Voorzitter Linthorst spreekt in bij de commissievergadering van de Provinciale Staten van Flevoland, aangaande Oostvaardersplassen.

Banner 2 VhE

Inspreektekst 6 juni

Geachte voorzitter, geachte aanwezigen,

Vereniging het Edelhert steunt het advies van de commissie Van Geel over de OVP.

Dit advies ondersteunt de doelen voor de OVP als vogelreservaat, als Natura2000 gebied en creëert een groter dierenwelzijn voor de edelherten.

Hierbij enige uitleg:

Allereerst:

In de afgelopen 8 winters is de biodiversiteit in de OVP ernstig afgenomen, zijn de Natura2000 doelen mijlenver achteruit gegaan, zijn 19 vogelsoorten verdwenen en 9042 herten gedood.

Het ICMO2 beleid, door de politiek goedgekeurd, heeft ons uiteindelijk een kaal en leeg gebied opgeleverd met meer dan 9000 dode, maar eens gezonde edelherten. Allen omgekomen door honger en gebrek.

Ten tweede:

Stel nu, dat het advies Van Geel wordt goedgekeurd. In de uitvoering voor de komende 8 jaren is de reductie slechts 1913 herten. Dit aantal is te verdelen in 776 herten in het eerste jaar en 198 herten per jaar in de volgende jaren.

Dit geeft in 8 jaar een positief verschil met het ICMO2 beleid van 7129 dode edelherten! Eindelijk gaan we de goede kant op!

 

U als Provinciale Staten moet keuzes gaan maken zoals:

  1. De verwijdering in het eerste jaar van 776 wilde herten door afschot. Of, als er al een afschot-vrije bestemming ergens in Europa te vinden is, een vrachtje wilde herten vangen, op te sparen tot 1 transport, medisch te keuren, te transporteren over vele kilometers, mogelijke grensvertragingen, in quarantaine houden en weer los te laten. Volgens het rapport uit 2015 van Natuur Monumenten en de Universiteit Wageningen is het vangen en transporteren van wilde herten op deze schaal niet toepasbaar. Wij zijn ook benieuwd wat de Dierenbescherming hiervan gaat vinden.
  1. En: de jaarlijkse aanwas van 198 herten gewoon, zoals overal, actief te beheren of te proberen om ongeveer 300 wilde, vrouwelijke dieren, in een kort tijdsbestek te darten, onder verdoving een merkteken aan te brengen en anticonceptie toe te passen. En dit ieder jaar weer! Volgens de Quick Scan van Alterra, uit 2016 is dit op dit moment niet mogelijk.

Dames en heren politici,

Vereniging het Edelhert volgt al vele jaren in binnen- en buitenland alle ontwikkelingen op het gebied van beheer, vangen en verplaatsen, darten en het toepassen van anticonceptie bij wilde edelherten en damherten. Onze conclusie is dat de toepassing van deze methoden voor de OVP populatie niet toepasbaar is.

Mocht u meer informatie willen over deze getallen, wij komen het graag toelichten.

Dank voor uw aandacht!

Jozef H.M. Linthorst

Voorzitter Vereniging het Edelhert

06 30447359

Op 17 april 2018 zond VhE deze brief naar gedeputeerde Hofstra van de Gedeputeerde Staten Flevoland aangaande situatie OVP.

Banner VhE wit

 

Apeldoorn, 18 april 2018       

Aan: Gedeputeerde Staten van Flevoland

t.a.v. Dhr. H. Hofstra

Geachte heer Hofstra,

Allereerst onze felicitaties bij de benoeming als gedeputeerde van de Provincie Flevoland. Wij hopen natuurlijk dat u de OVP (Oostvaardersplassen) problematiek met succes voor de grote grazers, in het bijzonder onze edelherten op korte termijn voor eens en altijd kunt afsluiten.

Vriendelijk vraagt VhE (Vereniging het Edelhert) aandacht voor het volgende:

Zeer binnenkort wordt het z.g. bijvoeren van de grote grazers gestopt, zoals enige maanden geleden is vastgesteld.

Echter, de huidige natuurlijke voedselproductie binnen de OVP is naar onze mening nog niet zover, zeker niet voor de edelherten en runderen dat men kan en mag stoppen met het bijvoeren. Edelherten en runderen hebben langer gras nodig dan ganzen en paarden door verschillende graasmethoden. Wordt dit binnenkort toch gestopt dan komt het dierenwelzijn van de gehele populatie edelherten (of wat er nog van over is) in gevaar.

In het bijzonder de individuele, drachtige hinden zijn uiterst kwetsbaar en moeten nu ‘voor twee’ kunnen eten.

Bij de beoordeling van de voedselsituatie binnen de OVP spelen er ook factoren mee die de situatie nog eens sterk, negatief kunnen beïnvloeden zoals:

  1. De komst van duizenden ganzen op het eerste, spaarzame gras.
  2. Na de dood van ongeveer 3000 herten in deze winter zijn de overgebleven 1000

herten ongetwijfeld in een uiterst slechte conditie.

  1. De uitbreiding van Jacobskruiskruid in het steeds kleiner wordende grazige deel van het gebied.
  2. De gevallen van ataxie zullen bij deze slechte conditie v/d herten alleen maar toenemen (verlammingsverschijnselen).

Redenen genoeg om het stoppen van het bijvoerprogramma kritisch te heroverwegen, de ramp die zich afgelopen winter voltrokken heeft is al groot en schandalig genoeg.

Vriendelijke groet,

Jozef H.M. Linthorst

Voorzitter VhE

06 30447359

P.S. VhE is onder normale omstandigheden geen voorstander van bijvoeren. Het standpunt van VhE is: een natuurgebied kan zoveel grote grazers en andere fauna aan als er natuurlijk voedsel wordt geproduceerd, de dieren moeten daar ruimschoots, zomer en winter van kunnen leven. Dit eventueel met gebruikmaking van immigratie naar randgebieden zonder hekwerken en/of andere barrières.

 

Oud-staatssecretaris Pieter van Geel zal de commissie OVP voorzitten. Van Geel is benoemd tot voorzitter van de commissie die gaat onderzoeken hoe het grote aantal grazers in de Oostvaardersplassen kan worden verkleind. Ook gaat de commissie de provincie Flevoland helpen om meer recreatie in het natuurgebied mogelijk te maken. Zo valt te lezen bij Omroep Flevoland. Kijk hier de uitzending van Omroep Flevoland over het onderwerp.

Pieter van Geel voorz OVP comm

Van Geel heeft na zijn politieke carrière tegenwoordig een adviesbureau en zal met de commissie onder zijn voorzitterschap het provinciebestuur adviseren over het: 'hoe nu verder' van het grote grazersbeleid in de Oostvaardersplassen. Een meerderheid van de Provinciale Staten is voor een verandering in het beleid in dit gebied voor wat betreft de heckrunderen, konikpaarden en edelherten. Volgens de PS sterven er jaarlijks teveel dieren en is het gebied te kaal. Dit beleid kan niet zomaar worden veranderd omdat er regels en wetten zijn rondom dit onderwerp. De andere leden van de adviescommissie worden nog gezocht. Het advies zal voor het eind van dit jaar op tafel moeten liggen.

De Provincie Flevoland nam vorig jaar de verantwoordelijkheid voor het beheer van de Oostvaardersplassen eind vorig jaar over van het Rijk. De eindverantwoordlijkheid voor het gebied hadden ze al, daar kwam eind vorig jaar de verantwoordlijkheid voor het welzijn van de dieren bij. Naast een advies over het beheer van de dieren moet er ook worden nagedacht over het uitbreiden van de recreatieve mogelijkheden. Het initiatief voor de beleidwijziging lag bij de SGP en de VVD.

 

Per 1 januari 2017 krijgt de Provinciale Staten van Flevoland de regie over de Oostvaardersplassen (OVP). Op 5 oktober wordt er in de Provinciale Staten van Flevoland een ‘oordeelsvormende’ vergadering gehouden over de conceptovereenkomst die het dierenwelzijn in de OVP moet gaan regelen. In de basis voor de conceptovereenkomst wordt voorgesteld om het ICMO2-rapport van 2010 en Natura 2000 beheerplan van 2015 als leidend te maken. Vereniging het Edelhert maakt in dit schrijven duidelijk dat die basis onmogelijk kan en verwoordt dit in bijgesloten stukken.

We constateren dat: 

1. de uitgangspunten ICMO2 op belangrijke onderdelen niet zijn uitgevoerd. Daarom kan dit rapport niet meer als uitgangspunt voor nieuw beleid dienen. In de eerste bijlage: 'Open brief aan Provinciale Staten van Flevoland' treft u een puntsgewijze evaluatie van de Nederlandse samenvatting van het ICMO2-rapport aan. 

2. in het Natura2000 beheerplan de invloed van de grote grazers nooit zijn meegenomen. De grote grazers hebben een hele grote invloed op het begrazingsgebied, maar ook op het moerasgebied. Daarom moet om Natura2000 te laten lukken de invloed van de grote grazers zeker worden meegenomen.

3. door voedselgebrek het welzijn van de grote grazers onvoldoende is. Daarom is er een wijziging van beheer noodzakelijk. 

