De Oostvaardersplassen:

een alternatief voorstel

voor het (begrazings-)beheer

van dit unieke natuurgebied

Vereniging Het Edelhert

Apeldoorn, november 2010

Download alternatieve beheersvisie OVP als pdf

Download alternatieve beheersvisie OVP als doc

Met volledige steun van:


Inhoudsopgave

0. Samenvatting / Summary. 3

1. Inleiding. 4

2. Doelstelling Oostvaardersplassen. 6

2.1 Doelstellingen vanuit de Beheervisie 1995. 6

2.2 Doelstellingen vanuit Natura-2000. 6

3. Confrontatie actueel beheer en doelstelling. 8

3.1 Effecten van het beheer 8

3.1.1 Ganzenbegrazing….. 8

3.1.2 ….. in combinatie met begrazing door grote grazers. 9

3.2 Conclusie huidig beheer versus de doelstellingen. 12

4. Alternatief 13

4.1 Advies op hoofdlijnen. 13

4.2 Lerend beheren (plan-do-check-act) 13

4.3 Beheerscenario’s. 15

Bronnen. 18

Bijlage 1: Essentietabellen Natura2000 v.w.b. de Oostvaardersplassen. 19

Bijlage 2: Europees Diploma Beschermde Gebieden. 22


0. Samenvatting

Samenvattend is te stellen dat het gevoerde begrazingbeheer van de afgelopen 14 jaar in de Oostvaardersplassen (OVP) heeft geleid tot:

  • Afname van broedvogelsoorten met 30%.
  • Afname met 50% van overgebleven vogelsoorten.
  • Afsterven van vlier en wilg met circa 6% per jaar.
  • Aanzienlijke afname in de variatie in vegetatiestructuur.

 

Er kan dan ook niet anders geconcludeerd worden dan:

  • Door het ‘hands-off’-beheer van de grote grazers (achteraf) prioriteit te geven worden de beoogde oorspronkelijke, prioritaire doelsoorten verwaarloosd.
  • Hierdoor voldoet het gevoerde beleid van de laatste 14 jaar op geen enkele manier aan de eigen, interne, beheerdoelstelling van SBB uit 1995 en aan de doelstellingen vanuit Natura2000 (vooral op basis van de vogelrichtlijn).

Het huidige ‘hands-off’-beheer van de aanwezige grote grazers kent hoofdzakelijk negatieve effecten voor overige (prioritaire) soorten en over het geheel zijn de gevolgen voor de totale biodiversiteit ook negatief.

 

Voorgesteld wordt daarom een andere weg in te slaan, en wel die van lerend beheren, met als uitgangspunt: regulatie van de populaties grote grazers door middel van beheer (actief ingrijpen) van de dieren op basis van streefstanden. De streefstanden worden voordurend gecontroleerd of ze bijdragen aan de gewenste doelen, dit via het concept van lerend beheren (hanteren van de plan – do – check – act cyclus).

 

 

 

 


1. Inleiding

 

De Oostvaardersplassen (verder: OVP) zijn internationaal bekend. Een stukje Nederland dat zo natuurlijk mogelijk beheerd wordt. Lof alom, ook internationaal. Het heeft zelfs geleid tot toekenning van het Europees Diploma Beschermde Gebieden (zie ook bijlage 2). Ondanks de internationale erkenning denkt de Vereniging Het Edelhert (verder: VHE) dat het beheer van de OVP voor de toekomst op een belangrijk vlak aanpassing behoeft, en wel op het gebied van het gevoerde begrazings- en waterbeheer, waarbij door VHE de nadruk gelegd wordt op het begrazingsbeheer. De door VHE voorgestelde aanpassingen brengen de internationale erkenning niet in gevaar, sterker: VHE denkt dat de internationale erkenning bij implementatie van onze voorstellen alleen maar sterker zal worden.

Op 19 maart 1992 werden een 40-tal edelherten door mevrouw Maij - Weggen uit het gewenningsraster vrijgelaten in de OVP. Bij deze bijzondere gebeurtenis was dr. J. van Haaften gevraagd een verhaal te houden over het edelhert, de toebedeelde taak van het hert in dit gebied, maar ook over het toekomstig beheer! Hierbij werd toen al duidelijk gesteld dat er op dat moment nóg een grote grazer in de OVP kwam en dat er voedsel in overvloed was, maar dat deze situatie na een aantal jaren er geheel anders uit zou zien als er niet van meet af aan beheerd zou worden. Dat beheer heeft nooit plaatsgevonden en de gevolgen daarvan zijn dan ook niet uitgebleven.

 

Toen Staatsbosbeheer de OVP op 1 januari 1996 in beheer kreeg van

Rijkswaterstaat, was door een breed samengestelde beheercommissie[1] een nieuwe lange termijn beheervisie opgesteld, nader aangehaald in hoofdstuk 2. Al in 1996 startte Staatsbosbeheer een brede interne discussie over deze visie en de doelstelling die op het gebied lag. Er werd in 1996 tevens advies gevraagd aan de Raad voor het Natuurbeheer over het al dan niet ingrijpen in de populaties grote grazers. De raad adviseerde slechts in te grijpen bij extreme situaties; de verhouding tussen systeembeschermers en soortbeschermers werd hierdoor verscherpt. VHE schreef naar aanleiding van voorgaande op 5 juni 1996 een brief aan de minister van LNV waarin zij haar zorgen kenbaar maakte over de terugtredende beheerintensiteit. Op dat moment was er al een veterinaire Begeleidingscommissie ingesteld, die medio 1996 een beleidslijn publiceerde over de gezondheid en welzijn van grote grazers in natuurgebieden. Onderzoek en discussies volgden en ook internationale contacten werden aangegaan of versterkt, onder andere met een omrasterd nationaal park in Canada.

 

Gedurende een periode van 5 jaar kwam Staatsbosbeheer meer en meer tot de overtuiging dat het gebied veel natuurlijker zou kunnen en moeten worden beheerd. Tijdens de winter van 1998 -‘99 kwam echter de eerste maatschappelijke discussie al op gang. Niet veel later, op 31 maart 1999, werden de eerste Kamervragen gesteld door drie VVD-kamerleden. Dit resulteerde in een algemeen overleg met de toenmalige Staatssecretaris voor natuurbeheer, mevrouw Faber, op 2 juni 1999. Zij gaf in dit overleg aan dat men streefde naar natuurlijke begrazing met minimale ingrepen door de mens in een tweetal gebieden: de OVP en Nationaal Park Veluwezoom. Zij baseerde zich hierbij op informatie van onder andere het Wereld Natuur Fonds en stuurde de Kamerleden een brochure toe met de pakkende naam: ‘Natuurlijke begrazing, de sleutel van ontwikkeling van volledige natuur’. Ook zegde zij de Kamer toe op korte termijn te komen met een Leidraad Grote Grazers, waarin het beleid nader zou worden omschreven. Deze leidraad werd op 19 januari 2000 aan de Kamer aangeboden.

