkele politicus als `een catastrofe' en `massale sterfte' zijn aangeduid. Als we dat vergelijken met bijvoorbeeld de gemiddelde overleving van 32 procent voor onvolwassen en 74 procent voor volwassen bontbekplevieren over de broedseizoenen 1999-2002, dan zijn zulke percentages zeker geen slecht resultaat. Ook van de strandplevieren overleefde in hetzelfde broedseizoen 22 procent van de onvolwassen populatie per jaar, tegen 72 procent voor volwassen vogels. Van de patrijzen, een beschermde vogel van de Rode Lijst (een soort die volgens het beleid extra beschermingsmaatregelen behoeft), overleefde 60 tot 75 procent de winter. Ook een populatie koolmezen kent periodiek grote schommelingen in aantallen, waarbij tien uitgevlogen jongen in het voorjaar in het jaar daarop slechts één volwassen broedvogel opleveren. Bij een slechte beukennotenoogst, overleefde slechts 5 procent van de jonge vogels de winter en maar 35 procent van de volwassen dieren. Dergelijke percentages winteroverleving traden op in gebieden zonder hek er omheen. Voedselbeschikbaarheid in de natuur kent haar eigen grenzen. Het is de vraag of het hek om de Oostvaarders¬plassen er zoveel toe doet.
Genoemde overlevingspercentages zijn voor natuurvorsers en ecologen bekende kost. Vrijwel niemand lijkt daar grote moeite mee te hebben. Laat staan dat er massaal gewezen wordt op de morele plicht van burgers om tijdens de winter alle hongerige koolmezen in het bos bij te voeren om te voorkomen dat er ook maar één van de honger zou sterven. Voor veel soorten is de winter met zijn voedselschaarste de scherprechter die bepaalt welke eigenschappen voor de soort voldoende waardevol zijn om aan een volgende generatie doorgegeven te worden. Dat principe is voor de grote grazers niet anders en het is interessant dat Staatsbosbeheer deze unieke vorm van natuurbeleid op zijn merites wil toetsen.
Maar paarden zijn geen koolmezen en
runderen geen strandplevieren. De aftakeling van grote grazers kunnen wij, in tegenstelling tot die van koolmezen en strandplevieren, gemakkelijk waarnemen. Daar komt bij dat we in onze samenleving voor paarden en runderen uiteenlopende referentiekaders hante¬ren. Er is een ecologisch kader dat door de natuurbescherming wordt gehan¬teerd. Dat is gericht op het functioneren van ecosystemen en populaties van dieren daarin: Daar tegenover staat het kader van de veehouderij. Dat is op de productie van het individuele dier gericht en is tevens het kader voor veterinaire zorg en zodtechnische zaken.
Tenslotte is er het referentiekader van de recreatiepaardenhouderij en de verzorgpony's. Dieren waarmee de eigenaren vaak een sterk emotionele band hebben. Deze zeer verschillende referentiekaders lopen dwars door onze maatschappij en leiden tot grote controverses over wat wel en niet aanvaardbaar is.

Melkkoeien leven veel korter dan een Heckrund in de Oostvaardersplassen

Een mooi voorbeeld daarvan is de reactie op een stelling van Rutgers, Swabe en Noordhuizen-Stassen (2003) naar acceptatie van het doden van gehouden dieren. De stelling luidde: „Als er in een natuurgebied een tekort is aan voedsel, waardoor dieren zullen verhongeren, is het aanvaardbaar om een aantal van hen te doden." Nergens in het onderzoek was de verdeeldheid in de reacties groter. Van de ondervraagden was 37,5 procent het eens met de stelling dat er preventief gedood zou moeten worden en 36,0 procent was het er mee oneens. De overige 26,4 procent wist het niet. Ik ben benieuwd wat de uitslag was geweest als bij `dieren' niet uitsluitend was gerefereerd aan grote grazers, maar ook aan koolmezen of spitsmuizen.
Ook als het gaat om het referentiekader voor het welzijn van dieren in de Oostvaardersplassen wordt de dierhouderij als voorbeeld gebruikt, omdat naar het welzijn van runderen en paarden in de dierhouderij uitgebreid onderzoek is gedaan. Voor dieren in de natuur geldt dat niet. Welzijnsonderzoek aan landbouwhuisdieren heeft bijgedragen aan vrij gedetailleerde regelgeving waardoor veehouders voor minder ernstige vergrijpen dan het laten verhongeren van dieren door de inspectiediensten van LNV en Dierenbescherming op de vingers worden getikt. Terwijl in het naastgelegen natuurreservaat Staatsbosbeheer de dieren van de honger laat doodgaan en niemand daarvoor bestraft wordt. Dat creëert begrijpelijkerwijs een diep gevoel van onrechtvaardigheid, vooral bij de veehouderijsector die wél wordt geconfronteerd met de consequenties van het dierenwelzijnsbeleid.
De verklaring voor deze tweeslachtigheid ligt in de gematigd biocentrische levensbeschouwing die velen onder ons hanteren en waarbij we aan individuele leden van een biotische gemeenschap van een ecosysteem een inherente waardigheid toeschrijven. Dit betekent echter niet dat we noodzakelijkerwijs ieder individu dezelfde waardigheid toekennen. We houden er rekening mee dat capaciteiten en functies van individuen van elkaar kunnen verschillen en dat we daarom tegenover sommige dieren meer verplichtingen hebben dan tegen¬over andere. Aan natuurdieren en productiedieren hebben wij verschillende functies toegekend en daarvan afgeleid hebben deze dieren voor ons een verschillende waardigheid of status. Hoe belangrijker dieren voor onszelf zijn, hoe hoger de status die wij ze geven. Wij deinzen er bijvoorbeeld niet voor terug om muizen in ons eigen huis met een klem te vangen of met muizenkorrels te verdelgen terwijl hun verre neef als laboratoriummuis door de wet op de proefdieren van de wieg tot het graf
wordt beschermd. Wij kennen dus zelfs aan dieren van dezelfde soort een verschillende status toe op basis van hun functie of nut voor de mens, in weerwil van het uitgangspunt in onze wetgeving dat dieren een `eigenwaarde' hebben, los van hun functie. (Mollen mag je vangen met-klemmen omdat ze ons gazon omploegen. Onder de grond houdt eigenwaarde op).
Wat de discussie over de grote grazers in de Oostvaardersplassen zo weerbarstig maakt is dat aan de grote grazers in de natuur een status wordt toegekend die is afgeleid van de status van boerderijdieren en recreatiedieren. LNV geeft in haar beheerskader `Leidraad grote grazers' namelijk aan dat de grote grazers in de Oostvaardersplassen weliswaar als `niet gehouden dieren' moeten worden beschouwd, maar dat de dieren wel recht hebben op de nodige zorg.