Natura2000

Open brief

In opdracht van het ministerie van Economische Zaken heeft Alterra een rapport uitgebracht over contraceptie bij hoefdieren 'Quickscan Contraceptie bij hoefdieren'.

quickscan contraceptie hoefdieren 2

Middels deze reactie wil de VhE duidelijk maken dat contraceptie bij de in wild levende edelherten van de Oostvaardersplassen onmogelijk is.

Dion Graus van de PVV wil graag dat het geven van de prikpil bij de hoefdieren van de Oostvaardersplassen wordt uitgeprobeerd. Op initiatief van de Graus is ook bovengenoemde Quickscan aangevraagd. Alterra komt tot een voorzichtige conclusie dat in theorie de mogelijkheid aanwezig is, maar in de praktijk dit weleens moeilijk zou kunnen zijn. En dat er veel onderzoek nodig is om tot een rendabele methode te komen die praktisch uitvoerbaar is en het juiste effect heeft zonder ongewenste bijeffecten.

Wat de VhE toejuicht is dat er ook in Den Haag de noodzaak gezien wordt van het terugdringen van de aantallen hoefdieren in de OVP. Dit geconcludeerd hebbende kunnen we spreken over de wijze waarop. Wij gaan alleen in op het gebruik van contraceptie bij edelherten en de gevolgen voor edelherten.

Ontwerp provinciaal inpassingsplan Toelichting Project OostvaardersWoldIn de Nota Ruimte is een robuuste ecologische verbinding tussen de Oostvaardersplassen, de Veluwe en Duitsland opgenomen. De regierol voor de realisatie van de verbinding ligt bij de betreffende provincies. De provincie Flevoland heeft in het Omgevingsplan Flevoland 2006 aangegeven deze natuurverbinding te willen combineren met opgaven voor water en recreatie. Deze drie onderdelen zullen als samenhangend pakket gerealiseerd worden in de groenblauwe zone OostvaardersWold. Meer over de inhoud van het project leest u in hoofdstuk 3, gebiedsvisie. In dit hoofdstuk leest u informatie over de ligging van het plangebied, een opsomming van de bestaande kaders en het planproces zoals dit tot nu toe is doorlopen. Ten slotte is een leeswijzer voor de rest van deze toelichting opgenomen.

Ontwerp provinciaal inpassingsplan Toelichting Project OostvaardersWold

 

Lelystad - Na opmerkingen over ondoorzichtige c.q. onjuiste cijfers over de aantallen grote grazers in de OVP heeft SBB een nieuwe opgave op haar website gezet. Er is op ons verzoek een periode van één jaar genomen en daarbij aangegeven hoeveel dieren er geboren en doodgegaan zijn.

Almere - Staatsbosbeheer heeft vandaag het Oostvaardersbos (Fluitbos) in de Oostvaardersplassen grotendeels afgesloten voor het publiek. Alleen de twee uitkijkheuvels, de betonnen fietspaden daarna toe en en het derde betonnen fietspad het Jan van den Boschpad zijn toegankelijk.

De wandelpaden in het Oostvaardersbos zijn weer voor het publiek toegankelijk. Dat meldt Staatsbosbeheer.

De wandelpaden waren in de afgelopen wintermaanden gesloten, om de edelherten zoveel mogelijk rust te gunnen.

Inmiddels hebben de herten het bos verlaten en houden ze zich op in de Oostvaardersplassen. Daar is nu weer voldoende voedsel voor de dieren.


Mogelijke verbindingen voor Grote Grazers, Edelhert en Wild Zwijn

van de Oostvaardersplassen naar het Horsterwold

Dronten juni 2000

R.A. van Baarle


INHOUD

DE AANLEIDING, DE VRAAG EN DE DRIE MOGELIJKHEDEN

1.1 de aanleiding

1.2 de vraag

1.3 de voorgestelde tracé

2DE BEHOEFTE VAN DE GROTE GRAZERS


2.1 Algemeen

2.2 Heckrund

2.3 Konikpaard

2.4 Edelhert

2.5 Wild Zwijn

2.6 Samenvatting
 

3 SPECIEFIEKE EISEN, GEZIEN VANUIT HET DIER

3.1 algemeen

3.2 diervriendelijke oevers

3.3 minimale breedte verbindingszone

3.4 minimale hoogte van noodzakelijke rasters

4 DE VERSCHILLENDE TRACES

4.1 Het Adelaarstracé

4.2 Het Lepelaarstochttracé

4.3 Het Knardijktracé

NADERE UITWERKING

5.1 uitgangspunt voor de drie opties

5.2 Adelaarstracé

5.3 Lepelaartochttracé

5.4 Knardijktracé

6 OPPERVLAKTEN BENODIGDE LANDBOUWGROND

6.1  Adelaarstracé

6.2  Lepelaartochttracé

6.3  Knardijktracé

6.4 Compensatie voor de boeren

7 GESCHIKTHEID, CONCLUSIE EN AANBEVELING

8  LITERATUUR

1 DE AANLEIDING, DE VRAAG EN DE MOGELIJKHEDEN

1.1  De aanleiding:

In het Staatsnatuurreservaat de Oostvaardersplassen leven drie soorten grote zoogdieren in feite op een eiland.

Het gebied van ruim 5500 hectare wordt beheerd door Staatsbosbeheer en valt binnen de ecologische hoofdstructuur.

Op langere termijn is het beleid er op gericht dit rijke kleimoerasgebied via het Horsterwold te verbinden met de hogere gronden op de Veluwe, zodat de grote zoogdieren hun natuurlijk trekgedrag kunnen ontwikkelen, waardoor de invloed op de verschillende vegetaties gedurende het gehele jaar zal leiden tot een completer ecosysteem.

1.2 De vraag:

Vanuit Staatsbosbeheer is de vraag gesteld:

Kijk vanuit de behoefte van de grote grazers, het Edelhert en het Wild Zwijn naar de geschiktheid van een aantal mogelijke tracés voor een robuuste verbindingszone tussen de Oostvaardersplassen en het Horsterwold.

1.3  De voorgestelde tracés:


Drie varianten lijken in aanmerking te komen, namelijk:


Oostvaardersplassen-Adelaarsstrook-Horsterwold,

Oostvaardersplassen-Lepelaartochtstrook-Horsterwold en

Oostvaardersplassen-Knardijk-Horsterwold.


De afstand tussen de Oostvaardersplassen en de eerste twee varianten bedraagt hemelsbreed ongeveer 12 kilometer en bij de Knardijkvariant ongeveer 15.5 kilometer.
 

2     DE BEHOEFTE VAN DE VERSCHILLENDE DIERSOORTEN:

2.1     Algemeen:

     

Voordat verder wordt ingegaan op de technische mogelijk-en onmogelijkheden van een forse ecologische verbindingszone lijkt het, gelet op de vraag, goed eerst eens te kijken in hoeverre de verschillende diersoorten wel de behoefte hebben om over allerlei kunstwerken in een rechte lijn een afstand van tussen de 12 en 15 kilometer af te leggen.


Op dit moment leven er vier grotere zoogdieren in de Oostvaardersplasssen, namelijk het Heckrund en het Konikpaard, vaak genoemd “grote grazers”, het edelhert, een intermediate feeder, en de ree.

Reeën zijn sterk territoriumgebonden en hoewel zij als typische browsers plaatselijk grote invloed op de vegetatie kunnen hebben worden zij door beleidsmakers niet als sturend gezien en daarom hier verder niet besproken.

Het wild zwijn zal wel besproken moeten worden. De voedselopname van deze omnivoor kan tot 95 % bestaan uit plantaardig materiaal, zodat dit dier bijna als een grote grazer kan worden beschouwd.

2.2  Heckrund:


De populatie Heckrunderen in de Oostvaardersplassen bestaat uit koeien met kalveren en subadulte stieren, stiergroepen en territoriale stieren.

Stieren trekken bij voorkeur niet en verwacht mag worden dat, indien een verbinding naar het Horsterwold wordt gemaakt, het de koeien met hun kalveren zullen zijn die als eersten de Oostvaardersplassen zullen verlaten.

Veel zal daarbij afhangen van de voedselsituatie. Is deze slecht dan lijkt het logisch dat de trek zal worden bevorderd. Is er voldoende, dan zal het enige tijd duren voordat de dieren het Horsterwold hebben bereikt en waarschijnlijk zullen er dieren zijn die zich daar dan vestigen.

Stieren zullen dan uiteindelijk de weg wel weten te vinden.

De voedselsituatie zal dus in belangrijke mate het trekgedrag van de Heckrunderen bepalen.

(mond,med. J.T. Vulink).


 2.3  Konikpaard:


Anders dan bij de Heckrunderen leven de Konikpaarden het grootste gedeelte van het jaar in grote kuddes die uit enkele honderden dieren kunnen bestaan. De kuddes bestaan uit haremgroepen waarbinnen merries met of zonder veulen, subadulte dieren en hengsten leven. Binnen de mogelijkheden trekken deze kuddes in de Oostvaardersplassen in een kort tijdsbestek door het gehele gebied en bij uitbreiding van de mogelijkheden mag verwacht worden dat de dieren binnen korte tijd nieuwe mogelijkheden zullen gaan verkennen.. Paarden zijn nieuwsgierig en zullen vrij snel de afstand naar nieuwe gebieden kunnen afleggen.



