1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9

Ziektes vormen de belangrijkste natuurlijke doodsoorzaak van grote grazers. Daarbij geldt in het algemeen dat ziektes meer invloed krijgen naarmate de dichtheid van grazers toeneemt. Niet alleen is dan de kans groter dat ze elkaar direct besmetten, ook besmetting via mest kan dan eerder optreden. Wanneer de dichtheid de natuurlijke draagkracht overschrijdt, krijgen ziektes meer kans bij door honger verzwakte dieren. Grotere gebieden en lagere dichtheden zijn dus van belang voor de gezondheid van de grazers.

Ook bij lagere dichtheden, kan er worden gehongerd. Oudere, zwakkere of zieke dieren lukt het niet om voldoende te profiteren van het beschikbare voedsel. Ouderdom, gebreken en ziekten zijn tenslotte natuurlijke selectiemechanismen. In natuurgebieden moeten ze zoveel mogelijk hun werk doen om de totale kudde gezond te houden.

Speciale aandacht verdienen de schrale zandgronden met pijpenstrootje. Worden de grazers in te hoge dichtheden genoodzaakt om veel van dit gras te eten, dan lopen ze het risico op nieraandoeningen en spontane abortus door het moederkoren, een giftige schimmel, die veel op het pijpenstrootje voorkomt.

Ook beperking van het contact met boerenvee is in het belang van de gezondheid van de wilde kudde (IBR!). Het dedomesticatieproces impliceert ook dat de paarden en runderen een betere afweer tegen ziektes opbouwen, doordat ze efficiënter met hun voedsel omgaan, kruiden leren eten en giftige planten weten te ontwijken.

Herten, reeën en bevers kunnen in Nederland een natuurlijke dood sterven en in het veld achterblijven. Dergelijke grote kadavers blijken op zichzelf weer een bron van leven: vos, raaf en zeearend doen zich eraan te goed en sommige aaskeversoorten zijn er zelfs volledig van afhankelijk. Een strenge winter voor deze grazers betekent dus voedselrijkdom voor de aaseters.

In tegenstelling tot bovengenoemde soorten worden paard en rund in de wettelijke regelgeving (nog) niet als wild beschouwd, maar als gehouden dieren, waarvoor de mens een zorgplicht heeft.

De veterinaire consequenties hiervan zijn bijvoorbeeld dat ook de runderen in natuurterreinen worden vrijgehouden van alle ziektes uit het gezondheidsprogramma van de overheid, zoals brucellose, leptospirose, leukose, tuberculose en koeiengriep (IBR). De kadavers van paarden en runderen in natuurgebieden moeten worden opgeruimd.

Hoewel het in een land met zo’n grote veestapel als de Nederlandse begrijpelijk is dat er geen risico wordt genomen met besmettelijke ziektes, dreigt het beleid door te slaan. Door Nederland ook vrij te willen maken van betrekkelijk onschuldige ziektes als IBR wordt de natuurlijke afweer van runderen steeds verder uitgeschakeld, hetgeen de gezondheid van de veestapel op lange termijn niet ten goede komt.

In uitgestrekte natuurgebieden, met voldoende brede bufferstroken ten opzichte van huisvee, moet het bovendien mogelijk zijn om kadavers te laten liggen als onderdeel van de natuurlijke cyclus.

Predatie en jacht
Natuurlijke aantalsregulatie van grote grazers vindt plaats door natuurgeweld (brand, overstromingen), ziektes, verminderde vruchtbaarheid bij hogere dichtheden en door predatie. Over het algemeen geldt: hoe groter de grazer, des te minder hij van predatoren te duchten heeft.

De belangrijkste predatoren van grote grazers in West-Europa zijn: wilde kat, vos, zeearend, lynx en wolf. In dit rijtje neemt de prooidiergrootte naar achteren toe. Wilde katten en vossen kunnen zo nu en dan een jonge bever of een verlaten jong kalfje pakken. Zeearenden zijn in staat om met twee of drie exemplaren tegelijk een kalf of zelfs een volwassen ree te overmeesteren. Lynxen zijn in dit deel van Europa zelfs gespecialiseerd in de jacht op reeën en jonge herten.

Volwassen herten, paarden, runderen, elanden en wisenten hebben eigenlijk alleen de wolf als natuurlijke vijand. Een gezonde kudde kan zich echter goed verdedigen tegen wolven. Het zijn vooral solitaire en verzwakte dieren die gevaar lopen, zeker wanneer wolven in groepen opereren, wat in West-Europa echter nauwelijks voorkomt.

De conclusie is dan ook dat de invloed van predatoren op de aantallen grazers beperkt is. Een uitzondering vormt mogelijk de relatie lynx-ree. Predatoren hebben wel invloed op de scherpte en gezondheid van de kuddes, en ook de verspreiding van kuddes over het gebied kan door predatie worden beïnvloed. Er is daarom veel te zeggen voor de aanwezigheid of introductie van grote predatoren in natuurgebieden. Daarbij passen ook aanvullende maatregelen, zoals eventueel een jachtverbod en strenge controles en sancties op vergiftiging. Predatoren die bepaalde gebieden niet meer op eigen kracht kunnen bereiken, kunnen worden geherintroduceerd.