Waarom de beverrat uitroeien en tegelijkertijd de bever beschermen?


Een ander lastig punt in de welzijnsdiscussie is dat deze zich vooral concentreert op de laatste levensfase van de grote grazers. Volgens hoogleraar Ethologie en Welzijn prof. Berry Spruijt is welzijn van dieren echter geen momentopname, maar dient dit te worden beoordeeld als de totale "balans van positieve en negatieve gebeurtenissen in het leven van een individu. Als we al verschillende referentiekaders hanteren, is het dus zaak om zoveel mogelijk aspecten in het leven van dieren mee te wegen en er niet alleen de laatste levensfase uit te lichten.
Ondanks dat bijvoorbeeld melkkoeien in de regel goed worden gevoed, krijgen ze hun kalf nauwelijks te zien. Het wordt kort na de geboorte bij de koe weggehaald. Een kwart van de kalveren dient om de melkkoeien op de boerderij, die gemiddeld niet veel ouder worden dan 5 jaar, te vervangen. De helft van de geboren kalveren wordt als vleeskalf afgemest en wordt binnen een halfjaar geslacht. Steeds meer melkkoeien zijn in hun leven meer binnen dan buiten en hebben mede daardoor problemen met de gezondheid van klauwen, benen en uier. Hoogleraar Dier en Samenleving prof., Elsbeth Noordhuizen-Stassen merkte in het landbouwblad Oogst onlangs op dat als je alle welzijnsproblemen in de landbouw wilt oplossen, je geen veehouderij meer overhoudt. Gelukkig gaan melkkoeien niet van de honger dood, maar gemiddeld leven ze veel korter dan een Heckrund in de Oostvaardersplassen. Heckkoeien hebben normale seks met een stier en hebben met hun kalf een natuurlijke en levenslange waar ze willen.

Er is geen discriminatie naar geslacht en de stieren leven er net zo vrij als de koeien met hun kalveren. Maar uiteindelijk sterven de runderen
uit zwakte een natuurlijke dood omdat ze niet langer in staat zijn om de schaarse voedselbronnen te bereiken.

Ook als paard is het de vraag waar je beter af bent, in de Oostvaardersplassen of als recreatie- of sportpaard. Paardenvoor sport en recreatie worden vrijwel altijd in individuele boxen gestald en krijgen beweging naargelang de ruitertijd en zin heeft. Gebrek aan beweginguit zich dikwijls in wat wij eufemistisch`stalondeugden' noemen. Feitelijk gaathet hier om frustraties van paarden diezich openbaren als luchtzuigen, stereotiep met het hoofd heen en weer weven,kribbebijten, onrustig rondjes draaienin de stal en schoppen tegen de stalwand. Buiken van paarden die door opname van gras en ruwvoer te dik zijn omer mooi uit te zien, worden met ruwvoerarme rantsoenen bestreden waardoor genoemde frustraties verergeren.
En om in de sport goed te presteren worden paarden in onnatuurlijke houdingen gedwongen bepaalde spiergroepen te trainen. Voor het overige krijgen ze alle liefde en aandacht. Konikpaarden in de Oostvaardersplassen leven daarentegen in sociale verbanden in de vrije natuur, hebben beweging en ruwvoer in overvloed, maar staan wel bloot aan sociale competitie en aan de afvalrace diewinter heet.

A1 deze aspecten moeten meegewogenworden. Een gematigd biocentrische levenshouding laat ruimte voor gradatiesvan waardigheid Voor dieren, waarbijons eigen belang meespeelt. Het is iets inons dat wij graag willen ontkennen,vooral omdat strikt genomen deze gematigd biocentrische houding vanuithet dier bezien hypocriet is. Want waarom de beverrat uitroeien en tegelijkertijd de bever beschermen? Of het castreren van katers aanmoedigen en tegelijkertijd het castreren van mannelijke varkens willen tegengaan? De verdeeldheid over de waardigheid van dieren en het tekort aan kennis over hun levensloop welzijn maakt dat onderliggende belangen de richting van het debat over wat wel en niet toelaatbaar bepaalt: Zo pleiten jagers voor preventief afschieten, veehouders en dierenartsen voor bijvoederen, dierenbeschermers voor een prikpil, wetenschappers voor meer onderzoek en ecologen voor een zoveel mogelijk hands-off beleid.

steld hoe oud deze waren en wat hun„ stamming was? Is van alle dode diero materiaal verzameld en opgeslagen vo~ nader onderzoek? Waren het vooral di ren met een slechte conditie die de wii ter niet overleefden? Is de aanvang, c duur en de intensiteit van het verste vingsproces vastgelegd? Hoe verliep d precies, wanneer trad bewustzijrisvei mindering en bloeddrukdaling op en hoe lang duurde het voordat de dood in trad? Was de hoofdoorzaak alleen ee slechte conditie of speelden ook ander factoren een rol? Wat staat tegenover d, verstervingsdood? Heeft een anderi dood alleen maar voordelen, zoals te genstanders van het versterven ons wil. len doen geloven? Hoe verliep de condi. tie van de dieren die de winter overleef¬den? Treedt er dichtheidsafhankelijke regulatie op? In welke mate zijn deze dieren in de gelegenheid om natuurlijk gedrag te vertonen? Hoelang zogen koeien bijvoorbeeld hun kalf en hoeveel tijd besteden kalveren aan spelgedrag?
Ik heb zolang dit debat gaande is, dit soort feiten veel te weinig gezien. Wil je als organisatie draagvlak krijgen voor de dingen die je doet, dan begint dat bij een zorgvuldige verzameling van dergelijke feiten die vervolgens in begrijpelijke taal naar diverse doelgroepen moeten worden doorgesluisd.