 

Helaas verstomde de polemiek hiermee niet. De aantallen grazers namen nog steeds exponentieel toe en dit leidde tot een toenemend publiek debat over hoe om te gaan met de grazers in de OVP. In de winter van 2005 verhongerden ruim 700 dieren. VHE trok weer aan de bel en had, mede op aandringen van Staatsbosbeheer, overleg met Kamerleden. Een Spoeddebat volgde en dit leidde tot de instelling van een internationale commissie, de ICMO[2]. Het ICMO kwam in juni 2006 met een advies dat door alle betrokken partijen werd aanvaard (ICMO, 2006). In 2006 liep ook de tienjarige periode van onderzoek door het RIZA[3] af. De resultaten werden SBB toegestuurd en zouden als basis dienen voor een nieuwe beheervisie voor het gebied. Helaas heeft SBB slechts beperkt gebruik gemaakt van de onderzoeksresultaten van het RIZA en kwam zij in april 2008 met een eigen visie, ‘Voorbij de horizon van het vertrouwde’ (Vera, 2008)

 

De winter van 2009/2010 was voor de grazers hard en lang. Indringende Tv-beelden waren aanleiding voor 2 spoeddebatten binnen 7 weken. De Kamer dwong de Minister tot maatregelen, bijvoeren van schraal hooi, en wetende dat dit nooit een lange termijnoplossing kan zijn, gaf zij aan op korte termijn weer advies te vragen aan een internationale commissie.

Deze zal dit najaar samenkomen en na verloop van tijd met een vernieuwd advies komen.

 

Met deze nota probeert VHE een eerlijke en positieve bijdrage te leveren voor een lange termijnoplossing, waarbij recht wordt gedaan aan de biodiversiteit, de prioritaire aandachtssoorten waarvoor Nederland een speciale verantwoordelijkheid heeft en het welzijn van de door de mens ingebrachte grote grazers en edelherten.

 

Kader

Successie in de Oostvaardersplassen

De OVP bestonden in de eerste jaren na de drooglegging uit rietgedomineerde levensgemeenschappen; het grootschalige en dominante voorkomen van rietvegetaties werd bewerkstelligd door de mens doordat deze op grote schaal riet inzaaide als voorbereiding op de ontginning van de polder.

Deze rietvegetatie kwam geheel, en komt deels nog steeds, overeen met plantengemeenschappen uit de Riet-klasse (Phragmitetea). De in deze klasse vallende gemeenschappen behoren tot de hoog productieve verlandingsgemeenschappen, worden gekenmerkt door hoge grassen en grote zeggen, en zijn veelal soortenarm en weinig ‘bloemrijk’. Zonder maaibeheer gaan deze (doorgaans kort levende) gemeenschappen over in struweel en broekbos. Net boven de waterlijn maaien in de winterperiode kan deze gemeenschappen lang(er) in stand houden. Na het staken van het maaien zal de successie door strooisel ophoping via een stadium van rietruigte weer overgaan in bos.

Door beweiding toe te passen als beheermaatregel in plaats van maaien zal het riet afnemen en op de drogere delen overgaan in graslanden of in rompgemeenschappen (sterk verarmde basisgemeenschappen). Welke grasland- en rompgemeenschappen dat zullen zijn is afhankelijk van de standplaats en de mate van verstoring.

Zowel maaien als intensief beweiden gaat de natuurlijke bosvorming tegen.

 




 

2. Doelstelling Oostvaardersplassen

 

De enige manier om iets zinnigs te kunnen zeggen over de grazers in de OVP is door hun aantallen, en daarvan afgeleid hun effecten, te relateren aan de natuurdoelen die aan het gebied de OVP zijn toegekend. Enerzijds zijn deze min of meer ‘interne’ doelen, afkomstig uit de eigen beheervisie en opgesteld door de Beheerscommissie in 1995, anderzijds zijn dit internationaal (Europa) opgelegde doelen in het kader van Natura-2000.

 

2.1 Doelstellingen vanuit de Beheervisie 1995

 

De Beheerscommissie Oostvaardersplassen stelt in haar Beheervisie (1995): ‘De OVP zullen, als kerngebied in de EHS, worden ontwikkeld en beheerd als een samenhangend moerasecosysteem waarin spontane natuurlijke processen zich zoveel mogelijk ongestoord kunnen afspelen, waarbij het gebied als habitat voor internationaal belangrijke soorten – in ieder geval voor de prioritaire en aandachtssoorten uit het NBP (lepelaars, reigerachtigen, steltlopers en ganzen) – behouden blijft’.

 

De OVP bestaan uit een door mensen gemaakt (!) en ingesloten moerasgebied van 3600 ha en een randzone van 1900 ha (Vulink et al., 2009a). In dat laatste gebied lopen alle door de mens uitgezette grazers. Deze combinatie is belangrijk voor het functioneren van het systeem. Binnen de moeraszone vinden broedende soorten als kiekendieven, lepelaars en reigerachtigen bescherming tegen predatie door vossen; deze soorten foerageren vervolgens in de randzone en in de rest van de polder.

 

Voor de randzone geldt een aparte doelstelling (Beheercie OVP, 1995): ‘Grote herbivoren zijn in staat om zonder menselijk ingrijpen het gebied jaarrond te begrazen en zij kunnen de verschillende gewenste landschapstypen (droog grasland, riet, ruigte en struweel) creëren en in stand houden. Zij bieden daarmee een duurzaam habitat voor de in de doelstelling genoemde prioritaire soorten.’ Objectief gezien wordt hiermee eigenlijk meer een niet nader onderbouwd statement gegeven over de zelfredzaamheid van de grote grazers dan dat er sprake is van een geformuleerde natuurdoelstelling!

 

Ondanks de laatste opmerking over de aard van de ‘aparte doelstelling’, geldt duidelijk dat de grote grazers ten dienste staan van de prioritaire soorten en vormen geen op zich zelf staande doelstelling.

 

2.2 Doelstellingen vanuit Natura-2000

 

De OVP is aangewezen als Natura-2000 gebied op basis van de Vogelrichtlijn (zie ook bijlage 1).

 

De doelstelling is gericht op behoud dan wel verbetering van:

  • De omvang van het gebied t.b.v. met name genoemde soorten.
  • De kwaliteit van het gebied t.b.v. met name genoemde soorten.
  • De omvang van de populatie van met name genoemde broedvogelsoorten in termen van broedparen.
  • De draagkracht van het gebied voor populatie van met name genoemde niet-broedvogelsoorten in termen van aantallen vogels.
  • De zorg dragen voor in omvang en kwaliteit voldoende ruiplaatsen en rustgebieden voor met name genoemde vogelsoorten.
  • Herstel van grote oppervlakten/brede zones overjarig riet, inclusief waterriet, door herstel van natuurlijke peildynamiek en tegengaan verdroging voor met name genoemde soorten.
  • Het behouden en ontwikkelen van in omvang en kwaliteit voldoende plasdras-situaties voor met name genoemde soorten.