2.4  Edelhert:


Het grootste deel van het jaar leven edelherten gescheiden in groepen hindes met kalveren en ÉÉnjarige dieren en groepen herten. Daarnaast zijn er ook solitairlevende herten.

Edelherten hebben een vaste homerange die niet snel wordt verlaten, maar in de herfst vallen de groepen mannelijke dieren uit elkaar en ontstaat sterk trekgedrag onder invloed van de bronst. Het is bekend dat edelherten in ÉÉn nacht vele tientallen kilometers kunnen afleggen en vaak trekken dezelfde herten in de bronsttijd naar dezelfde plaatsen.

Toch kunnen zich andere problemen voordoen die de trek kunnen verhinderen of vertragen.

Edelherten zijn van nature vrij schuw en kunnen snel in paniek raken. Daarnaast zijn het zéér voorzichtige overstekers. Hoogteverschillen, viaducten en grote kunstwerken in combinatie met een onzeker achterland, kunnen een welhaast onneembare barriere vormen.

Het nieuwe ecoduct over de A1, ter hoogte van Kootwijk, is in 16 maanden nog maar twee keer door een edelhert overgestoken, waarvan er één weer is terug gegaan naar zijn oude leefgebied.( Mond.med. H.Snel SBB).Voedselgebrek zal niet snel een reden zijn de Oostvaardersplassen te verlaten. Als intermediate feeder is een edelhert veel flexibeler in zijn voedselkeus dan bijvoorbeeld een rund.

Indien van het edelhert verwacht wordt dat hij trekt naar het Horsterwold en /of de Veluwe zullen de verbindingen ruim moeten worden opgezet.


2.5  Wild Zwijn:


Een wild zwijn is een sociaal levend dier en leeft in groepen van zeugen met biggen en subadulte dieren. De zeugen hebben en relatief kleine homerange. Eénjarige mannelijke dieren worden uit de groep gestoten en leven dan in kleine groepjes of solitair. Oudere keilers leven het grootste deel van het jaar solitair. Toch kunnen wilde zwijnen over grote afstanden trekken, met name de uit uitgestoten éénjarige mannelijke dieren.

Mocht besloten worden om wilde zwijnen uit te zetten in de Oostvaardesplassen of het Horsterwold, dan zullen het de jonge keilers zijn die als eersten zullen migreren. Voedselgebrek zal daarbij niet de voornaamste reden zijn, zeugen in het Vierhouterbos trokken na afbraak van het raster ondanks zéér slechte voedselsituatie niet weg uit hun vertrouwde omgeving. Migratie zal dus min of meer toevallig moeten plaatsvinden .

Wilde zwijnen kunnen aanmerkelijk schade veroorzaken aan de landbouw,de verbinding en het leefgebied zal dan ook door een varkenskerend raster van de landbouwgronden moeten worden gescheiden.


2.6     Samenvatting:


Samenvattend kan gezegd worden dat er voor de verschillende diersoorten andere redenen zijn om te migreren.

Voor het Heckrund lijkt dit vooral; voedselgebrek.

Voor het Konikpaard                  : sociaal gedrag.

Voor het Edelhert                       : natuurlijke trekdrang/ sociaal gedrag.

Voor het Wild Zwijn                    : verstoting uit de rotte .
 

3    SPECIFIEKE EISEN, GEZIEN VANUIT HET DIER:

3.1     Algemeen:


De echte grote grazers, rund en paard, staan dicht bij de mens en alhoewel zij in de Oostvaardersplassen een redelijk vrij levend bestaan hebben, zijn zij goed benaderbaar en, mits niet in paniek, makkelijk stuurbaar.

Voor paarden zou een laag raster in feite voldoende zijn en dit geldt ook voor de runderen.

Bij Heckrunderen, die niet onder de veewet vallen, zijn problemen van andere aard te verwachten, zoals een veevrije zone aan beide kanten van de verbindingszone van 500 meter, indien deze langs veehouders zou komen te lopen.

Edelherten vragen, zeker op de verbindingszone, een raster van ruim twee meter hoog en voor wilde zwijnen zal dit raster nog eens een zwaardere uitvoering moeten hebben. Het dient dertig centimeter in de grond te worden ingegraven.
 

3.2     Diervriendelijke oevers:


Zeker voor runderen en paarden geldt dat zij liever niet zwemmen.

Ze kunnen het wel, maar elke boer weet dat in de regel een smal slootje voldoende is om deze dieren in het weiland te houden.

Toch wordt vaak gesteld dat ge-dedomesticeerde grote grazers gemakkelijk van A naar B zwemmen, mits de oevers maar zacht glooiend zijn en er een natuurlijke overgang van droog naar nat wordt gecreëerd Sommigen verwijzen graag naar Afrikaanse situaties, maar een paard is geen zebra en een rund is geen gnoe!

Dit blijft dus een moeilijk punt, misschien het proberen waard, maar risicovol.

Edelherten, wilde zwijnen, maar ook reeën en hazen zullen veel minder moeite hebben om via diervriendelijk aangelegde oevers van A naar B te migreren.


3.3  Minimale breedte van de verbindingszone:


De verbindingszone zal deel uit moeten maken van het totale leefgebied van de diverse diersoorten. Zij zullen waarschijnlijk niet direct van A naar B lopen, maar geleidelijk aan dit nieuwe gebied gaan verkennen en zo min of meer toevallig in een nog veel groter leefgebied terechtkomen.

Voor runderen, paarden en wilde zwijnen zal de strook smaller kunnen worden aangelegd dan voor edelherten, 250 meter zou voldoende zijn. Edelherten hebben een minimale breedte van 750 meter nodig en indien alle diersoorten moeten kunnen migreren zal dus van deze laatste breedte moeten worden uitgegaan.

Deze zal dan nog hier en daar beplant moeten worden met een groter stukje bos. Een “œeiland” halverwege, zoals b.v. het Knarbos/Wilgenbos in de Knardijk optie zou voor alle dieren, maar met name voor het edelhert, ideaal zijn, maar indien hiervoor zou worden gekozen zal het tracé tenminste 1250 meter breed moeten zijn, gelet op afspraken met boeren ten aanzien van de Heckrunderen. De huidige regel is dat een Heckrund niet binnen een straal van 500 meter van een veehouderij mag lopen.

 

3.4  Minimale hoogte van noodzakelijke rasters:


Heckrund  : raster, 1.30 meter hoog.

Konikpaard: raster, 1.30 meter hoog.

Edelhert    : raster, 2.10 meter hoog.

Wild zwijn : raster, 1.30 hoog en 30 cm in de grond.

                   

Hieruit volgt dat indien gekozen wordt voor een ecologische verbinding voor alle hier beschreven diersoorten er een raster zal moeten komen van 2.10 hoog. Tevens zal het gehele Horsterwold moeten worden uitgerasterd, i.v.m. varkensschade bij aangrenzende boeren. Dit raster zou misschien 1.30 kunnen zijn zodat het wild zwijn, rund en paard tegenhoudt en de edelherten de mogelijkheid geeft om het gebied te verlaten. Wordt hier voor gekozen dan dienen goede afspraken met boeren te worden gemaakt en zal er goede voorlichting moeten komen voor de weggebruiker.

Wordt gekozen voor een gesloten systeem, dan dient naast de verbindingszone ook het gehele nieuwe leefgebied te worden omgeven door een hertenkerend raster van 2.10 meter hoog.


4   DE VERSCHILLENDE TRACÉS
 

4.1  De Adelaarsstrook.


Deze 200 meter brede strook loopt van de Ibisweg tot de hoek Tureluurweg/Schollevaarweg.

Een afstand van 8 kilometer. De strook wordt begrensd door een D-tocht en is thans in beheer bij het Flevolandschap.

Bij de inrichting van Zuidelijk Flevoland is deze strook al gereserveerd als mogelijke toekomstige verbinding tussen Nijkerk en Almere-Noord en in de verschillende provinciale toekomstscenario’s wordt melding gemaakt van een vierbaanssnelweg, de A 30.

Toch behoeft dit niet te betekenen dat deze strook niet in aanmerking zou komen als ecologische verbinding richting Horsterwold. De strook zou een prima scheiding kunnen worden tussen Almere en het centraal gelegen landbouwgebied van Zuidelijk Flevoland, met mogelijkheden voor uitzicht-en informatiepunten voor de inwoners van Almere. Deze optie dient dan ook nader uitgewerkt te worden.


4.1  De Lepelaartochtstrook:


Op 6 kilometer ten Noord Oosten en parallel aan het Adelaarstracé ligt de Lepelaartocht.

Deze loopt van de Ibisweg naar de Schollevaarweg.

De afstand is ook 8 kilometer. Aan beide zijden is een aarde wal, de totale breedte is 100 meter. De strook is in beheer bij het Flevolandschap.

Technisch is het goed mogelijk om hier een verbinding te maken van het Oostvaardersplassen/Praamweggebied naar het Horsterwold en deze optie kan nader worden uitgewerkt.