Wat is feitelijk bekend over het effect van het beleid in de de oostvaardersplassen op het welzijn van de grote grazer? Is van de Heckrunderen die de winter niet hebben overleefd, nauwkeurig vastgesteldsteld hoe oud deze waren en wat hun afstamming was? Is van alle dode diermateriaal verzameld en opgeslagen voor nader onderzoek? Waren het vooral dieren met een slechte conditie die de wij ter niet
overleefden? Is de aanvang, de duur en de intensiteit van het verstervingsproces vastgelegd? Hoe verliep dit precies, wanneer trad bewustzijnsvermindering en bloeddrukdaling op en hoe lang duurde het voordat de dood in trad? Was de hoofdoorzaak alleen een slechte conditie of speelden ook ander factoren een rol? Wat staat tegenover de verstervingsdood? Heeft een ander dood alleen maar voordelen, zoals tegenstanders van het versterven ons willen doen geloven? Hoe verliep de condi.tie van de dieren die de winter overleefden? Treedt er dichtheidsafhankelijke regulatie op? In welke mate zijn deze dieren in de gelegenheid om natuurlijk gedrag te vertonen? Hoelang zogen koeien bijvoorbeeld hun kalf en hoeveel tijd besteden kalveren aan spelgedrag?
Ik heb zolang dit debat gaande is, dit soort feiten veel te weinig gezien. Wil je als organisatie draagvlak krijgen voor de dingen die je doet, dan begint dat bij een zorgvuldige verzameling van dergelijke feiten die vervolgens in begrijpelijke taal naar diverse doelgroepen moeten worden doorgesluisd.
Nu is Staatsbosbeheer geen onderzoeksorganisatie en het gaat hier om een publiek belang. Daarom zou het de minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid sieren als hij in de besteding van de onderzoeksmiddelen die hem ter beschikking staan ook nadrukkelijk ruimte zou maken voor het ontwikkelen van dit soort kennis. Kennis als beleidsinstrument was immers het motto van minister Veerman van Landbouw. Misschien kan de meevaller in de aardgasbaten voor een deel besteed worden aan kennisontwikkeling betreffende het levensloopwelzijn van grote grazers bij natuurbeheer.
Een ander argument dat minister Veerman nog zou kunnen aanspreken is dat het innovatieve natuurbeleid dat door Staatsbosbeheer in de Oostvaarderplassen wordt ontwikkeld, een belangrijk exportproduct kan worden. Nu al worden de Oostvaardersplassen jaarlijks door tientallen buitenlandse delegaties uit Europa en een enkele keer zelfs uit de Verenigde Staten en Japan opgezocht. Ze komen om te zien hoe met natuurlijke processen de natuur opnieuw tot ontwikkeling kan worden gebracht en ook verdwenen soorten kunnen terugkeren. Ook vanuit dat perspectief wordt het hoog tijd dat het natuurbeleid in de Oostvaardersplassen met onderzoek wordt ondrsteund, zodat we op termijn op basis van wetenschappelijke feiten kunnen evalueren of dit natuurbeleid ook past in de postmoderne samenleving, zonder iedere winter opnieuw onder vooral emoties bedolven te worden.

Nu is Staatsbosbeheer geen onderzoeksorganisatie en het gaat hier om een publiek belang. Daarom zou het de minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid sieren als hij in de besteding van de onderzoeksmiddelen die hem ter beschikking staan ook nadrukkelijk ruimte zou maken voor het ontwikkelen van dit soort kennis. Kennis als beleidsinstrument was immers het motto van minister Veerman van Landbouw. Misschien kan de meevaller in de aardgasbaten voor een deel besteed worden aan kennisontwikkeling betreffende het levensloopwelzijn van grote grazers bij natuurbeheer.
Een ander argument dat minister Veerman nog zou kunnen aanspreken is dat het innovatieve natuurbeleid dat door Staatsbosbeheer in de Oostvaarderplassen wordt ontwikkeld, een belangrijk exportproduct kan worden. Nu al worden de Oostvaardersplassen jaarlijks door tientallen buitenlandse dele¬gaties uit Europa en een enkele keer zelfs uit de Verenigde Staten en Japan opgezocht. Ze komen om te zien hoe met natuurlijke processen de natuur op¬nieuw tot ontwikkeling kan worden gebracht en ook verdwenen soorten kunnen terugkeren. Ook vanuit dat perspectief wordt het hoog tijd dat het natuurbeleid in de
Tuurlijk, de Oostvaardersplassen is een uniek gebied met herten, runderen en paarden die kunnen genieten van de vrijheid en ruimte in dit gedeelte van de polder. Dat is ook de reden waarom het bestuur van het Veluws Hert vandaag te gast is bij dit terrein van Staatsbosbeheer. Vandaag staat niet de discussie centraal over een klein, maar belangrijk deel van het verschil in mening over het gevoerde beheer, maar vandaag genieten we van de schoonheid en onze liefde voor de natuur en zullen dus juist onze overeenkomsten benadrukken.

Jan Griekspoor, faunabeheerder, vergezeld van Piet Winterman, regio-directeur SBB waaronder de OVP valt, Feitse Boersma en.... Van onze kant is het voltallige bestuur aanwezig.

Op de Beemdlanden is onze eerste stop. We zien een immens grote kudde Konikpaarden met op de achtergrond edelherten. De paarden zetten zich op een gegeven moment in beweging en trekken in een bijna halve cirkel op zo''n 500 meter om ons heen. De achterhoede gaat gehuld in een grote stofwolk, die meters boven de paarden uitstijgt en voor ons het zicht op hun grotendeels ontneemt. Geluid, gevoel, reuk en zicht maken dit tot een intense ervaring.