 


3. Confrontatie actueel beheer en doelstelling

 

3.1 Effecten van het beheer

 

3.1.1 Ganzenbegrazing…..

 

Het ICMO (2006) gaf al kritiek op de dubbele doelstelling van de OVP, dus enerzijds volop de ruimte geven aan natuurlijke processen en anderzijds het handhaven van een bepaalde toestand van het natuurgebied en bijbehorende soortenrijkdom. Vulink et al. (2009b) geven onomwonden weer dat de OVP de afgelopen jaren veel aan diversiteit verloren hebben. Gesteld wordt dat de afnemende soortenrijkdom en lagere aantallen van met name water- en moerasvogels nauw samenhangen met het gevoerde beheer.

 

De grote grazers (paragraaf 3.1.2) zijn aanwezig in wat de ‘randzone’ genoemd wordt. De ganzen grazen zowel in de moeras- als randzone. De moeraszone wordt door de ganzen intensief begraasd tijdens de vleugelrui. Op dat moment oefenen ze dan ook hun grootste invloed op de diversiteit van de rietvegetatie uit. Het grasland in de randzone is voornamelijk voor en na de vleugelrui van belang om weer op te kunnen vetten. Met andere woorden: de ruiende ganzen zijn de verbindende schakel tussen de moeraszone en de randzone.

 

De belangrijkste stuurvariabelen zijn het waterpeil en de begrazingsdruk (Vulink et al., 2009a). Door begrazing wordt eenvormig onbegraasd geïnundeerd riet omgezet in een mozaïek van begraasd riet en ondiep open water. De gewenste begrazing wordt echter niet zozeer door de ganzen bepaald maar wordt vooral gestuurd door het peilbeheer. Via drooglegging kan een snelle generatieve uitbreiding van riet worden bereikt. Met een hoger waterpeil dan 50 cm kan ganzenbegrazing worden verhinderd. Voor de begrazing door ganzen kan onderscheid worden gemaakt tussen zomerbegrazing en winterbegrazing. Daar waar de begrazingsdruk en het peilbeheer niet goed op elkaar worden afgestemd kan dit leiden tot het volledig verdwijnen van oever- en geïnundeerde rietvegetaties. De oorzaak-gevolg-keten ziet er als volgt uit:

 

 

 

beheer waterpeil à reguleert de begrazingsdruk à variatie hierin zorgt voor habitatdiversiteit en de daarmee de biodiversiteit van het wetland

(Vulink et al., 2010 en 2009a).

 

 

 

Begrazing door ganzen is gunstig voor de kwaliteit van het rietland. In de ruitijd grazen ze zoveel in de moeraszone dat ze de verlanding tegenhouden en zelfs terugdraaien (zie eerdere kader over successie). Daar waar ganzen niet kunnen grazen ontstaat weer een goed ontwikkelde rietkraag. In het recente verleden werden de waterpeilen in de compartimenten binnen de OVP zodanig ingesteld dat daardoor de begrazing door de ganzen gestuurd werd. Hierdoor blijft de habitatdiversiteit voldoende groot voor bijvoorbeeld moerasbroedvogels. Begrazing door ganzen is hier de belangrijkste sturende factor.

Figuur 1: De moeraszone en de randzone, zoals aangeduid in de tekst (naar Vulink et al., 2009a).

 

3.1.2 ….. in combinatie met begrazing door grote grazers

 

De ree is door de concurrentie met de grote grazers vrijwel geheel verdwenen. Ook de kleine herbivoren haas, konijn en veldmuis zijn sterk afgenomen. De graasdruk in de randzone door de grote herbivoren is tussen 1996 en 2008 toegenomen van 0,8 tot 2,5 dier/ha. Dit heeft tot gevolg dat de vegetatiesamenstelling en –structuur vooral bepaald wordt door die graasdruk, in combinatie met de graasdruk van overwinterende ganzen. In de wintermaanden worden vlier en wilg (en ook populier en es) massaal geschild. De oppervlakte bomen en struweel wordt snel kleiner. Droog grasland is wat er voor in de plaats komt. In de winter en het vroege voorjaar is nu ook sprake van concurrentie in plaats van facilitatie tussen de ganzen en de grote grazers. Uit onderzoek door Bijlsma (2008) zijn de volgende veranderingen ten aanzien van broedvogels en kleine fauna geconstateerd: de broedvogelsoorten in het begraasde buitenkaadse deel zijn tussen 1997 en 2007 met 30% afgenomen (van 100 naar 70 soorten), en er kwamen (slechts) 4 soorten nieuw terug. De afnamen zijn voor de meeste soorten toe te schrijven aan de intensieve, en toenemende, begrazingsdruk door Heckrunderen, Koniks en edelherten, aangevuld met duizenden brandganzen en grauwe ganzen. Deze constateringen worden bevestigd door Vulink et al., 2009a. De belangrijkste veranderingen in de vegetatie die aan deze afnamen ten grondslag liggen zijn:

  • grootschalige omzetting van ruigtevegetaties in droog grasland door begrazing;
  • afsterving en verdwijning van vlier (afname 7 ha per jaar) en wilg (afname 5 ha per jaar) door watermerkziekte en toenemende graasdruk;
  • verjonging krijgt geen kans;
  • aanzienlijke verarming van de vegetatiestructuur en vergrote kans op vernieling van legsels en broedsels door grote grazers;
  • vertraging in groei van ruigte en riet, resulterend in aanzienlijk uitstel van vestiging, nestbouw en ei-leg door intensieve begrazing in het voorjaar.

De stand van de veldmuis in buitenkaadse graslanden is ingestort als gevolg van intensieve begrazing, resulterend in verminderde foerageerkansen voor muizenetende roofvogels;

 

De afnamen en verdwijningen worden zonder aarzeling door Bijlsma (2008) op conto van de lokale omstandigheden geschreven: verdwijning en aftakeling van ruigtevegetaties, aftakeling bos en struweel, verdroging en afname voedselaanbod.

 

Kijken we naar de relatie tussen de vegetatietypen en de aantalontwikkeling van de hiervan afhankelijke vogelsoorten dan blijkt dat de afgenomen soorten kenmerkend zijn voor een breed scala van habitats, variërend van bos en struweel tot natte en droge graslanden, landriet en waterriet, ruigtkruidenvegetaties en moeras. De meeste afnamen zijn omvangrijk tot zeer omvangrijk: 26 van de 31 ‘algemene’ soorten zijn 50% of meer in aantal teruggelopen, daarvan zeven zelfs 100% (komen dus niet meer voor).

 

De gemeenschappelijke noemer blijkt in de buitenkaadse OVP de toenemende begrazingsdruk van Heckrunderen, Koniks en edelherten, evenals ganzen, te zijn.

 

Op basis van deze ontwikkeling is de doelstelling voor de randzone niet gerealiseerd en is er zelfs een negatief gevolg voor de doelstelling: de grote herbivoren zijn weliswaar in staat om zonder menselijk ingrijpen het gebied jaarrond te begrazen, maar vormen daarbij de verschillende gewenste landschapstypen (riet, ruigte en struweel) om in een monocultuur, bestaande uit droog en natgrasland. Zij bieden daardoor slechts een duurzaam habitat voor de niet in de hoofddoelstelling genoemde prioritaire soorten: Heckrund, Konikpaard, edelhert, Grauwe gans, Brandgans en Kievit. Zij zorgen hierdoor voor een afname in diversiteit.