4.3  Het Knardijktracé:


Deze van oorsprong buitendijk van Oostelijk Flevoland ligt weer 2.5 tot 3.5 kilometer ten Noord Oosten van het Lepelaarstochttracé. Recentelijk is deze dijk ingericht als ecologische verbindingszone. De huidige breedte is ongeveer 200 meter. Op de kaart lijkt het heel wat, maar gekozen oplossingen lijken verre van ideaal en niet duidelijk is welke dieren er door een wirwar van roosters, hekken en stukjes gaas van waar naar waar moeten lopen. De dijk is in beheer bij Rijkswaterstaat. De afstand Hollandse Hout Horsterwold is langer,15.5 kilometer, maar technisch is het goed mogelijk de Knardijk te gebruiken.

Deze optie moet ook nader uitgewerkt worden, zeker als gedacht wordt aan een verbinding naar de Veluwe via het Hierdense Beek tracé.
 

5     NADERE UITWERKING:


5.1  Uitgangspunten voor de verschillende opties:


Voor de drie opties wordt uitgegaan van een Oostvaardersplassengebied dat is uitgebreid met het Hollandse Hout, het Praamweggebied en het Kotterbos.

Het Kotterbos zal binnenkort aan de Oostvaardersplassen worden toegevoegd en zal in de Adelaarstracé-optie als springplank voor de oversteek van de A6 moeten dienen.

De grote grazers, die moeten migreren naar het Horsterwold dienen hier dus te kunnen komen. Dit kan door een bestaand viaduct onder de spoorlijn, ter hoogte van de Kottertocht, aan te passen voor de passage van grote zoogdieren.

Het Praamweggebied behoort nu al tot de Oostvaardersplassen en ook voor deze verbinding naar het Horsterwold geldt, dat als deze begint bij het Lepelaartochttracé, alle diersoorten hier moeten kunnen komen.

Dit kan zonder problemen via het Hollandse Hout, waar 7 bestaande viaducten onder de spoorlijn voldoende mogelijkheden bieden, waarna de dieren via de Knardijk het Praamweggebied bereiken.

Voor het Knardijktracé wordt uitgegaan dat alle diersoorten het Hollandse Hout benutten.

Ook geldt voor alle opties dat, tenzij er gekozen wordt voor een vaste verbinding over de Lage Vaart, deze over een afstand van enkele kilometers zodanig dient te worden ingericht dat dieren hier gemakkelijk over kunnen zwemmen. Dit blijft een knelpunt, maar is misschien op te lossen door een vlakke oever met moeraszone en een smalle vaargeul. Voor de in-en uitgang van dit stuk vaart zal een technische oplossing gevonden moeten worden. Gedacht kan worden aan een laserstraal die een geluidssignaal en/of lichtflitsen in werking stelt bij naderende dieren. In een later stadium zal over vaste oeververbindingen over de Lage €“en Hogevaart versus diervriendelijke oevers moeten worden beslist..
 

5.2     Adelaarstracé:


Technisch is het goed mogelijk de Oostvaardersplassen via het Adelaarstracé te verbinden met het Horsterwold.

In geval voor deze optie wordt gekozen zal de strook op lange termijn een overgang kunnen vormen tussen het stedelijk gebied van Almere en de centrale agrarische kern van Zuidelijk Flevoland.

Er kan worden volstaan met de minimaal aangegeven breedte van 750 meter. Aangrenzende boeren zijn bijna allen akkerbouwers. Twee veebedrijven, langs de Ibisweg en in het Vaartbos zullen moeten wijken.



De route, rooster- rastersituatie en de benodigde ecoducten:


Er wordt van uitgegaan dat het Kotterbos is uitgerasterd en dat de grote grazers via het aangepaste viaduct onder de spoorlijn ter hoogte van de Kottertocht dit gebied kunnen bereiken. Het kampeerterreintje dat pal naast dit viaduct ligt, zal moeten worden verplaatst.

De eerste hindernis is de Lage Vaart, die ofwel via de diervriendelijke oevers, ofwel met een vast ecoduct moet worden overgestoken.

De grote zoogdieren komen dan in de zogenaamde Kotterbosstrook, 200 breed, tussen Lage Vaart en A6. Deze dient te worden uitgerasterd, de recreatieplas kan hier buiten blijven.

Nu wordt de A6 overgestoken, waarbij met een enorm ecoduct rekening moet worden gehouden. De snelweg is hier namelijk extra breed doordat een grasbaan van 70 meter de rijbanen doorsnijdt.

Het ecoduct zal juist ten Noord Oosten van de huidige afslag A6- Buitenring moeten komen.

Via het land van een uit te kopen veehouder aan de Ibisweg, die wordt voorzien van roosters, komen de dieren op het eigenlijke Adelaarstracé.

Na 3.5 kilometer wordt de Vogelweg bereikt. Hier moet waarschijnlijk een ecoduct worden aangelegd en vervolgens 4 kilometer rechtdoor tot aan de Hoge Vaart.

Diervriendelijke oevers of een ecoduct zijn hier noodzakelijk, waarna de dieren in de Zuid-West punt van het Vaartbos terecht komen. Maximale benutting van dit bosgebied betekent uitrasteren. Ergens ter hoogte van kavelnummer PZ 68 zal de Gooise weg als laatste obstakel een ecoduct vergen, waarna het Horsterwold is bereikt.

Samenvattend:

De totale lengte vanaf het Kotterbos bedraagt ruim11.5 kilometer.

Nadeel: Geen bestaande “eilanden” en één extra groot ecoduct.

Drukke snelweg, pal naast de ecozone hoeft geen probleem te zijn. Dieren zullen hier snel aan wennen.

Voordeel: goede mogelijkheden voor uitzicht-infopunten langs de toekomstige snelweg A 30 en daardoor een nauwe betrokkenheid van het publiek bij de verbindingszone.

Minsten 3 ecoducten, waarvan één zeer groot zullen moeten worden aangelegd.

Een secondaire weg moet worden overgestoken.
 

5.3  De Lepelaartochtstrook:


Het grote voordeel van deze optie is dat dit tracé aan beide zijden wordt begrensd door

akkerbouwbedrijven.

Dit betekent dat er geen, of in ieder geval veel minder, problemen met veehouders te verwachten zijn voor wat betreft de Heckrunderen.

Een veiligheidszone van twee maal 500 meter is niet nodig, de verbinding kan dus smaller worden aangelegd.

Zoals al opgemerkt wordt uitgegaan van een minimale breedte van 750 meter.

De route, de rooster- rastersituatie en de benodigde ecoducten:


Er wordt vanuit gegaan dat de Spoorweg is uitgerasterd. De dieren kunnen via de 7 bestaande viaducten in het Hollandse Hout en over de Knardijk in het Praamweggebied komen.

Honderd meter ten Oosten van het Praamwegviaduct zal het raster de Praamweg kruisen. Hier komt dan een veerooster en het raster loopt vervolgens tot de ingang-uitgang van de Lage Vaart.

Deze oever is diervriendelijk ingericht over een lengte van 6 kilometer. De andere ingang-uitgang bevindt zich op de Noord Oosthoek van het Hollandse Hout.

Zo wordt in feite nog een mooie moerasoeverstrook aan het gebied toegevoegd, het buitenraster komt dan langs de A6 te lopen.

De dieren hebben in de al bij Staatsbosbeheer in beheerzijnde strook jong bos een goede aanloop naar het eerste ecoduct.

Dit dient te worden aangelegd over de A6 ter hoogte van kavelnummer JZ11/23.

De breedte van een ecoduct kan variëren van 33 meter, Kootwijk, tot ruim 50 meter, Hoenderlo en Terlet. In Frankrijk zijn nog grotere constructies.

Veilig overgestoken komen de dieren nu in een 130 hectare groot natuurgebied, bestaande uit ruigte, spontaan gegroeid wilgenbos en water, thans in beheer bij het Flevolandschap.

Het Ooievaarsplas/Reigerplas gebied zou een goed rustpunt bieden na een toch moeilijke oversteek. Het dient te worden uitgerasterd.

Op de Ibisweg dienen twee veeroosters te komen ter hoogte van het begin van het eigelijke Roerdomptochttracé.

Vanaf dit punt 4 kilometer rechtdoor, waarna de Vogelweg moet worden overgestoken.

Vlak voor de Vogelweg ligt “de Aardzee”, een polderkunstwerk dat waarschijnlijk behouden zou kunnen worden. Deze doorgaande weg zal waarschijnlijk een ecoduct vergen, tenzij er afspraken met de provincie kunnen worden gemaakt over verkeersdrempels en roosters, zoals nu in het Praamweggebied, dit alles wellicht in combinatie met een uitzichtpunt voor publiek /Aardzee.

Na de oversteek van de Vogelweg, gaat het 1800 meter rechtdoor en bereiken de dieren een klein “eiland” in de vorm van een Naturistencamping. Dit jonge stukje bos grenst aan het fruitbouwgebied van Zeewolde, is ongeveer 12.5 hectare groot en in beheer bij het Fevolandschap.