Vervolgens rijden we door langs de dijk in het gebied, die het nattere gedeelte van het drogere gedeelte scheidt. Het riet staat zeker twee meter hoog en ontneemt ons het zicht op de omgeving. Af en toe zien we enkele herten het pad oversteken of half verscholen staan tussen het riet. Ook deze herten staat te ver weg om ze te kunnen beoordelen, wel valt op dat ze ril zijn (alert en op afstand blijven). Het gras is weliswaar kort, maar levert momenteel voldoende voedsel voor de 3100 grazer met hun aanwas. De dode wilg (door de watermerkziekte) en dode vlier (door het schillen van de bast) geven een ondertussen een kenmerkend aanblik.

We staan nu aan de "overkant" van het Fluitbos, het verste punt van onze rit, en we rijden over de beheersweg langs het spoor terug naar het beheersgebouw. We praatten onder het nuttige van een drankje nog gezellig even na.

Image
Eerste stop op de Beemdlanden

Image
Op niet al te grote afstand staat een
grote kudde Konikpaarden

Image
Enkele paarden zijn niet bang en nieuwsgierig en
laten zich op een paar meter benaderen. Het rechter paard is hoogdrachtig.

Image

Image

Image
Een stofwolk stijgt ver boven de paarden uit.

Image
Een groot roedel geweidragers.

Image
Een hinde maakt zich net voor de auto
snel uit de voeten

Image
Tussen de klaver groeien hier geweien.

Image
De herten laten zich niet benaderen en
blijven op flinke afstand.
Hieronder de link naar het herziene advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden 18-8-2005

http://www.veluwshert.nl/forumfotomap/Advies_OVP_def_18-08-05.pdf

Commentaar van Het Veluws Hert: Hoera !

Wij zijn zeer verheugd dat dit advies in met deze inhoud tot stand gekomen is.

Dit advies weerspiegelt de ideeën en standpunten van het bestuur van het Veluws Hert en hopen en verwachten dat minister Veerman het advies zal overnemen.
CDA-Tweede Kamerlid Henk Jan Ormel wil dat er een onafhankelijke buitenlandse commissie komt om een advies te geven over de Oostvaardersplassen. Dat zal hij donderdag voorstellen tijdens het debat in de Tweede Kamer.

Ormel had in februari de discussie aangezwengeld toen bleek dat veel grote grazers de hongerdood stierven. Op verzoek van de minister kwamen zowel de Raad voor het Landelijk Gebied als de Raad voor Dierenaangelegenheden met een advies. Beide adviezen bleken echter lijnrecht tegenover elkaar te staan. Vandaar dat Ormel nu een derde, onafhankelijk advies wil.

De in te stellen commissie moet binnen drie maanden met het nieuwe advies komen. Het advies is een bindend advies, minister Veerman van Natuur moet de nieuwe aanbevelingen direct opvolgen.
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

ons kenmerk: DN. 2005/2857
datum: 07-09-2005
onderwerp: Advies en gegevens Oostvaardersplassen

Bijlagen: 3

Geachte Voorzitter,

Ter voorbereiding op het Algemeen Overleg van 8 september over het beheer van grote grazers in de Oostvaardersplassen doe ik u de volgende aanvullende informatie toekomen:

Het advies van de Raad voor Dieraangelegenheden over de wintersterfte
Op 23 juni heb ik u mijn evaluatie doen toekomen van de situatie met betrekking tot de grote grazers in de Oostvaardersplassen de afgelopen winter (Kamerstuk 29 800 XIV Nr. 100). Deze evaluatie heb ik opgesteld op grond van cijfers van Staatsbosbeheer en een voorlopig gezamenlijk advies van de Raad voor Dieraangelegenheden (RDA) en de Raad voor het Landelijk Gebied (RLG), dat is uitgebracht op 14 juni. De RDA heeft uiteindelijk niet kunnen instemmen met het gezamenlijk advies van 14 juni en heeft 18 augustus een nieuw zelfstandig advies uitgebracht. Dit advies gaat hierbij.

Het calamiteitenplan van Staatsbosbeheer (SBB) met betrekking tot bijvoeren.
Naast deze richtlijnen voor bijvoeren in de Oostvaardersplassen heeft Staatsbosbeheer een handboek crisisbeheersing en richtlijnen voor omgaan met dierziektes opgesteld. De definitieve versies daarvan komen in de herfst van 2005 beschikbaar.

Brief van SBB met gevalideerde gegevens over de wintersterfte 2000-2005
Dit zijn de gegevens uitgesplitst naar leeftijd en geslacht, die ik heb toegezegd in mijn antwoord op de vragen van 20 juni door de heer Ormel. Bij deze brief van SBB zijn ook de telgegevens van 2005 gevoegd.
Tot nu toe was er jaarlijks nog sprake van groei van het aantal dieren door natuurlijke aanwas. Uit de bijgevoegde monitoringsgegevens van het RIZA (zie brief SBB-2005-3549) blijkt dat de natuurlijke terugkoppelingsmechanismen, die voorkomen dat populaties te ver doorgroeien, beginnen te werken.
Hierbij is tevens door SBB aangegeven welke aanpassingen in het beheer zijn c.q. worden doorgevoerd.


De minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit,

dr. C.P. Veerman

Bijlagen:
Advies van de RDA over de wintersterfte in de Oostvaardersplassen
http://213.84.122.161/forumbijlages/20050818RDA_advies.pdf

Brief van Staatsbosbeheer (SB.2005-3594) met geconsolideerde gegevens over de wintersterfte en zomertellingen
http://213.84.122.161/forumbijlages/2005_SBB_Telling.pdf

Het calamiteitenplan van Staatsbosbeheer m.b.t. bijvoeren
http://213.84.122.161/forumbijlages/2005calamiteiteinplanOVP.pdf
Vandaag debatteert de Tweede Kamer over het welzijn van de dieren in de Oostvaardersplassen. In dit gebied wordt zo min mogelijk ingegrepen door de mens, wat steeds tot discussies leidt. De Raad voor Dieren Aangelegenheden (RDA) is van mening dat het in de Oostvaardersplassen gaat om ‘gehouden’ dieren. Eerder dit jaar heeft een werkgroep van de Raad voor het Landelijk Gebied en de RDA gezamenlijk een advies aan de Minister uitgebracht waarin wordt geconcludeerd dat de manier waarop Staatsbosbeheer de Oostvaardersplassen beheert, conform de geldende wet- en regelgeving is ingevuld. Het gekozen predatormodel is volgens Staatsbosbeheer het meest optimale model vanuit het dierenwelzijn.