 

In de navolgende tabel (1) is dat per habitattype weergegeven en als laatste is het relatieve voorkomen van kleine(re) grazers weergegeven.

 

Tabel 1: Toe- en afname (relatief) voor de belangrijkste vogelsoorten en enkele (kleine) grazers (naar Bijlsma, 2008).

 

 

Nat grasland

Droog grasland

Riet op natte ondergrond

Ruigte en landriet

Vlierstruweel

Bos

OVP

Kievit

+100%

+75%

 

 

 

 

 

Veldleeuwerik

-60%

-82%

 

 

 

 

 

Graspieper

-80%

-88%

 

 

 

 

 

Gele kwikstaart

-93%

-100%

 

 

 

 

 

Blauwborst (N2000)

 

 

-8%

-100%

 

 

 

Rietzanger (N2000)

 

 

-10%

-95%

 

 

 

Kleine karekiet

 

 

+86%

-98%

 

 

 

Rietgors

 

 

+9%

-97%

 

 

 

Sprinkhaanzanger

 

 

 

-100%

 

 

 

Bosrietzanger

 

 

 

-94%

 

 

 

Grasmus

 

 

 

-90%

 

 

 

Zomertortel

 

 

 

 

-100%

 

 

Spotvogel

 

 

 

 

-100%

 

 

Groenling

 

 

 

 

-75%

 

 

Putter

 

 

 

 

-43%

 

 

Grote bonte specht

 

 

 

 

 

-38%

 

Gekraagde roodstaart

 

 

 

 

 

+113%

 

Matkop

 

 

 

 

 

-55%

 

Pimpelmees

 

 

 

 

 

-43%

 

Koolmees

 

 

 

 

 

-38%

 

Boomkruiper

 

 

 

 

 

0%

 

Ree

 

 

 

 

 

 

-100%

Haas

 

 

 

 

 

 

-100%

Konijn

 

 

 

 

 

 

-60%

Veldmuis

 

 

 

 

 

 

-100%

 

Toelichting: N2000 = aangewezen als Natura2000-soort. De rood gemarkeerde cijfers geven aan dat de waargenomen ontwikkeling haaks staat op de doelstelling vanuit Natura2000.

 

 

Overige broedvogels die uit de OVP zijn verdwenen zijn: geoorde fuut, wintertaling, slobeend, havik, torenvalk, kwartel, fazant, porseleinhoen, water- en houtsnip, oeverzwaluw en roodborsttapuit.

Staatsbosbeheer heeft in de afgelopen jaren een keuze gemaakt om het gebied te gaan beheren op experimentele basis met grote grazers in een afgesloten klein geïsoleerd gebied. Niet zozeer de gewenste graasdruk vormde het uitgangspunt voor het beheer maar veel meer het laten optreden van ‘natuurlijke’ processen, zoals niet door menselijk ingrijpen beïnvloedde populatieontwikkeling. Staatsbosbeheer ging er hierbij uit van het uitgangspunt dat een zo natuurlijk mogelijk beheer ook de hoogste biodiversiteit oplevert. Niets is minder waar, zo is gebleken. Bovendien zijn volgens ons de begrippen ‘natuurlijk’ en ‘spontaan’ met elkaar verwisseld. Al met al werd hiermee indirect – zo blijkt overduidelijk - de voorkeur gegeven aan een begrazingexperiment boven behoud en/of ontwikkeling van de biodiversiteit en werd zowel de interne doelstelling als ook de Natura-2000-doelstelling van de OVP geweld aangedaan.

Van een dynamisch moeras met verschillende stadia in de successie is geen sprake meer. Vulink et al. (2009b) geven verderop in hun evaluatieartikel aan dat bij een ongewijzigde hoge begrazingsdruk de populatie houtige gewassen verder af zal nemen en nog meer verworden tot een ‘steady state’, gekenmerkt door een eenvormig en relatief soortenarm moerasgebied (3600 ha) met randzones (1900 ha). Voor de randzone zal een dergelijke catastrofe moeten bestaan uit een drastische terugval in dichtheid van de grote grazers. Door de geplande uitbreiding van de OVP (Hollandse Hout, Oostvaarderswold, Horsterwold) zal eerst de biodiversiteit wel weer toenemen, maar niet duurzaam. Na de gebiedsuitbreiding zullen de aantallen grazers weer sterk gaan groeien totdat een vergelijkbare situatie als nu bereikt is (en de biodiversiteit weer afgenomen is). Vulink et al. (2009b) concluderen dat ‘hands-off’-beheer (dus ‘niets doen’) in de OVP waarin weinig abiotische variatie en dynamiek aanwezig is, niet leidt tot de eveneens gewenste en ten doel gestelde biodiversiteit.

 

3.2 Conclusie huidig beheer versus de doelstellingen

 

Kortweg kunnen we stellen dat de aangehaalde onderzoeken van Bijlsma en Vulink et al. overduidelijk aantonen dat - als gevolg van een continue, jaarrond hoge, begrazingsdruk, in combinatie met een ‘losser’ peilbeheer - Staatsbosbeheer de eigen en internationale doelstellingen die voor het gebied gelden niet bereikt, maar daar zelfs steeds verder van af raakt. Het huidige ‘hands-off’-beheer kent hoofdzakelijk negatieve effecten voor (prioritaire) soorten en over het geheel zijn de gevolgen voor de totale biodiversiteit ook negatief.

 

De oorzaak hiervan is gelegen in de keuze voor een beheerwijze die primair insteekt op het optreden van spontane processen. Dit laatste niet te verwarren met natuurlijke processen: dat dieren in de OVP doodgaan als gevolg van een tekort aan voedsel is in dit geval geen natuurlijk proces, maar een spontaan proces. Dat lijkt een woordenspel, maar is in deze volgens VHE een belangrijk onderscheid.


4. Alternatief

4.1 Advies op hoofdlijnen

 

De Vereniging het Edelhert adviseert Staatsbosbeheer het beheer van edelherten, Konikpaarden en Heckrunderen (dus: de grote grazers) op een zodanige wijze uit te voeren dat de volgende resultaten behaald worden:

  • duurzaam behoud van de kwalificerende soorten vanuit Natura2000-oogpunt en -verplichting;
  • gezonde vitale populaties grote grazers die zo veel mogelijk natuurlijk gedrag kunnen vertonen;
  • ontwikkeling van hoge soortendiversiteit op jonge zeekleigronden;
  • via een maatschappelijk gedragen beheermethode;
  • zodanig dat deze resultaten passen:
    • binnen de kaders van instandhouding van soorten en leefgebieden;
    • bij de wens van Staatsbosbeheer om bij het beheer van grote grazers in de OVP menselijk ingrijpen tot een minimum te beperken
    • in de lijn van stimulering van biodiversiteit zoals gewenst binnen de Europese Unie en Nederland als lidstaat;
    • en in de lijn om op basis van maatschappelijk draagvlak professioneel en duurzaam invulling te geven aan natuurbeheer.