Vanaf dit bos gaat de verbindingszone afbuigen naar het zuiden en de Schollevaarweg wordt ten zuiden van de Spiekweg overgestoken. Ook hier weer keus tussen ecoduct of verkeersmaatregelen met roosters.

De Lage Vaart wordt over een afstand van enkele honderden meters diervriendelijk gemaakt, glooiende oevers etc. met de voornoemde in-en uitgangssituatie.

Nu komen de dieren in het Vaartbos. De verbinding kan hier ofwel doorlopen, ofwel breder worden gemaakt. Maximale benutting betekent, dit bos uitrasteren.

De laatste hindernis is de Gooise weg. Deze zal hoogstwaarschijnlijk door een ecoduct moeten worden overgestoken. Het Horsterwold is nu bereikt ter hoogte van Kavel QZ10/11.

Samenvattend:

De totale lengte vanaf het Praamweggebied bedraagt ruim 12 kilometer.

Groot voordeel: geen veehouders in de buurt. Matig voor wat betreft rustpunten.

Waarschijnlijk 4 ecoducten noodzakelijk. Twee secondaire wegen moeten worden overgestoken.


5.3  Het KnardijktracÉ


Zoals al is opgemerkt wordt er van uitgegaan dat alle diersoorten het Hollandse Hout als startpunt hebben en dat de oevers van de Lage Vaart diervriendelijk zijn ingericht, ofwel verbonden worden door een ecoduct.

Het grote nadeel van deze optie is dat de route door een veeteeltgebied loopt, waardoor met de huidige afspraken en regelgeving er een tracé van tenminste 1250 meter breed zou moeten komen. Binnen deze totale breedte zou een aparte strook van 250 meter moeten liggen die gebruikt zou kunnen worden door de Heckrunderen, Konikpaarden en wilde zwijnen. Deze strook zou moeten zijn uitgerasterd met een varkenskerend raster van 1.30 meter. De edelherten zouden hier dan overheen kunnen springen en zodoende de gehele breedte kunnen benutten. Een gecompliceerde en gekunstelde oplossing, maar deze optie is natuurlijk alleen noodzakelijk als besloten wordt dat Heckrunderen naar het Horsterwold moeten kunnen migreren en bestaande afspraken met buren niet kunnen worden verandert.


De route, de rooster- rastersituatie en de benodigde ecoducten.


Vanuit het Hollandse Hout wordt de Lage Vaart overgestoken.

De dieren komen dan in een smalle strook (Kavel D62),die als moerasoever/overganggebied zou kunnen dienen. Dit moet worden uitgerasterd tot aan het punt waar de A6 moet worden overgestoken.

Een goede plek zou net ten Noord Oosten van de Knardijk kunnen liggen. Nog beter zou een ecoduct ter hoogte van de Burchtkamp zijn. Dit natuurgebied gebied is ongeveer 150 hectare groot en in beheer bij het Flevolandschap. Hier zouden de dieren een eerste rustpunt kunnen vinden en de verbindingszone zou dan langs de A6 weer richting Knardijk lopen.

Na 3 kilometer zou een groot eiland bereikt worden, aan de Zuidkant het Wilgenreservaat en aan de Noord- en Zuidkant het Knarbos.

De totale oppervlakte van deze bij het Flevolandschap in beheer zijnde gebieden is ongeveer 515 hectare.

Dit alles wordt doorsneden door de Vogelweg. Deze zal waarschijnlijk een ecoduct vergen, tenzij er goede afspraken met de provincie kunnen worden gemaakt, zie voorgaand.

Vanaf hoek Vogelweg 4 kilometer rechtdoor, waarna de Hoge Vaart bereikt wordt. Het bestaande kunstwerk zal vervangen moeten worden door een ecoduct en indien dit niet haalbaar is zou er een diervriendelijke oever juist ten Noorden hiervan moeten worden gemaakt met in- en uitgangssituatie.

Een kilometer verder ligt de Gooise weg, waar een ecoduct onontkoombaar lijkt.

Direct na de oversteek zal de verbindingszone scherp naar rechts moeten afbuigen, tussen de Gooise weg en de Ossenkampweg door en zo richting het Horsterwold.

Als laatste zal dan de Spiekweg genomen moeten worden, waarschijnlijk met een ecoduct.

Samenvattend:

De totale lengte vanaf het Hollandse Hout bedraagt 15.5 kilometer.

Groot nadeel: de minimale, min of meer verplichte, breedte van 1250 meter.

Groot voordeel: het grote “eiland” en de mogelijke aansluiting aan het Harderbroek, Harderbos, Randmeerbossen en vooral de overal geplande verbinding naar de Veluwe, via het Hierdense Beek tracé.

Waarschijnlijk zullen 5 ecoducten noodzakelijk blijken.


6  OPPERVLAKTEN BENODIGDE LANDBOUWGROND:


Op een kaart is het makkelijk lijnen trekken en papier is geduldig, feit blijft dat in alle gevallen aanzienlijke oppervlakten landbouwgrond zullen moeten worden aangekocht.

6.1 De Adelaarsstrook:


Indicatief zou dit voor de Adelaarsstrook het volgende betekenen:

Bestaande strook is 200 meter breed.

Benodigde landbouwgrond is dan 9 kilometer bij 550 meter, totaal dus 495 hectare.

De camping in het kotterbos zal moeten worden verplaatst en met het Flevolandschap, de huidige beheerder van de strook zullen afspraken moeten worden gemaakt.





6.2 De Lepelaartochtstrook:


Indicatief zou dit voor de Lepelaartochtstrook het volgende betekenen:

Bestaande tochttracé is 100 meter breed.

Benodigde landbouwgrond is dan 9 kilometer bij 650 meter, totaal dus 585 hectare.

Hierbij komt nog dat met name in het fruitbouwgebied een aantal huizen in de weg zouden kunnen staan.

De huidige naturistencamping zou verplaatst moeten worden.

Met het Flevolandschap zullen afspraken moeten worden gemaakt ten aanzien van de door hen beheerde natuurgebieden, totaal, inclusief de huidige strook, ongeveer 232.5 hectare.


6.3 Knardijktracé


Voor deze verbindingszone zal aanzienlijk meer grond moeten worden aangekocht.

Indicatief en uitgaande van de verbinding Hollandse Hout via de Burchtkamp zou dit betekenen:

Bestaande dijk is 200 meter breed.

Benodigde landbouwgrond is dan 15 kilometer bij 1 kilometer breed, totaal dus 1650 hectare.

In verband met de breedte zullen alle boerderijen langs de Knarweg moeten worden aangekocht en mocht besloten worden de verbinding door te trekken naar het Harderbos/

Veluwe dan komen er nog de nodige hectares en aankopen bij.

Ook bij deze optie zullen goede afspraken met het Flevolandschap moeten worden gemaakt.

Zij beheren 158 hectare Burchtkamp, 377 hectare Knarbos en 138 hectare Wilgenreservaat, totaal dus 673 hectare. Ook met Rijkswaterstaat zullen afspraken gemaakt moeten worden over inrichting en beheer van de Knardijk, ongeveer 180 hectare.
 

6.4 Compensatie voor de boeren:

Uit het voorgaande blijkt dat er voor de optie Adelaarsstrook het minst gecompenseerd hoeft te worden voor de boeren, namelijk ongeveer 500 hectare.

Voor de Lepelaartochtstrook zal ongeveer 600 hectare gecompenseerd moet worden en voor het Knardijktracé zal het om ruim 1650 hectare gaan.

Mogelijkerwijs zouden een aantal boeren kunnen worden uitgekocht, waarna het vrijkomende land kan worden herverkaveld onder de buren.

Ook is het wellicht denkbaar dat enkele boeren nog in aanmerking zouden komen voor een bedrijf elders in Zuidelijk Flevoland. De stichting Erf beheert nog een aantal restgronden en misschien liggen hier nog beperkte mogelijkheden.


7  GESCHIKTHEID VAN DE ONDERZOCHTE TRACÉS CONCLUSIE EN AANBEVELING:


Zoals is aangegeven hebben de drie tracés hun voor- en nadelen.

Vanuit de behoefte van het dier is ertussen de beschreven mogelijkheden niet veel verschil en zijnde alle opties geschikt indien de voorgestelde breedtes worden aangehouden.

Het grote “eiland” in het Knardijktracé is een voordeel, maar dit weegt waarschijnlijk niet op tegen de grote nadelen en geweldige extra investeringen.

Verwacht mag worden dat de dieren de verbindingen zullen gaan beschouwen als een onderdeel van het totale leefgebied en stapsgewijs min of meer toevallig het Horsterwold zullen bereiken.


Concluderend kan gezegd worden dat de Adelaartochtstrook en de Lepelaartochtstrook de voorkeur verdienen boven het Knardijktracé. Het is een kortere weg, praktisch uitvoerbaar en waarschijnlijk aanvaardbaar voor aangrenzende boeren Ook zijn zij aanzienlijk minder duur dan het Knardijktracé.


Zou dit zo worden besloten dan worden in feite twee eilanden verbonden en dit kan op de lange duur niet de bedoeling zijn.

Een verbinding met de Veluwe is het achterliggende doel en speerpunt van beleid.

Vanuit het Horsterwold zijn er twee mogelijkheden.