De Oostvaardersplassen
De Oostvaardersplassen is een natuurgebied van ca 6000 ha. Het gebied heeft internationale erkenning als natuurgebied en een diploma van de Raad van Europa voor excellent natuurbeheer. De natuur wordt hier zo min mogelijk beïnvloed door de mens en dit geeft goede resultaten. Nieuwe soorten als de grote zilverreiger, de zeearend en recent nog de monniksgier laten zich in dit gebied zien. Ook grote kuddes wild levende dieren, de grote grazers, kunnen zich zonder noemenswaardig menselijk ingrijpen handhaven.

De grote grazers
Heckrunderen, konikpaarden en edelherten begrazen de Oostvaardersplassen. Edelherten worden beschouwd als echte wilde dieren en Heckrunderen en konikpaarden zijn opnieuw verwilderde diersoorten. Zij verblijven al meer dan 25 jaar in de Oostvaardersplassen. Inmiddels zijn alle dieren hier geboren en kennen zij ieder plekje in het gebied. Zij weten precies waar in welk seizoen eten te halen is.

Wet- en regelgeving
De wet en regelgeving spreekt over 'gehouden' en 'niet gehouden' dieren. De dieren in de Oostvaardersplassen zijn benoemd als 'niet gehouden' dieren. Dit is vastgelegd in de leidraad grote grazers. Dit voorjaar heeft een werkgroep bestaande uit de Raad voor het Landelijk Gebied en de RDA dit advies ook uitgebracht aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De Oostvaardersplassen is volgens de wet en uitspraken van de Minister een natuurgebied waar de edelherten wilde dieren zijn en de Heckrunderen en konikpaarden 'niet gehouden dieren'. De conclusie van deze werkgroep was dat het beheer van de Oostvaardersplassen conform de geldende wet- en regelgeving is ingevuld en dat het gekozen predatormodel vanuit dierenwelzijn het meest optimale model is.

RDA
De RDA heeft onlangs een nieuw advies uitgebracht dat in strijd lijkt te zijn met het voorgaande. De RDA beschouwt de dieren nu als 'gehouden dieren' hetgeen niet strookt met de uitspraken van de Minister. Dit brengt de nodige gevolgen met zich mee. Met dit nieuwe advies luidt de aanbeveling: schiet de edelherten dood, verkoop het vlees, geef de runderen oormerken in hun oren en voorzie de paarden van een chip in hun lijf.

Visie Staatsbosbeheer
Staatsbosbeheer is van mening dat in het wild levende dieren zelf mogen uitmaken wanneer ze aan sterven toe zijn. In de Oostvaardersplassen overleeft 78% van de edelherten de winter, terwijl dat op de Veluwe rond de 35% ligt. Hier werden bijna 1000 herten doodgeschoten. De commotie over de wintersterfte is volgens Staatsbosbeheer met name een poging om jacht in het gebied mogelijk te maken. Klik hier voor het dossier over de Oostvaardersplassen
In het overleg met Minister Veerman onder voorzitterschap van mevouw Pierik en de kamerleden mevrouw van Velzen (SP), mevrouw Vos (GroenLinks), mevrouw Kruijssen (PvdA), mevrouw Snijder-Hazelhoff, de heer van den Brink (LPF), de heer Ormel (CDA)

Kernvraag was: Moet het experiment in de Oostvaarderplassen worden voortgezet?

Drie conclusies/actiepunten zijn uit het overleg naar voren gekomen:

Minister Veerman van Landbouw gaat een internationaal gezelschap van natuurbeheerders en wetenschappers advies vragen over het natuurgebied Oostvaardersplassen tussen Lelystad en Almere. Het advies moet op 9 december beschikbaar zijn, indien de tijdsdruk de kwaliteit van het advies niet in de weg staat. Een kamermeerderheid stuurde in debat met de minister aan op het onderzoek, dat met name moet aangeven hoeveel dieren in het Flevolandse gebied kunnen leven.

Voorlopig mag het bestaande, ter discussie staande, beheer door Staatbosbeheer niet worden uitgebreid naar het Kotterbos en/of het Hollandse Hout.

De geplande robuuste verbinding met de Veluwe moet mogelijk voorrang krijgen

Commentaar Vereniging tot Behoud van het Veluws Hert:
Het Veluws Hert is blij dat er een onderzoek door onafhankelijk, internationaal hoog aangeschreven experts op het gebied van natuurbeheer. Of het advies tijdig klaar zal zijn betwijfelen wij, gezien de korte beschikbare tijd van drie maanden, ook zou het heel zinvol zijn de situatie gedurende de winter/vroege voorjaar mee te nemen in het onderzoek. Ook is het Veluws Hert blij, dat het huidige beleid niet uitgebreid mag worden naar de aanliggende bosgebieden, dit is namelijk een verschuiving van het probleem in de tijd. Bij realisatie van de robuuste verbinding valt of staat de werking ervan met de mate van geschikheid voor het edelhert en dient het beheer van de OVP en de Veluwe op elkaar afgestemd te zijn.
DEN HAAG - Minister Veerman van Landbouw vraagt een internationaal gezelschap van natuurbeheerders en wetenschappers dvies over het Flevolandse natuurgebied de Oostvaardersplassen. Zij moeten bekijken of het huidige natuurbeheer daar kan worden gehandhaafd.

Een kamermeerderheid van CDA, VVD en PvdA
stuurde donderdag in een debat met de bewindsman aan op een onderzoek dat moet aangeven hoeveel dieren in het Flevolandse gebied kunnen leven. Veerman wil echter het experiment in de Oostvaardersplassen -de dieren moeten zich daar in principe zonder menselijk ingrijpen redden met wat de natuur aan voedsel biedt- niet op voorhand afblazen. „Ik wil duidelijk hebben: is dit in Nederland realiseerbaar? En onder welke voorwaarden?”

De wijze van beheer in de Oostvaardersplassen roept steeds meer verzet op. Dit voorjaar verhongerden enkele honderden van de grote grazers, mede door de extreme kou in maart.