 

4.2 Lerend beheren (plan-do-check-act)

Kortweg behelst het een advies over de beheervorm die bijdraagt aan behoud en ontwikkeling van de biodiversiteit en die hoort bij de doelstelling van de OVP als internationaal belangrijk wetland. Hierbij zijn de 2 belangrijkste sturende ‘knoppen’ in de OVP essentieel: de begrazing en het peilbeheer.

 

Als het gaat om begrazing(sdruk), zijn er ook weer een aantal variabelen:

  1. tijdsduur van de begrazing / periodiciteit (zomerbegrazing versus jaarrondbegrazing);
  2. dichtheid van grazers, graasdruk;
  3. soort grazers (en het soortspecifieke effect: grazers, browsers, intermediate feeders);
  4. ruimte (compartimentering).

 

Als houvast voor het alternatieve beheer gebruiken we de PLAN – DO – CHECK – ACT – cyclus (figuur 2):

  1. PLAN: stel een beheervisie op dat gekoppeld is aan de doelen;
  2. DO: voer het beheer uit zoals verwoord in de visie;
  3. CHECK: monitor vervolgens goed wat de effecten van dat beheer zijn;
  4. ACT: als blijkt dat de doelen niet worden gehaald, wordt het beheer bijgesteld.

Een dergelijke aanpak wordt ook wel ‘lerend beheren’ genoemd.

 

 

Figuur 2: De PDCA-cyclus (naar Deming, 1986).

 

 

Voor de OVP betekent bovenstaande:

1. PLAN: stel een beheervisie op, gebaseerd op de Natura2000-doelen.

2. DO: is te beschrijven met het huidige beheer door Staatsbosbeheer.

3. CHECK: bestaat uit monitoring (onderzoeken waar naar gerefereerd wordt in dit document). Hieruit blijkt, zoals al eerder aangegeven, dat door het gevoerde beheer een tekort ontstaan is aan zowel ruigte als riet, struweel en bos.

4. ACT: dat vraagt om aangepast beheer om de aandelen van deze gewenste vegetatietypen weer toe te laten nemen.

 

De sleutel bij de laatste stap is begrazing als beheervorm. De grazers krijgen daarbij weer de rol waarvoor ze oorspronkelijk bedoeld waren: hulpmiddelen in het beheer zijn. Met andere woorden, ze zijn ‘facilitair’. Het gaat dan om de volgende grazers:

  • gans; maar is prioritaire soort, dus aantalsbeperking is niet gewenst (doel: 4200 stuks);
  • ree; maar is momenteel nagenoeg verdwenen;
  • edelhert;
  • Heckrund;
  • Konikpaard.

 

De laatste 3 soorten zijn door de mens geïntroduceerd. De laatste 2 soorten zijn bovendien geen wilde diersoorten maar redelijk zelfredzame gedomesticeerde soorten en moeten daarom gestuurd worden. De vraag is vervolgens hoeveel (en wanneer) er nodig zijn om weer meer riet, ruigte, struweel en bos te krijgen. De complicerende factor is dat de OVP een extreem hoogproductief systeem zijn (zeer voedselrijke bodem). Met begrazing in dit soort systemen is nog niet heel veel ervaring en kennis opgedaan en er is daarom sprake van een kennislacune. Voordeel van een dergelijk productief systeem is echter wel dat de herstelsnelheid groot is en negatieve ontwikkelingen redelijk snel weer ongedaan gemaakt kunnen worden.

Van de 3 soorten is wel een effectvolgorde op te stellen (van groot à minder groot effect):

 

 

 

edelhert >> paard >> rund

 

 

 


 

4.3 Beheerscenario’s

Op hoofdlijnen zijn er voor beheer van grote vrij levende hoefdieren in begrensde (kleine) leefgebieden, zoals de OVP, een drietal beheerscenario’s denkbaar:

1. niets doen;

2. verwijderen van 1 of meerdere soorten grote grazers;

3. regulatie van de populatie door middel van beheer / actief ingrijpen op basis van streefstanden.

 

Ad.1: ‘niets doen’

Als Staatsbosbeheer de populaties grote grazers niet meer beheert dan heeft dat als consequentie dat de hoeveelheid beschikbaar voedsel en beschutting de beperkende factoren worden. Het aantal dieren dat de hongerdood sterft zal gaan toenemen en de druk op de vegetatie in het gebied zal groter worden. Voor VHE is het duidelijk dat ‘niets doen’ geen optie is om aan de gewenste doelen te voldoen:

  • De instandhoudingsdoelen voor soorten uit de Natura2000 aanwijzingsbesluiten worden significant negatief beïnvloed door afname van diversiteit van planten en diersoorten.
  • De populaties grote grazers kunnen door het aanwezige en sluitende raster geen natuurlijk gedrag vertonen dat behoort bij deze soorten. De gezondheid en vitaliteit van de aanwezige grote grazers zal door voedselgebrek, het ontbreken van emigratiemogelijkheden en het daaraan inherente ingrijpen door de mens (afschot ter voorkoming van ondraaglijk en uitzichtloos lijden) verder onder druk komen te staan.
  • Het menselijk ingrijpen in het gebied door het met materieel verwijderen van een groot deel van de kadavers zal toenemen en daardoor de menselijke invloed in het gebied hoog blijven.
  • De ontwikkeling van soortendiversiteit wordt negatief beïnvloed door overbegrazing van het gebied door zowel de grote grazers als de ganzen.
  • Het maatschappelijke draagvlak voor grotere aantallen dieren die sterven van de honger zal snel afnemen.

 

Ad.2: ‘verwijderen van 1 of meerdere soorten grote grazers’

Als Staatsbosbeheer ertoe zou besluiten 1 of 2 soorten grote grazers uit het gebied te verwijderen dan ontstaat er een situatie waarin de specifieke begrazingsinvloed van de betreffende verwijderde soort(en) wegvalt. Dat leidt ertoe dat de vegetatie zich zal ontwikkelen onder invloed van en naar de aard van de begrazing door de soort(en) die blijven.

Binnen afzienbare tijd zal echter wederom het probleem ontstaan dat de blijvende soort(en) door aanwas van de populatie in een vergelijkbare ongewenste situatie komen als beschreven bij scenario 1. Er kan dus wel tijdelijk bijgestuurd worden met dit alternatief, maar duurzaam is deze aanpak evenmin. Duidelijk is dus dat verwijderen van 1 of meer soorten grote grazers geen optie is om aan de genoemde resultaten te voldoen. Binnen afzienbare termijn leidt dit weer tot dezelfde negatieve punten als bij ‘niets doen’ vermeld zijn.