De eerste mogelijkheid is via het Nuldernauw de A28 oversteken richting het landgoed Oud Groevenbeek, gelegen tussen Ermelo en Putten.

De tweede mogelijkheid is aansluiting zoeken bij het Hierdense beektracé ten Noorden van Harderwijk Deze beide mogelijkheden worden aangegeven in het recentelijk verschenen concept rapport “Veluwe 2010” van de provincie Gelderland.

De Harderbos/Hierdensebeek aansluiting zou ook zonder de Knardijkverbinding bereikt kunnen worden indien de 750 meter brede strook tussen de Gooise weg en de Ossenkampweg in de verbinding zou worden betrokken.


Het verdient dus aanbeveling de strook tussen Gooise weg/Ossenkamp open te houden omdat deze in een later stadium wel eens heel belangrijk kan worden, zeker als besloten wordt de Veluwe via het Hierdense beek tracé met Flevoland te verbinden.



8  Literatuur:


Ontwikkelingsplan Horsterwold. Flevobericht 416

Ecologische Verkenning Veluwe. Provincie Gelderland 1999

Veluwe 2010: een kwaliteitsimpuls Provincie Gelderland 2000

Dynamische interacties tussen hoefdieren en vegetatie in de Oostvaardersplassen IBNrapport 436.

Omgevingsbeleidsplan Flevoland. Provincie Flevoland 1999

Ontwerp ontwikkelingsvisie Flevoland 2030. Provincie Flevoland 1999

Etude Infrastructures Verte: inventaire des espaces de libre circulation du Cerf Elaphe

ONC 1997.

De sociale organisatie van een kudde Heckrunderen. Felovobericht 353

Digestive strategies in ruminants and nonruminents. Van Wieren 1996

Foraging in a landscape mosaic. Wallis de Vries 1994

Diet and condition of wild boar, without supplentery feeding.Goot Bruinderink 1994

Het belang van een Noordwest-Europese Ecologische Hoofdstructuur voor grote zoogdieren

Groot Bruinderink (in druk).

Grote herbivoren in wetlands. Evaluatie begrazingsbeheer Oostvaardersplassen Flevobericht 399

Edelherten en reeën in de Oostvaardersplassen. Demografie, terreingebruik en dieet. Flevobericht 397


Uitgiftekaart Flevoland, zuidelijk gedeelte. 1996 Rijkswaterstaat
Het algemene beeld van de Oostvaarderplassen (OVP) was dat de herten in een paradijs leven met veel voedsel en rust beide in extreme overvloed. Geweldige geweien en herten in blakende gezondheid. Schitterende foto's o.a. van Dick van den Hoorn illustreerden dat regelmatig in het vereningsblad Het Edelhert.

Afgelopen winter werd dit beeld voor vele abrupt verstoord. Een artikel in het Algemeen Dagblad met melding van 120 door honger gestorven herten. Dit bleek later sterk overdreven te zijn. Op dat moment bleek het uitval*, ongeveer 30 herten te zijn geweest. Dit doet op zich niet af aan het feit, dat er zo'n 3% van de herten door voedselgebrek en vervolgens door uitputting gestorven zijn. Oorzaak: Staatsbosbeheer (SSB) voert een beleid uit dat de natuurlijke situatie nastreeft, waarbij ingrijpen door de mens niet past.

Er werd vanuit de vereniging aan het bestuur verzocht dit hertenleed aan de kaak te stellen.

In de hedendaagse maatschappij is in alle redelijkheid geen ruimte meer voor verhongering. Een vergelijking met Afrika wordt door SSB snel gemaakt. De natuur gaat daar zijn gang en dat kan soms tot medelijden wekkende situatiesleiden. Dat kan zijn door voedselgebrek of door jacht van predatoren. De natuur kan wreed zijn. Maar zolang we invloed op die natuur kunnen uitvoeren om tot mindere wrede situatie te komen, dan moeten wij dat niet nalaten. Dit hangt samen met de mate van beschaving. Men zegt ook wel: "De beschaving van een volk is af te lezen uit de wijze waarop men met de dieren omgaat." En wij zien onszelf toch als beschaafd.

De voorstanders van het beleid in de OVP willen de natuur daar zoveel mogelijk haar eigen gang laten gaan en in principe niet ingrijpen. Een uniek experiment, die door de wetenschappers met veel belangstelling wordt gevolgd. Geen getalsmatig beheer afgestemd op de hoeveelheid ruimte, rust en voedsel, geen grondwaterpeil regulatie, geen gezondsheidzorg voor gewonde dieren. Beheer volgens de ethische richtlijnen en alleen afschot plegen als er sprake is van uitzichtloos lijden. Dus bijvoorbeeld als er geen kans meer is om de winter te overleven. Maar moeten de dieren eerst interen en creperen en krijgen ze dan alleen nog een 'genade'-schot of wordt er preventief ingegerepen om juist het interen en magere en zielige herten tegen te gaan, of te wel het uitvoeren van populatiebeheer. Helaas is dit het geval. Is die kans er wel ook als het maar in de geringste mate is, dan mag van SBB het hert tegen de hongersdood vechtend proberen het voorjaar te halen. Een nobel streven om het dier te laten leven of een gevoelloos experiment om het hert de uiterst kleine kans te gunnen te kunnen overleven? Maar moeten we het zover laten komen? Volgens tegenstanders van het OVP-beleid niet. Juist als het dierenwelzijn in het geding komt. Er is geen echte natuur meer. Als de OVP geen echte natuur zijn, hoe groot moet het gebied dan zijn om van de critici het predikaat "natuur" te krijgen?, vraagt Jan Griekspoor, terreinbeheerder in de OVP zich af.

Image

Het grondwaterpeil is een meter gezakt. Op zich geen echt probleem: meer (moeras-)gebied valt droog en de klei voorziet door capilaire werking de vegatatie van voldoende water om niet te verdorren.

Image

Feit is wel, dat er eigenlijk nergens meer echte natuur meer is, waar de flora en fauna zonder inmenging van de mens echt zijn gang kan gaan. Er is altijd onnatuurlijke invloed. Zeker in Nederland, de bossen op de Veluwe aangelegd t.b.v. de mijnbouw en houtproductie voor andere doeleinden. Weilanden, parken, akkers en polders aangelegd, duinen beplant en in standgehouden. De OVP is ingepolderd, ingerasteerd en zijn een drietal grazers bij elkaar gezet om op een natuurlijke manier het gras voor de ganzen kort te houden

Image

In de zomer is er voldoende voedsel.

Image

Opvallend is dat op 21 augustus de hertengeweien nog steeds in bast zijn.

Met andere woorden wij zijn verantwoordelijk voor de ontstane situatie en moeten indien nodig ingrijpen. Dat kan met name zijn getalsmatige beheer afgestemd op de draagkracht van het gebied. Anders gezegd, het aantal dieren afstemmen op het beschikbare voedsel, zodat de aanwezige grazers tijdens een groot deel van het voldoende voedsel hebben om de winter te overbruggen. Interen in de winter is okay, maar niet verhongeren! Een pony laten we toch ook niet verhongeren in de wei en als onze kinderen ziek zijn gaan we toch ook naar de dokter. We gaan dan toch ook niet kijken wat er gebeurd als we niet ingrijpen


Hoe en wanneer er ingegrepen worden in de gebieden van SBB is vastgelegd in de ethische richtlijnen voor het omgaan met zelfstanig levende dieren in de terreinen van SBB. Hierin staat o.a. dat "indien de beheerder geconfronteerd wordt met een gewond of ziek dier of door anderen erop gewezen wordt dat een dier in zijn terrein ziek of gewond is, dan grijpt hij alleen in als aangenomen mag worden dat de voordelen van ingrijpen opwegen tegen de nadelen van ingrijpen (voor het dier)".

Geen vuiltje aan de lucht lijkt zo. Waarom lopen er dan toch van die verzwakte dieren in eind maart rond? Het afschot vindt zo veel mogelijk plaats aan de einde van de winter. De metabolisme (stofwisseling) schijnt dan zo laag te zijn, dat de herten weinig alert zijn en er apathisch bijstaan. Ideaal om van dichtbij afschot te plegen zonder verontrusting van de rest van de herten. Maar waarom lukt dat niet afdoende? Kan er niet 1 of 2 maanden eerder begonnen worden met afschieten? En waarom staan de herten er zo apatisch bij? Kan niet een deel van de herten, waarbij al zichtbaar is, dat ze het moeilijk gaan krijgen eerder afgeschoten worden en daarmee heel wat dieren- en mensenmedelijden voorkomen kunnen worden. Is dat dan niet een beter moment?

Hier is waarschijnlijk een mogelijkheid om de voor- en tegenstanders van het "euthanesiebeleid" met elkaar in overeenstemming te brengen. Gelukkig blijkt dat gedurende het jaar, indien nodig, wél afschot gepleegd wordt. Zo werd half augustus nog een aantal zwakke hertenkalveren geschoten. Die zullen een maand of drie of vier oud geweest zijn. Het was noodzakelijk afschot en SBB heeft deze jonge herten zeker niet te lang door laten sukkelen.