CDA-kamerlid Ormel, die het onderzoek voorstelde, wil voor de winter weten hoeveel grazers de Oostvaardersplassen kan huisvesten. De overtollige dieren moeten worden afgeschoten, vindt hij. Snijder-Hazelhoff (VVD) en Kruijsen (PvdA) vinden dat terreinbeheerder Staatsbosbeheer naar een oplossing moet zoeken om onnodig lijden van de dieren te voorkomen.

Minister Veerman wil eveneens onnodig dierenleed voorkomen, maar weigert het project nu al mislukt te noemen. Hij herinnerde eraan dat de kuddes konikpaarden en heckrunderen in het gebied zich stabiliseren. „Dat kan erop wijzen dat zich een evenwicht aan het vormen is.” Ook bedreigde en zeldzame dier- en plantensoorten vestigen zich in het gebied. GroenLinks en SP willen de opzet van de Oostvaardersplassen niet zomaar loslaten.
Het donderdag aangekondigde onderzoek is het derde in een jaar tijd. Eerder al brachten de Raad voor het Landelijk Gebied (RLG) en de Raad voor Dierenenaangelegenheden (RDA) een gezamenlijk en een apart advies (van de RDA) uit over het toekomstig beheer van de Oostvaardersplassen.

De Dierenbescherming is tevreden met het nieuwe onderzoek. „Het is pure winst voor de dieren dat het experiment een finale status krijgt.” De organisatie verzekert dat zij komende winter een vinger aan de pols zal houden opdat de grote grazers in de Oostvaardersplassen niet een herhaling van afgelopen voorjaar meemaken. Staatsbosbeheer hoopt dat het onderzoek „objectief” zal zijn.

Image
Drs. Dzsingisz Gabor geeft in grote lijnen het advies weer.

Image
Minister Veerman neemt het advies over.

Image
Prof. Tim Clutton-Brock (L), Prof. Rory Putman (R)
geven tekst en uitleg.

De commisie heeft gewikt en gewogen en ik denk dat we tevreden mogen zijn met het uitgebracht advies. Alhoewel de populatie niet getalsmatig beheerd dient te worden, moet er wel een flink aantal punten verbeterd en uitgebreid worden, die overeenkomen met het wensenlijstje van het Veluws Hert:

-ICMO adviseert dit jaar nog een gedetailleerde doelstelling voor de OVP gemaakt te worden en deze te publiceren.
- ICMO adviseert een reactief beheer van de grote grazers om onnodig lijden te minimaliseren. SBB moet actief reageren om er naar te streven om minimaal 90% van de dieren waarbij om welzijnsproblemen afschot vereist is, te doden, terwijl ze nog kunnen staan.
-ICMO adviseert dat in de periode februari tot medio april de grote grazers dagelijks worden gemonitored.
- ICMO adviseert een studie over permanent openstellen van het Hollandse Hout uit te laten voeren.
-Directe openstelling van het Hollandse Hout bij ongunstige omstandigheden zoals een strenge winter voor voedsel en beschutting.
-ICMO adviseert het begrazingsbeheer jaarlijks te evalueren. Van alle dieren, die worden afgeschoten of een natuurlijke dood sterven moet het tijdstip van sterfte, de conditie en het ziektebeeld gedurende het hele jaar worden geregistreerd. Jaarlijks moet een rapportage met deze gegevens openbaar worden gemaakt zodat het succes van dit beleid kan worden beoordeeld en het beleid inzichtelijker is voor het publiek.
- ICMO adviseert een verbeterd monitoringsprogramma op te stellen waarin van de belangrijkste vogelsoorten, de aantallen, verspreiding en broedsucces worden geregistreerd alsmede de structuur en dynamiek van plantengemeenschappen, de spreiding, voortplanting en conditie van de grote grazers. Deze monitoring moet worden gecombineerd met een (model)analyse om de huidige processen te identificeren, toekomstige trends te kunnen voorspellen en de bandbreedte aan te geven waarbinnen ontwikkelingen mogen optreden
- ICMO adviseert een communicatiedeskundige in te schakelen om het publiek over de beheerstrategie te informeren.

Tevens adviseert het ICMO om:
-voor beschutting te zorgen in de vorm van uitgerasterde struikachtige vegetatie.
-ICMO adviseert na 5 jaar een uitgebreid review van nieuw verzamelde dat en om op basis van nieuwe informatie alternatieven te evalueren.
-ICMO adviseert de directeur van SBB persoonlijk verantwoord te maken voor de realisering van de bovenstaande aanbevelingen

NB. Het aantal heckrunderen mag afnemen of ze mogen zelfs uitsterven in de OVP

De patienten hebben 3 weken rust gehad en kunnen weer langzaam een beetje gaan eten en ze mogen bezoek ontvangen.

Ondertussen wordt het wel tijd. Eind maart, begin april is de zwaarste tijd voor de herten, het voedsel is (al lang) op en de vetreserves ook. De laatste loodjes wegen het zwaarst , want het is nu echt interen. Niet de sterkste hebben het overleeft, maar die dieren die het best met de tot hun beschikking staande reserves hebben kunnen omgaan. Weinig verstoring helpt en het is een goede actie om de afgelopen weken afgesloten gehad te hebben.

En niet om de winterslaap van de herten te respecteren, maar gewoon om energie te sparen. Het gras begint langzaam te groeien, lngzaam want de temperatuur wil maar nog niet echt stijgen. Zodra het meerdere dagen boven 10-12 graden is, zal het gras echt gaan groeien en is het leed geleden.

Opvallend is dat er kalfjes in het Fluitbos lopen. Nog niet eerder heb ik hindes of kalfjes hier waargenomen. Het is niet op tellingen gebaseerd, maar ik krijg de indruk, dat er in verhouding meer hindes dood zijn gegaan ten opzichte van vorig jaar. Elders zie ik namelijk kleine roedeltjes kalveren, van drie tot acht dieren bij elkaar lopen. Eerdere jaren zag ik dat niet.

Image

Image

Image
Broodmager hert van circa 4-5 jaar

Image
eds afgeworpen hert met daarachter een tweede kops hert.