 

Ad.3: ‘regulatie van de populatie door middel van beheer / actief ingrijpen’

Als Staatsbosbeheer besluit de populaties grote grazers actief te reguleren op basis van bepaalde streefstanden ontstaat de situatie dat menselijk ingrijpen in het gebied permanent zal blijven maar wel tot een minimum beperkt kan worden. De soorten in het gebied krijgen van nature 1 jong per jaar (uitzonderingen daargelaten), zodat met een weloverwogen streefstand van de soorten menselijk ingrijpen minimaal is. Bij deze beheervorm is het van groot belang dat er een model ontwikkeld wordt waarbij zo veel mogelijk natuurvolgend ingegrepen wordt. Hiermee wordt bedoeld dat er een simulatiemodel van populatiedynamiek van genoemde soorten ontwikkeld moet worden om daarmee groei en krimp in de populaties te kunnen simuleren in een bepaalde bandbreedte (de streefstanden die als passend bij de doelstellingen worden aangemerkt). De aantallen die als uitgangspunt kunnen fungeren zijn de minimale populatiegroottes behorende bij levensvatbare populaties van de soorten in het gebied. Ook met de minimale populatiegroottes kan voorzien worden in voldoende open graasgebied voor de ganzen. Deze beheervorm vergt professionele aanpak en een op de lange termijn gericht simulatiemodel. Het terugbrengen van de huidige aantallen dieren naar de aantallen behorende bij het genoemde uitgangspunt kan over een tijdseenheid plaatsvinden waarbij maatschappelijke acceptatie verwacht kan worden.

 

Duidelijk is dat deze beheervorm volgens VHE het meest geschikt is om de genoemde resultaten te bereiken:

  • Duurzaam behoud van kwalificerende soorten Natura2000 zal met minimale inspanning gerealiseerd kunnen worden door toename van diversiteit van planten en diersoorten en afname van menselijk invloed.
  • Migratie zal door de aanwezigheid van het raster beperkende factor blijven. Hanteren van streefstanden leidt tot een betere gezondheid en vitaliteit van de populaties grote grazers door toename van de hoeveelheid beschikbaar voedsel en beschutting.
  • Het actief menselijk ingrijpen in de populaties grote grazers en het met materieel verwijderen van een groot deel van de kadavers zal sterk afnemen waardoor ook de menselijke invloed en ingrijpen in het gebied afneemt. Dit in overeenstemming met de wens van Staatsbosbeheer.
  • De ontwikkeling van soortendiversiteit wordt positief beïnvloed door specifiek soortspecifieke begrazing in delen van het gebied door zowel de grote grazers als de ganzen.
  • Het maatschappelijk draagvlak voor deze beheermethode zal naar verwachting groot zijn vanwege de duurzaamheid in deze vorm van beheer. Wel zal een passend simulatiemodel ontwikkeld moeten worden.

Als startpunt voor de streefstanden – in het kader van het ‘lerend beheren’ – voor de drie betreffende grazers is als volgt:

· edelhert: range 200-300 dieren, bij aanvang 300 dieren (nog ruim boven minimum-populatieomvang van 150 dieren);

· Konikpaard: range 200-300 dieren, bij aanvang 300 dieren;

· Heckrund: range 200-300 dieren, bij aanvang de actuele stand van circa 200 dieren.

 

De maximale voorjaarsstand komt daarmee op ongeveer 900 dieren (circa 0,5 dier per ha jaarrond begrazing) en dat resulteert ongeveer na geboorte van de kalveren in een stand van 1300 dieren (aanwas van circa 400 dieren). De minimale voorjaarsstand komt dan neer op circa 600 dieren en daarmee in de zomer op een stand van ongeveer 870 dieren.

 

In tabelvorm:

 

soort:

Voorjaarsstand

(range min – max)

Zomerstand

(schatting min – max)

edelhert

200 - 300

290 – 435

Heckrund

200 - 300

290 – 435

Konikpaard

200 - 300

290 – 435

som:

600 - 900

870 – 1300

 

 

 

Overwogen is om de soort ‘edelhert’ compleet te laten verdwijnen uit de OVP, maar vanuit de overweging dat de soort mede ingezet is indertijd om onder andere de vlier kort te houden en omdat het edelhert voor het publiek een belangrijke attractiefactor is geworden, is vooralsnog gekozen voor een blijvende aanwezigheid van deze soort, maar in sterk verlaagde aantallen.

 

Behalve de eenmalige reductie, vinden we dat deze voorgestelde aantallen ook gefixeerd moeten worden (jaarlijkse reductie ter grootte van de aanwas) totdat door nieuwe ontwikkelingen/inzichten via de monitoringsgegevens blijkt dat opnieuw aanpassing in het beheer nodig is (plan-do-check-act). Een dergelijke aanpassing zou bijvoorbeeld seizoensbegrazing met runderen en/of paarden kunnen zijn zoals in het begin ook het geval was of aanpassing naar boven/beneden van de streefstanden.

 

 

Samenvattend:

 

De prioritaire doelen van de OVP kunnen alleen dan behaald worden als de begrazingsdruk sterk afneemt. Dit betreft geen eenmalige afname van circa 3400 naar circa 600 tot 900 grazers, maar ook het vasthouden aan die voorgestelde ranges in aantallen, tenzij uit monitoring blijkt dat de begrazingsdruk (naar boven of beneden) bijgesteld moet worden om de gestelde doelen beter te bedienen.

 

Via het proces van lerend beheren, waarbij monitoring een cruciale rol speelt, kan op basis van ontwikkelingen in de doelsoorten het beheer aangepast worden, in casu de begrazingsdruk en/of –samenstelling.

 

 

 


 

Bronnen

 

Beheerscommissie Oostvaardersplassen, 1995. De Oostvaardersplassen natuurlijker.

 

Bijlsma, R.G., 2008. Broedvogels van de buitenkaadse Oostvaarderplassen in 1997, 2002 en 2007. A&W-rapport 1051. Altenburg & Wymenga, Veenwouden.

Deming, W. E., 1986. Out of the Crisis. MIT Center for Advanced Engineering Study.

ICMO, 2006. Reconciling Nature and human interests. Report of the International Committee on the Management of large herbivores in the Oostvaardersplassen.

Vera, 2008. Ontwikkelingsvisie Oostvaardersplassen. Voorbij de horizon van het vertrouwde. Staatsbosbeheer, Driebergen.

 

Vulink, J,T., M.R. van Eerden, M. Platteeuw en M. Roos, 2009a. De Oostvaardersplassen, deel 1. Waterpeil en begrazing sturen het systeem. Landschap, 2009, nr 3.

 

Vulink, J,T., M.R. van Eerden, M. Platteeuw en M. Roos, 2009b. De Oostvaardersplassen, deel 2. Veertig jaar op zoek naar de gewenste sturing. Landschap, 2009, nr 3.

 

Vulink, J.T., M. Tosserams, J. Daling, H. van Manen en M. Zijlstra, 2010. Begrazing door Grauwe gansen is een bepalende factor voor ontwikkeling van oevervegetaties in Nederlandse Wetlands. De Levende Natuur, 2010, nr 1.