Image

Image

De verzwakte herten, gefotografeerd in maart 2003, kregen trouwens ook van SBB het predikaat "noodzakelijk afschot" en zijn dan ook kort na daarna geschoten. Er werd dus niet helemaal afgewacht tot de dieren letterlijk omvielen van de honger.

Image

Maar kunnen we deze situatie niet bij voorbaat vermijden? Dus ervoor zorgen dat er genoeg voedsel cq. niet teveel herten zijn? Getalsmatig beheer d.m.v. wegvangen, geboortebeperking of afschieten zijn dan oplossingen. De ethische richtlijnen zegt letterlijk: "De omvang van de populatie van de verschillende diersoorten wordt door de beheerder zodanig gereguleerd, dat de draagkracht van het terrein niet overschreden wordt". Verder staat er dan er sprake mag zijn van "Het maximale aantal dieren, dat zonder grote problemen, zoals ziekte en ernstige honger en zonder het terrein ernstig aan te tasten, gedurende lange tijd in een terrein kan leven." Hier zit een verschil in interpretatie met name in de definitie van draagkracht.

SSB vindt dat draagkracht van een terrein voldoende is, indien het totaal van voedsel op jaarbasis genoeg is om het merendeel van de dieren in leven te houden. Er wordt echter voorbij gegaan aan het kunnen vinden van het voedsel en dat het aanbod van voedsel niet gelijkmatig verdeeld is over het hele jaar.

In het najaar zijn de herten na de bronst verzwakt en vermagerd. Gewichtsvermindering van 25% is mogelijk en niet bij voorbaat teveel. Er is dan vervolgens te weinig voedsel te vinden om voldoende aangesterkt de winter in te gaan. Er wordt verder ingeteerd op de reserves. In maart en april is dan het zwaarst voor de herten. Nog geen voedsel te vinden en al de reserves opgebruikt. In aril begint langzaam weer wat gras te groeien, maar mineralen zijn nog niet beschikbaar. Juist die mineralen zijn nu hard nodig voor het de opbouw van het nieuwe gewei. De noodzakelijke stoffen worden onttrokken uit o.a de botten van het hert, zonder dat er al inname plaatsvindt.

Zelfs een crashsituatie, die volgens SBB onaanvaardbaar is, waarbij een groot dele van de populatie sterft, is niet geheel denkbeeldig. De natuur krijgt door intensieve begrazing steeds minder gelegenheid te herstellen na begrazing. Een droge zomer versterkt dit proces. Jonge boompjes worden opgegeten voordat ze een wezenlijke voedselbijdrage kunnen geven.

Image

Image

Ook volwassen bomen delven steeds meer het onderspit. De boom zoals de Vlier, wordt geschild en sterft.
Een andere veel voorkomende boom, de wilg, is aangetaste door Watermerk, een zwamachtige ziekte die het vochttransport in de boom stillegt.

Image

Het spanningsveld ligt op punt van draagkracht van het gebied. SBB zegt dat de grens nog niet bereikt is. Tegenstanders zeggen van wel: "Kijk naar de uitval"

Hoe gebeurt het beheer in de praktijk?

Image

Dagelijk schijnt er geteld en geobserveerd te worden. Hier bijvoorbeeld in het gebied tussen het droge en het moerasgedeelte. Veeartsen zien wekelijk toe op het welzijn van de dieren. Een commissie Grote Grazers controleert het gevoerde beleid. Toezicht en bewuste begeleiding is er wel, ingegrepen wordt in principeel alleen bij uitzondering. Men laat naar eigen zeggen de dieren niet lijden. Toch is niet iedereen daar zo zeker van.

Wij houden u op de hoogte hoe het verder gaat met de herten in de OVP.

Uitval*: een term die door Staatsbosbeheer gehanteerd wordt voor het sterven van de herten door o.a.verhongering en door afschot van sterk verzwakte of zich niet normaal gedragende herten.
Staatsbosbeheer heeft per 21 februari 2007 een deel van de westzijde van de Oostvaardersplassen (het Oostvaardersbos*) tijdelijk afgesloten om de aanwezige edelherten voldoende rust te gunnen. Wandelen en fietsen is uitsluitend toegestaan op het verharde pad naar de observatieheuvels en over het Jan van den Bosch pad.

Verstoring voorkomen

Aan het eind van de winter trekken de in de Oostvaardersplassen levende edelherten in grote getalen naar het bos om zich daar te voeden met bast van bomen. Dit is voor veel mensen een extra aanleiding om naar het gebied te komen en de herten van dichtbij te zien. Voor het welzijn van de dieren is verstoring, vooral door mensen die zich buiten wegen en paden begeven, in deze winterperiode echter niet goed. Er ontstaat onrust en de herten worden opgejaagd door het hele bos. Dit heeft kwalijke gevolgen voor de gezondheid van de herten omdat de dieren in de winterperiode extra gevoelig zijn voor verstoring.

Zuinig met energie
Verstoring kost energie en in de winter moeten ze � door de beperkte hoeveelheid voedsel � hiermee zuinig omgaan. Om te voorkomen dat de conditie van de edelherten onnodig verslechtert is het bosgebied, op advies van dierenartsen die Staatsbosbeheer over grote grazers adviseren, tijdelijk tot strikt rustgebied verklaart. Rond eind april zal, afhankelijk van het weer, het voedselaanbod in de rest van de Oostvaardersplassen zijn verbeterd en de herten weer uit het bos wegtrekken. Daarom is de afsluiting slechts tijdelijk.

Bron: SBB


red.: * voorheen Fluitbos genaamd
Uitspraak van de rechter, in hoger beroep Dierenbescherming versus SBB / Oostvaardersplassen. SBB is in het gelijk gesteld. Zie hier voor het vonnis

Het Gerechtshof in Den Haag heeft donderdag 15 februari j.l. het beroep verworpen dat de Dierenbescherming had aangespannen tegen de uitspraak van de rechter over de Oostvaardersplassen. De Dierenbescherming had geëist dat Staatsbosbeheer de grote grazers (paarden, runderen en edelherten) in het natuurgebied de Oostvaardersplassen moet bijvoeren bij winterse omstandigheden. Het Hof heeft de Dierenbescherming op alle aangedragen punten in het ongelijk gesteld.

Na het vonnis van de rechtbank vorig voorjaar is een rapport verschenen van het ICMO (International Committee on the Management of the Oostvaardersplassen). Het ICMO heeft het beheer van de Oostvaardersplassen door Staatsbosbeheer geanalyseerd en een lijst van aanbevelingen opgesteld die SBB dende op uit te voeren en op te volgen.. Het Gerechtshof heeft uit dit rapport onder meer overgenomen dat het belangrijke nadelen heeft om de grote grazers in de Oostvaardersplassen bij te voeren.

De Dierenbescherming had in het hoger beroep aangevoerd dat de runderen en paarden als ‘gehouden dieren’ moeten worden beschouwd, met een daarbij behorende zorgplicht voor deze dieren. Volgens het Hof zijn het echter géén gehouden dieren; Staatsbosbeheer heeft het eigendom over deze dieren verloren nadat ze in het gebied zijn uitgezet en verwilderd. Ook oefent Staatsbosbeheer geen ‘feitelijke macht’ uit over de dieren, maar laat de dieren zoveel mogelijk met rust. Weliswaar kunnen de dieren het gebied niet verlaten, maar het Hof geeft aan dat het gebied zo groot is dat het ecosysteem met de grote grazers zichzelf daar in stand kan houden.

Verder heeft de Dierenbescherming gesteld dat Staatsbosbeheer in strijd met de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren de gezondheid en het welzijn van de dieren benadeelt. Het Hof verwerpt dit en geeft aan dat de dieren in een natuurlijke omgeving leven waardoor sterfte door voedselgebrek kan optreden. Dat Staatsbosbeheer niet bijvoert betekent dan ook niet dat het Staatsbosbeheer is die de gezondheid of het welzijn van de dieren benadeelt. Bovendien geeft het ICMO rapport aan dat bijvoeren onder winterse omstandigheden niet effectief is en belangrijke nadelen heeft, aldus het Hof.

Ook verwerpt het Hof de stelling dat Staatsbosbeheer de dieren moet bijvoeren op grond van de wettelijke zorgplicht voor hulpbehoevende dieren. Met het toegepaste predatormodel voldoet Staatsbosbeheer afdoende aan die plicht. Ook ziet het Hof geen strijd met de zorgplicht voor in het wild levende dieren; bijvoeren lijkt volgens het Hof eerder de natuurlijke processen in het gebied te verstoren.

Bron: Persbericht Staatsbosbeheer
De edelherten, heckrunderen en koningpaarden in de Oostvaardersplassen lijden geen honger en hoeven niet bijgevoederd te worden. Dat zegt dierenarts Henk Luten die woensdagochtend de dieren inspecteerde.

Volgens boswachter Jan Griekspoor is bijvoederen zelfs schadelijk, omdat er dan geen ruimte is voor natuurlijke selectie. Hij benadrukt dat er geen dieren verhongeren, omdat ze voordat het zover is al worden afgemaakt. Gemiddeld worden er 100 dieren per jaar afgemaakt.