Image
Nog niet eerder zag ik kaalwild in het Fluitbos.
Hier hinde, smaldier, kalf

Image

Vandaag leidt Jan Griekspoor een lichting cursisten van de grofwildcursus in het gebied rond. Ook Frans Vera is van de partij, die ons laat zien dat de ideale natuur slechts een persoonlijk hersenspinsel is en niets met de werkelijkheid te maken is. "Hier ontwikkelt de natuur zich op een manier die uniek en niet te voorspellen is". Ongewild benadrukt Frans daarmee, dat het gevoerde beheer nog steeds een experiment is: de uitkomst staat niet vast.

Het valt op dat een groot deel van het gras vertrapt en zwart is, wat voornamelijk door de Heckrunderen veroorzaakt wordt. Frans verzekert ons, dat wanneer wij in september terugkomen, het een heel ander aanblik zal geven, dat het riet hiet manshoog staat en dat er volop te eten is voor de grazers.

De roedels bestaande uit voornamelijk kaalwild staan op zo'n dikke honderd meter afstand. Wanneer de bolderkar stopt vergroten de herten de afstand tot 200-250 meter. De herten zijn veelal hoekig en hier en daar loopt er een hert dat moeite heeft met lopen en sleept zich zichbaar met inspanning voort. Enkele kadavers van herten zijn zichtbaar.


Voor velen is het bezoek aan de OVP verduidelijkend. De een vindt het toch wel mee vallen en had meer strompelende herten verwachten, een ander gruwelt van de gecreerde natuur. Er worden voor de ganzen, raven, kraaien, vossen, buizaard en zeearends ideale omstandigheden geschapen, maar voor de grazers, die het gras kort moeten houden moeten het maar zelf uitzoeken en zij zijn nou net degene die niet weg kunnen vliegen.

Het aantal herten is aan het stabiliseren volgens Jan Griekspoor en procentueel steeds meer hindes krijgen geen kalfje.. Hoe het dan komt dat er vorig jaar dan toch meer kalfjes geboren zijn, (het totale aantal herten is immers met 1500 stuks gelijk gebleven) kan Griekspoor niet uitleggen en geeft vervolgens antwoord op niet-gestelde vragen. Juist door het ontbreken van gegevens is er echter ook geen conclusie te trekken, SBB kan alleen maar schatten hoeveel hindes er rondlopen of hoeveel kalfjes er geboren worden, tellingen worden er niet gedaan. En de gegevens die wel verzameld worden, van de dode dieren namelijk, worden al een jaar lang niet meer openbaar gemaakt. Sinds maart 2005 moeten de cijfers namelijk eerst gecontroleerd en geinterpreteerd worden en dan pas worden ze bekend gemaakt en wel zo, dat er geen discussie kan ontstaan. Tja en dat zal mede gezien de tijd die SBB er voor nodig heeft nog niet zo eenvoudig zijn zonder de feiten uit het oog te verliezen.

Image
De grote roedels kaalwild tussen de dode wilg.
Het is de natuur, maar het is een triest aanblik

Image
Een kleuterklasje kalveren bij elkaar. Het verbaast
me dat er slechts een of twee hinden in de buurt zijn.

Image
Waren de kalveren in de glorietijd van de OVP
groter dan de Veluwse exemplaren, nu lijken de kalveren wel kleiner te zijn.

Image
De kalfjes maken een een alerte en levendige indruk

Image

Image
Ook echt slechte herten, zoals de twee rechter exemplaren

Image

Image
Volgens Frans Vera is de natuur op het
diepstepunt aanbeland en zal het de komende tijd beter gaan.

Image
Dit hert strompelt voort en zou in het kader van het verbeterd predator model eigenlijk al afgeschoten moeten zijn.

Image
Achter de beschutting van het spoorwegtalut
warmen de herten zich bij 4 graden in de al krachtige zon

Eerder gaf SBB nog aan het Fluitbos niet meer te zullen afsluiten, behouden extreme omstandigheden. Dit onder druk van Gemeente Almere, die het Fluitbos beschikbaar wil houden voor de recreatie.

Op vragen van kamerleden van het CDA aan de minister van LNV of het Fluitbos is definitief af te sluiten is door Minister Veerman op 15 december 2005 het volgende antwoord gegeven:
Nee. Staatsbosbeheer overweegt, met het oog op dierenwelzijn, alleen bij extreme weersomstandigheden zoals strenge vorst en sneeuwperiodes. De edelherten bereiken dan een soort winterslaap, waarmee de energiebehoefte daalt tot 30% van het niveau in de zomer. Wanneer zij worden verstoord door het publiek levert dat stress op. Dat komt niet ten goede aan het dierenwelzijn en kan zelfs leiden tot sterven van het dier. Om het gebied zoveel mogelijk toegankelijk te houden voor het publiek is er geen voornemen om het gebied voor langere tijd af te sluiten.[

Die extreme situatie heeft zich dan blijkbaar aangediend, want rond het middaguur is het Fluitbos afgesloten. De twee doorgaande fietspaden zijn wel toegankelijk, dat kan ook haast niet anders. Op zich een goede zaak dat de herten rust hebben in deze periode dat ze hier de schors van de bomen eten, aan de andere kant hebben we toch weer met een extreme situatie te maken. De week sneeuw is vergelijkbaar met vorig jaar, ook de temperatuur verschilt weinig t.o.v. vorig jaar. Alleen nu een week later, niet verwonderlijk, de natuur ligt nu zelfs 3 weken achter op schema.

90 herten die ogenschijnlijk binnen twee weken het loodje zouden leggen van de honger, zijn gedood door SBB. Veel minder dan vorig jaar, gelukkig veel minder. Anderzijds ook niet verwonderlijk, vorig jaar zijn alle zwakke exemplaren gedood of doodgegaan en is de populatie gemiddeld er wat beter aan toe.

Toch is SBB onzeker, of de herten de aanwezige recreatie kan verdragen anders zouden ze het bos nu niet afsluiten. Van "in winterslaap verkerende" herten heb ik niets kunnen ontdekken. Waren er voorgaande jaren veel apathische herten, die door SBB omschreven werden als "in winterslaap verkerend"., nu was dat niet het geval. Of waren ze toen helemaal niet in winterslaap, maar door voedselgebrek niet meer in staat hun lichaamstemperatuur op peil te houden? Ik denk dat laatste.