 


Bijlage 1: Essentietabellen Natura2000 v.w.b. de Oostvaardersplassen

 

Bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/078/078_gebiedendocument_Oostvaardersplassen_november%202006.pdf

 

In het kader van Natura2000 (Vogelrichtlijn) zijn de OVP aangewezen voor de volgende soorten.

 

Broedvogels:

 

 

Broedvogelsoorten

GSVI

Behoud omvang leefgebied

Behoud kwaliteit leefgebied

Minimale populatieomvang in broedparen!

Overig

 

A004 - Dodaars

+

=

=

140

 

 

A017 - Aalscholver

+

=

=

8000*

 

 

A021 - Roerdomp

--

=

=

40

4.06,W

 

A022 - Woudaapje

--

=

=

3

4.06,W

 

A026 - Kleine Zilverreiger

 

=

=

20

 

 

A027 - Grote Zilverreiger

+

=

=

40

 

 

A034 - Lepelaar

+

=

=

160

 

 

A081 - Bruine Kiekendief

+

=

=

40

 

 

A082 - Blauwe Kiekendief

--

>

>

4

 

 

A119 - Porseleinhoen

--

>

>

40

4.07,W

 

A272 - Blauwborst

+

=

=

190

 

 

A292 - Snor

--

=

=

680

4.06,W

 

A295 - Rietzanger

-

=

=

790

 

 

A298 - Grote karekiet

--

=

=

3

4.06,W

 

 

 

Presentie en aantal territoria van de broedvogels van de buitendijkse gebieden van de OVP in 1997, 2002 en 2007

 

Broedvogelsoorten

1997

2002

2007

Minimale populatieomvang in broedparen!

Behoud kwaliteit leefgebied

Oorzaken

 

A004 - Dodaars

4

49

19

140

Dichte oeverbegroeiing

Verdroging en Intensieve begrazing oeverzones

 

 

 

 

 

 

 

 

 

A021 – Roerdomp

0

4

1

40

Rietvegetatie

Afname en aftakeling rietareaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

A119 - Porseleinhoen

1

10

0

40

 

 

 

A272 - Blauwborst

283

92

88

190

Intacte rietvelden

Vertrapping en fragmentatie rietvelden

 

A292 – Snor

0

9

1

680

 

 

 

A295 - Rietzanger

231

255

127

790

Rietvelden, rietgordels

Vraat en fragmentatie rietvelden

 

A298 - Grote karekiet

0

3

0

3

 

 

 

 

 

 

Presentie en aantal territoria van de broedvogels in het moeras van de OVP in 1997, 2002 en 2007

 

Broedvogelsoorten

1997

2002

2007

Minimale populatieomvang in broedparen!

Behoud kwaliteit leefgebied

Oorzaken

 

A004 – Dodaars

?

?

?

140

 

 

 

A017 - Aalscholver

4780

5870

2470

8000*

 

 

 

A021 – Roerdomp

12

40

135

40

 

 

 

A022 - Woudaapje

?

?

?

3

 

 

 

A026 - Kleine Zilverreiger

0

7

1

20

 

 

 

A027 - Grote Zilverreiger

0-1

45

60

40

 

 

 

A034 - Lepelaar

112

210

135

160

 

 

 

A081 - Bruine Kiekendief

50

48

35

40

Buitenkaads onaantrekkelijk jachtgebied

 

 

A082 - Blauwe Kiekendief

5

4

2

4

 

 

 

A119 - Porseleinhoen

?

?

?

40

 

 

 

A272 - Blauwborst

?

?

?

190

 

 

 

A292 – Snor

?

?

?

680

 

 

 

A295 - Rietzanger

?

?

?

790

 

 

 

A298 - Grote karekiet

?

?

?

3

 

 

 

 

 

 

Niet-broedvogels:

 

 

Niet-broedvogelsoorten

GSVI

Behoud omvang leefgebied

Behoud kwaliteit leefgebied

Minimale populatieomvang in stuks vogels!

Overig

 

A027 - Grote Zilverreiger

+

=

=

30

 

 

A034 - Lepelaar

+

=

=

110

 

 

A038 - Wilde Zwaan

-

=

=

20

 

 

A041 - Kolgans

+

=

=

600

4.05

 

A043 - Grauwe Gans

+

=

=

4200

4.05

 

A045 - Brandgans

+

=

=

1800

4.05

 

A048 - Bergeend

+

=

=

90

 

 

A050 - Smient

+

=

=

2100

4.07,W

 

A051 - Krakeend

+

=

=

480

 

 

A052 - Wintertaling

-

=

=

1300

 

 

A054 - Pijlstaart

-

=

=

80

 

 

A056 - Slobeend

+

=

=

1900

4.05

 

A059 - Tafeleend

--

=

=

11900

 

 

A061 - Kuifeend

-

=

=

10200

4.05

 

A068 - Nonnetje

-

=

=

280

 

 

A075 - Zeearend

+

=

=

 

 

 

A132 - Kluut

-

=

=

100

 

 

A151 - Kemphaan

-

=

=

210

 

 

A156 - Grutto

--

=

=

90

 

 

 

 

Legenda Overig:

 

 

4.05

Voldoende ruiplaatsen en rustgebieden voor watervogels zoals fuut A005, ganzen, slobeend A056 en kuifeend A061.

4.06

Herstel van grote oppervlakten/brede zones overjarig riet, inclusief waterriet, door herstel van natuurlijke peildynamiek en tegengaan verdroging t.b.v. noordse woelmuis *H1340 en rietvogels, zoals roerdomp A021, woudaapje A022, snor A292 en grote karekiet A298.

4.07

Plas-dras situaties voor smienten A050 en broedvogels zoals kemphaan A151, porseleinhoen A119 en watersnip A153 en noordse woelmuis *H1340.

W

Een wateropgave (W) is toebedeeld als de watercondities in meer of mindere mate niet op orde zijn.

rood

Een ten opzichte van de doelstelling sterk negatieve ontwikkeling

geel

Een ten opzichte van de doelstelling negatieve ontwikkeling

groen

Een ten opzichte van de doelstelling neutrale of positieve ontwikkeling

paars

Ontwikkeling onbekend ten opzichte van de doelstelling


Bijlage 2: Europees Diploma Beschermde Gebieden

 

Bron: http://www.coe.int/t/dg4/cultureheritage/nature/Diploma/default_en.asp

The European Diploma of Protected Areas was created in 1965. It is awarded to protected areas because of their outstanding scientific, cultural or aesthetic qualities; they must also be the subject of a suitable conservation scheme which may be combined with a sustainable development programme. At present there are 70 zones spread across 26 European countries.

The European Diploma of Protected Areas (the ‘Diploma’) may be awarded for adequately protected natural or semi-natural areas of exceptional European interest from the point of view of conservation of biological, geological or landscape diversity and which are managed in an exemplary way. It is awarded to them by virtue of their scientific, cultural or aesthetic interest if they have an appropriate protection system, eventually also in conjunction with programmes of action for sustainable development. The Diploma represents an important contribution to the Pan-European Ecological Network.