De angst van mensen voor predatoren is ongegrond. Zelfs van de wolf zijn geen gevallen bekend waarbij mensen het slachtoffer werden. Wolven eisen wel hun tol onder onbewaakte schaapskuddes. Predatie van schapen kan worden beperkt door goede afrasteringen of (in het vrije veld) door getrainde herdershonden.

Er is de laatste tien jaar duidelijk sprake van een toename van het aantal grote predatoren in West-Europa.

De vos, de enige soort die zich in een groot gebied ondanks sterke vervolging heeft weten te handhaven, laat een groeiende aanpassing aan de menselijke cultuur zien. De aantallen nemen sterk toe, ze komen in vrijwel alle denkbare gebieden en terreinen voor, en dringen zelfs door tot in de centra van grote steden. In Nederland komt de vos in vrijwel alle natuurgebieden voor, met uitzondering van enkele eilanden.

De wilde kat bereikt in Zuidoost-Nederland de grens van zijn verspreidingsgebied, dat in de Ardennen een vooruitgeschoven bolwerk heeft. Waarnemingen zijn zeldzaam en van een toename van de aantallen lijkt tot dusver geen sprake.

Met de zeearend gaat het in Europa voor de wind. Sinds de afschaffing van DDT en andere schadelijke landbouwgiffen, nemen de aantallen sterk toe. De laatste vijftien jaar steeg het aantal broedparen in Duitsland van 120 naar meer dan 300. Het broedareaal breidt zich ook richting Nederland uit en het dichtstbijzijnde paar bevond zich anno 1999 bij Bremerhaven, op ongeveer 100 km van de grens. De aantalstoename vertaalt zich nog niet in een toename van het aantal overwinterende zeearenden in Nederland. Dat blijft de laatste jaren steeds op vijf tot tien exemplaren steken (in 2000: dertien).

Van de lynx zijn de laatste tien jaar verschillende waarnemingen gedaan in Zuid- en vooral Midden-Limburg. Er is zelfs één geval bekend van een volwassen dier met jong. Vermoedelijk zijn deze dieren afkomstig van een herintroductie-project in de Duitse Eifel. In de Eifel en de Ardennen bevindt zich inmiddels een kleine populatie.

Wolven komen sinds een eeuw niet meer in Nederland voor, maar ook deze soort is de laatste jaren bezig met een onmiskenbare herovering van West-Europa. In Zuidoost-Frankrijk en het Oosten van Duitsland leven inmiddels weer verschillende families en de verwachting is dat de soort zich van hieruit verder naar het westen zal uitbreiden.

De komst en toename van het aantal grote roofdieren in Nederland zal een positief effect hebben op de scherpte en gezondheid van de grote grazers. Aantalsregulatie door predatie zal echter maar in zeer beperkte mate optreden. Ook natuurgeweld zal maar zelden tot de dood van grote aantallen grazers leiden.

Verminderde vruchtbaarheid en ziektes blijven de belangrijkste aantalsbeperkende factoren. Omdat het bewust toelaten van (epidemische) ziektes bij grote grazers, en zeker bij halfwilde paarden en runderen, op grote ethische bezwaren stuit, blijft menselijk ingrijpen geboden. Dit ingrijpen moet echter tot een minimum beperkt blijven en zijn gericht op het genezen of verwijderen van zieke of verzwakte dieren. Ook kunnen (groepen) dieren worden weggevangen om nieuwe terreinen te koloniseren, maar ook hierbij verdient het de voorkeur om aan te sluiten bij het natuurlijke fenomeen van afsplitsing van delen van de kudde.

Voor de jacht op grote grazers geldt dat dat het beste kan worden ingepast in bovenstaand verhaal, dus als vervanging van predatie of ter voorkoming van ziektes. Daarbij moet wel worden voorkomen dat dieren schuwer worden voor mensen dan strikt noodzakelijk. Zo worden ree en hert over het algemeen als schuwe bosdieren gezien, die vooral ’s nachts actief zijn. Maar in terreinen zonder jacht vertonen ze zich ook overdag en in het open veld. Wat deze dieren betreft is het dringend nodig om hen te laten leven naar hun eigen maatstaven, orde en behoeftes. Ook de Oostvaardersplassen laten zien dat zowel reeën als edelherten goed overdag in open terrein kunnen leven en dat op z’n minst edelherten niet schuw zijn als ze niet worden bejaagd. Van deze soorten hebben we dus eigenlijk nog steeds geen goede gegevens over het terreingebruik en de natuurlijke begrazingsdichtheid. Het is gewenst om deze dieren meer terreinen te geven waar ze hun natuurlijke gedrag kunnen gaan vertonen.