Image
Fluitbospaden niet toegankelijk

Image
In alle rust kunnen de herten nu wat voedsel zoeken ...

Image
...rusten...

Image
en boomschors eten.

Image
Getuige de wortelen is niet iedereen is het eens
met de beslissing van de rechter om niet bij te mogen voeren.

Image
Aan de overkant staan wat Konikpaarden in de zon.

Image

Tegen half 9 komt de zon op en mag je het Fluitbos. Hier en daar staan wat solitaire herten te kijken of verplaatsen zich van hot naar her in het Fluitbos van de Oostvaardersplassen. Enkele wandelaars en trimmers brengen de herten in beweging en de herten rennen soepel en vlot maar niet ver en blijven in het gebied. Bij te hevige verstoring trekken zich de vlaktes van de Oostvaardersplassen op en vinden daar hun rust om hun "winterslaap" (uitspraak SBB) voort te zetten. Net zo als vorig jaar valt er in de eerste week van maart en pak sneeuw en vriest het boven het sneeuwdek matig, zeer vergelijkbaar met vorig jaar. Alleen toen was er een nacht bij met min 16 graden, de rest van de nachten bleef het kwik steken bij min 7 net als dit jaar. Vreemd dat de herten nu geen winterslaap houden. Of was het vorig jaar toch geen winterslaap, maar slechts de uitingen van zwaar ondervoede herten, die hun lichaam niet meer op temperatuur konden houden? Nadat er vorige winter 700 grote grazers bezweken zijn, zou je ook kunnen denken, dat de zwakke dieren het veld hebben geruimd en dat de relatief sterkere herten wel hun temperatuur op peil kunnen houden en onder de exact dezelfde omstandigheden opeens geen winterslaap verschijnselen hebben. De nog overgebleven zwakke dieren zijn, mede door de extra aandacht van de Commissie Gabor, die over de toekomst van het beheer van de OVP zal gaan adviseren, tijdig afgeschoten.Op de arme Veluwe zijn trouwens nog nooit winterslaap houdende herten gezien. Hoe zit dat nou SBB?

Image
Meestal vluchten de herten bij te hoge recreatiedruk
uit het Fluitbos. Maar nu niet, in galop rennen de herten
juist het Fluitbos in.

Image

Image

Image
Op de achtergrond het raster met het rooster...

Image
steekt een flink groot roedel over.

Image
De gang gaat er een beetje uit

Image
maar ze blijven komen.

Image
Ik heb ze niet kunnen tellen,
maar ik schat het op circa 50 herten.

Image

Image
Ze verdwijnen bijna uitzicht in een gedeelte van
het Fluitbos met weinig paden.






aantallen per 01-05-2007 01-05-2008 01-05-2009 01-05-2010






Heckrund 427

443

Konikpaard 779

901
Edelhert 1659
1514
totaal 2864

2858

Den Haag - De grazers in de Oostvaardersplassen moeten niet aan hun lot worden overgelaten. Om hun een wisse hongerdood te besparen zou een deel van de runderen, paarden en herten al voor de winter afgeschoten moeten worden.
Een meerderheid in de Tweede Kamer is dat eens met de Raad voor Dieraangelegenheden.
Die raad, die minister Veerman (Natuur) van advies dient, komt deze week met een rapport waarin staat dat de kuddes kleiner moeten omdat er 's winters in het gebied onvoldoende te grazen valt. De afgelopen jaren is er elke winter na een vorstperiode weer veel ophef over stervende en dode dieren. Bezoekers storen zich daaraan, omdat volgens hen de herten, runderen en paarden onnodig lijden. Volgens Staatsbosbeheer, die het gebied onder zijn hoede heeft, is dat nu eenmaal de natuurlijke gang van zaken.
Eerder adviseerde de Raad voor Dieraangelegenheden ook om de natuur haar gang te laten gaan maar de raad komt daar nu op terug.
Afgelopen winter stierven er 340 edelherten in de Oostvaardersplassen, 231 Heckrunderen en 126 konikpaarden. Volgens CDA-Tweede-Kamerlid Henk-Jan Ormel is het een illusie om te denken dat we in ons land nog oernatuur hebben. Het afschot is nodig om nog meer dierenleed te voorkomen, vindt hij.

Image

Ook VVD-Kamerlid Janneke Snijder- Hazelhoff en haar LPF-collega Wien van den Brink zijn erg blij met het advies van de raad. "We hadden veel eerder moeten ingrijpen", aldus Snijder. De Kamer debatteert donderdag over de kwestie

Image

Minister Veerman is bereid te bezien of het wild in de Oostvaardersplassen de komende winter meer leefruimte kan krijgen. Als veel dieren dreigen te sterven door honger, zouden ze eventueel ook kunnen grazen in de Hollandse Hout.

Om dat bos moeten dan wel hekken en rasters komen. Ook zijn maatregelen voor de verkeersveiligheid nodig. Onduidelijk is of dat snel gerealiseerd kan worden.

De afgelopen jaren leidde de dreigende sterfte in de Oostvaardersplassen aan de eind van de winter tot discussies. Uiteindelijk stierven enkele tientallen konikpaarden, heckrunderen en edelherten meer dan normaal, volgens Staatsbosbeheer.


Bron: de Stentor 3-11-2006

Commentaar Veluws Hert:
"Meer dan normaal" blijkt dus 25% van de gehele populatie te zijn. In 2005 gingen er 700 grazers van de 3000 dood.



Foto: Arjen Boerman

3 januari naar de Oostvaardersplassen geweest, door het Fluitbos een rondwandeling gemaakt. Het bos was zeer rustig met recreanten, dus de herten bleven mooi staan en waren totaal niet schrikachtig of schuw. Het viel mij op dat de herten redelijk vet de moeilijke komende maanden ingaan. Van deze roedel die bestond uit ongeveer 20 herten, waren er maar twee in vrij slechte conditie. Dit waren allebei vrij oude herten, hun geweien waren al vrij ver terugezet.

Arjen Boerman