The nature reserve ‘De OVP’ is an extensive marshland area with large landscape variations: from reed marshes to swamp forests and from grasslands to open water. The area is of a great importance to all birdlife. Both, breeding birds, migratory birds and wintering birds are observed. The natural site is situated in the newest polder of the Ijsselmeer area, Zuidelijk Flevoland, in the middle of what was once the Zuiderzee. The site lies about four metres below sea level. Since the first reclamation activities, the area has undergone a natural development. The land was never cultivated for agricultural or urban purposes as the rest of Zuidelijk Flevoland. A varied plant life, showing all the signs of a pioneer vegetation, developed on the clayey former seabed, now wholly or partially free of water. The variegation of open water and covered higher ground attract all sorts of vegetation and thus also all sorts of birds and other animals. Most remarkable is the large number of breeding birds in spring and summer, and moulting and wintering birds in autumn and winter. The area is internationally acclaimed as ‘Wetland’ and also as ‘Special Protected Area’ (EC Bird Directive). Special facilities for the public have been constructed in the eastern part of the area, for example bird observation huts, signposted walking trails, observation sites and a visitors centre.

Criteria for the award of the European Diploma of Protected Areas

The criteria are in keeping with the various conservation objectives to be met by any Protected area eligible for the European Diploma of Protected Areas, together with the protective measures needed for their achievement. Having regard to the differing protection status of protected areas in Europe, it is necessary to refer to general criteria and specific criteria.

General criteria

The following general criteria should be taken into consideration for every area for which an

application is submitted.

A. European interest

The applicant area must comprise representative elements of the biological, geological and/or landscape heritage which are of exceptional European importance (protection of the biological and/or landscape heritage – scientific, cultural, aesthetic and/or recreational qualities). These should be, according to the area:

1. areas of particular importance for the conservation of biological diversity in Europe.

They may comprise:

  • remarkable or threatened examples of plant or animal communities, as well as areas inhabited by a large number of species;
  • highly representative samples of types of habitats and plant or animal communities constituting typical examples of the various kinds of ecosystem in Europe;
  • habitats in a an unfavourable state of conservation;
  • habitats of endemic species or species in an unfavourable state of conservation,
  • particularly endangered species;
  • breeding grounds of animals protected under the Convention on the Conservation of European Wildlife and Natural Habitats (ETS No. 104) and resting and feeding areas for migratory species.

2. areas aimed at conserving remarkable natural phenomena or geological or physiographic

formations characteristic of the Earth’s history.

These may include:

  • sites or complexes of major importance for the conservation of significant evidence of the Earth’s history;
  • noteworthy palaeontological sites;
  • outstanding examples of geological, geomorphological, volcanic, hydrographic, physiographic or biogeographical phenomena;
  • particularly grandiose or spectacular examples of protected natural features such as waterfalls, caves, rock formations, glacial cirques, glaciers.

3. areas of particular importance for the conservation of landscape diversity in Europe.

These may comprise:

  • sites or landscapes of outstanding aesthetic or cultural value or of a spectacular nature;
  • complexes conserved as evidence of the history of the countryside or woodlands in Europe;
  • country or wooded areas which are cultivated using extensive methods and constitute typical examples of European landscapes.

B. Protection measures

The area for which and application is submitted must:

  1. Have a legal protection status, by means of an act or decree of the competent authorities certifying that the area is adequately protected.
  2. Be taken into account in regional planning in order to prevent the approval of projects which run counter to the objectives of the area.
  3. Be the subject, if possible, of a zoning, which must indicate the objectives of each subdivision described; the boundaries between the area for which an application is submitted and the surrounding area must be clearly marked on a plan or a geographical map, particularly where there are nearby protected areas with different objectives (as is often the case in a biosphere reserve); failing that, the uses of the land which are authorised should be clearly indicated.
  4. Be the subject of a development and management plan (finalised or in preparation). As management constitutes an important point in judging the application, the various aspects of management will need to be presented in detail and objectively assessed, principally with regard to those entailing more extensive subsequent development.
  5. Be assessed taking into account the impact that the surrounding area has or is likely to have on it.
  6. Have an organisation which provides guarantees concerning staff and financial resources. The latter must be sufficient to ensure management that meets the objectives of the protection area. A staff organisation chart applicable at the time of lodging the application, and a presentation of the budget for the two previous years, will constitute useful information for evaluating the form of management of the applicant area.

Specific criteria

The specific criteria serve to explain why the area concerned has been given protected status. One of the two groups of specific criteria should be taken into consideration, as the case may be.

A. The essential goal of the protected area is to preserve biological and landscape

diversity and ecosystems.

The applicant area which meets this goal must also meet the following specific criteria:

1. Existence of strict regulations on any artificial change in the environment or any biological and geological depredation (no hunting, fishing, picking, cutting or uprooting), with certain possible exceptions for justifiable scientific purposes aimed at controlling or maintaining certain species and/or environments.

2. Absence of permanent human occupation and of economic activities such as agriculture, forestry, mining, industry and tourism (no development). Certain traditional activities may be authorised for the sole purpose of maintaining the environment. Certain obligations, previous to the award of the Diploma, can be allowed to continue, provided they are localised and controlled and do not interfere with maintaining the biological and landscape diversity of the area. An attempt should be made to minimise or even eliminate them.

3. Guarantees that the existing human activities and installations in the surrounding area cannot damage the physical and biological integrity of the protected area.

4. Supervision, arrangements for patrolling by wardens or any other means with the possibility of enforcement, such as the power to report offenders.

5. No access for the public unless specially authorised and in any case regulated and/or channelled in a manner appropriate to the habitats.

6. Presentation, in keeping with the ecological interest of the area, of research and monitoring programmes.

B. The objective of the protected area is to preserve biological and landscape

diversity, together with harmonious and sustainable development of socio-economic and educational functions.

The applicant area which meets this objective must also meet the following specific criteria:

1. The type of use of the land must be clearly indicated, especially where agriculture, forestry, tourism, leisure activities, buildings and infrastructures are concerned, as well as the respective owners.

2. Permanent human occupation and socio-economic activities must be conceived in such a way as to uphold the principles of sustainable development; they must not damage the integrity of the natural and cultural values of the protected area.

3. Hunting and fishing may be tolerated providing that it is subject to a strict regulation to avoid weakening the animal population.

4. There must be adequate supervision, including the possibility of enforcement, in order to prevent damage those aspects specifically protected.

5. Public access must be authorised and regulated; in certain cases it may be unrestricted.

6. Provision must always be made for reception centres and educational facilities in order to channel the public and thereby avoid damage.



[1] De beheercommissie bestond uit diverse wetenschappers van o.a Rijksuniversiteit Groningen, Rijkswaterstaat en beleidsambtenaren van het ministerie van LNV.

[2] ICMO staat voor International Committee of the Management of the Oostvaardersplassen.

[3] RIZA staat voor Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling.

 

Download alternatieve beheersvisie OVP als pdf

Download alternatieve beheersvisie OVP als doc

_ _ _ _ _ _ _ Met dank aan onze adverteerders in 2019 in Het Edelhert: _ _ _ _ _

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8