Griekspoor en Luten reageren op uitspraken van CDA-statenlid Pieter Zijlstra, die vreest dat veel dieren van de honger zullen omkomen.

De Provincie Flevoland heeft de diersterfte in de Oostvaardersplassen aangekaart bij minister Cees Veerman (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit).

Een meerderheid van de Statenfracties, onder leiding van de SGP, vindt het onaanvaardbaar dat er elk voorjaar dieren doodgaan door de honger. Dit jaar waren dat er 300, zo'n 15% van de grotere grazers zoals runderen en herten.

Gedeputeerde Wubbo de Raad heeft een brief aan Veerman gestuurd waarin hij zijn zorg uit. Liesbeth Bronkhorst van Staatsbosbeheer zegt dat sterfte onder de dieren normaal is. Ze denkt dat de politiek zich beter op de hoogte moet stellen van de richtlijnen waarmee Staatsbosbeheer werkt.
Minister Cees Veerman (Landbouw, Natuurbeheer en Voedselveiligheid) maakt zich zorgen over de tientallen dieren die in de Oostvaardersplassen verhongeren. Beheerder Staatsbosbeheer heeft gekozen voor een natuurlijke leefomgeving en voedert de beesten niet.

Op persoonlijke titel zei de minister dat hij het "deerniswekkend" vindt. Maar Veerman kan niet ingrijpen omdat Staatsbosbeheer autonoom is. Bovendien studeert een adviescommissie op de Oostvaardersplassen. Dat advies wacht de bewindsman af.

Staatsbosbeheer meldt dat de dieren er voor de tijd van het jaar prima bij lopen. Na de relatief zachte winter is 0,7% van de heckrunderen, 7,5% van de paarden en 3% van de edelherten dood gegaan, waaronder veel oudere beesten, aldus Staatsbosbeheer.

De woordvoeder van Staatsbosbeheer benadrukt dat de boswachters de dieren nooit onnodig laten lijden en hen doodschieten als ze ziek zijn.
Advies 25-10-2004 Wetenschappelijke Advies Commissie (WAC) Prof. Dr. C.J.G.Wensink aan SBB Drs. E.A.J.Wanders

http://www.veluwshert.nl/veluwshert/pdf/WAC_grote_grazers.pdf
Buiten de Oostvaardersplassen worden veel meer edelherten doodgeschoten dan Staatsbosbeheer wil toegeven. Dat melden diverse anonieme boeren in het Algemeen Dagblad van zaterdag.

Staatsbosbeheer zegt in de krant dat er onlangs drie ontsnapte edelherten zijn doodgeschoten. Werklieden hadden het hek open laten staan. De herten kwamen niet verder dan de spoorlijn, aldus Staatsbosbeheer.

Maar naburige boeren tellen meer dan drie herten en hebben de beesten tot bij de Vogelweg gezien.

Ziektes vormen de belangrijkste natuurlijke doodsoorzaak van grote grazers. Daarbij geldt in het algemeen dat ziektes meer invloed krijgen naarmate de dichtheid van grazers toeneemt. Niet alleen is dan de kans groter dat ze elkaar direct besmetten, ook besmetting via mest kan dan eerder optreden. Wanneer de dichtheid de natuurlijke draagkracht overschrijdt, krijgen ziektes meer kans bij door honger verzwakte dieren. Grotere gebieden en lagere dichtheden zijn dus van belang voor de gezondheid van de grazers.

Ook bij lagere dichtheden, kan er worden gehongerd. Oudere, zwakkere of zieke dieren lukt het niet om voldoende te profiteren van het beschikbare voedsel. Ouderdom, gebreken en ziekten zijn tenslotte natuurlijke selectiemechanismen. In natuurgebieden moeten ze zoveel mogelijk hun werk doen om de totale kudde gezond te houden.

Speciale aandacht verdienen de schrale zandgronden met pijpenstrootje. Worden de grazers in te hoge dichtheden genoodzaakt om veel van dit gras te eten, dan lopen ze het risico op nieraandoeningen en spontane abortus door het moederkoren, een giftige schimmel, die veel op het pijpenstrootje voorkomt.

Ook beperking van het contact met boerenvee is in het belang van de gezondheid van de wilde kudde (IBR!). Het dedomesticatieproces impliceert ook dat de paarden en runderen een betere afweer tegen ziektes opbouwen, doordat ze efficiënter met hun voedsel omgaan, kruiden leren eten en giftige planten weten te ontwijken.

Herten, reeën en bevers kunnen in Nederland een natuurlijke dood sterven en in het veld achterblijven. Dergelijke grote kadavers blijken op zichzelf weer een bron van leven: vos, raaf en zeearend doen zich eraan te goed en sommige aaskeversoorten zijn er zelfs volledig van afhankelijk. Een strenge winter voor deze grazers betekent dus voedselrijkdom voor de aaseters.

In tegenstelling tot bovengenoemde soorten worden paard en rund in de wettelijke regelgeving (nog) niet als wild beschouwd, maar als gehouden dieren, waarvoor de mens een zorgplicht heeft.

De veterinaire consequenties hiervan zijn bijvoorbeeld dat ook de runderen in natuurterreinen worden vrijgehouden van alle ziektes uit het gezondheidsprogramma van de overheid, zoals brucellose, leptospirose, leukose, tuberculose en koeiengriep (IBR). De kadavers van paarden en runderen in natuurgebieden moeten worden opgeruimd.

Hoewel het in een land met zo’n grote veestapel als de Nederlandse begrijpelijk is dat er geen risico wordt genomen met besmettelijke ziektes, dreigt het beleid door te slaan. Door Nederland ook vrij te willen maken van betrekkelijk onschuldige ziektes als IBR wordt de natuurlijke afweer van runderen steeds verder uitgeschakeld, hetgeen de gezondheid van de veestapel op lange termijn niet ten goede komt.

In uitgestrekte natuurgebieden, met voldoende brede bufferstroken ten opzichte van huisvee, moet het bovendien mogelijk zijn om kadavers te laten liggen als onderdeel van de natuurlijke cyclus.

Predatie en jacht
Natuurlijke aantalsregulatie van grote grazers vindt plaats door natuurgeweld (brand, overstromingen), ziektes, verminderde vruchtbaarheid bij hogere dichtheden en door predatie. Over het algemeen geldt: hoe groter de grazer, des te minder hij van predatoren te duchten heeft.

De belangrijkste predatoren van grote grazers in West-Europa zijn: wilde kat, vos, zeearend, lynx en wolf. In dit rijtje neemt de prooidiergrootte naar achteren toe. Wilde katten en vossen kunnen zo nu en dan een jonge bever of een verlaten jong kalfje pakken. Zeearenden zijn in staat om met twee of drie exemplaren tegelijk een kalf of zelfs een volwassen ree te overmeesteren. Lynxen zijn in dit deel van Europa zelfs gespecialiseerd in de jacht op reeën en jonge herten.

Volwassen herten, paarden, runderen, elanden en wisenten hebben eigenlijk alleen de wolf als natuurlijke vijand. Een gezonde kudde kan zich echter goed verdedigen tegen wolven. Het zijn vooral solitaire en verzwakte dieren die gevaar lopen, zeker wanneer wolven in groepen opereren, wat in West-Europa echter nauwelijks voorkomt.

De conclusie is dan ook dat de invloed van predatoren op de aantallen grazers beperkt is. Een uitzondering vormt mogelijk de relatie lynx-ree. Predatoren hebben wel invloed op de scherpte en gezondheid van de kuddes, en ook de verspreiding van kuddes over het gebied kan door predatie worden beïnvloed. Er is daarom veel te zeggen voor de aanwezigheid of introductie van grote predatoren in natuurgebieden. Daarbij passen ook aanvullende maatregelen, zoals eventueel een jachtverbod en strenge controles en sancties op vergiftiging. Predatoren die bepaalde gebieden niet meer op eigen kracht kunnen bereiken, kunnen worden geherintroduceerd.

De angst van mensen voor predatoren is ongegrond. Zelfs van de wolf zijn geen gevallen bekend waarbij mensen het slachtoffer werden. Wolven eisen wel hun tol onder onbewaakte schaapskuddes. Predatie van schapen kan worden beperkt door goede afrasteringen of (in het vrije veld) door getrainde herdershonden.

Er is de laatste tien jaar duidelijk sprake van een toename van het aantal grote predatoren in West-Europa.

De vos, de enige soort die zich in een groot gebied ondanks sterke vervolging heeft weten te handhaven, laat een groeiende aanpassing aan de menselijke cultuur zien. De aantallen nemen sterk toe, ze komen in vrijwel alle denkbare gebieden en terreinen voor, en dringen zelfs door tot in de centra van grote steden. In Nederland komt de vos in vrijwel alle natuurgebieden voor, met uitzondering van enkele eilanden.

De wilde kat bereikt in Zuidoost-Nederland de grens van zijn verspreidingsgebied, dat in de Ardennen een vooruitgeschoven bolwerk heeft. Waarnemingen zijn zeldzaam en van een toename van de aantallen lijkt tot dusver geen sprake.

Met de zeearend gaat het in Europa voor de wind. Sinds de afschaffing van DDT en andere schadelijke landbouwgiffen, nemen de aantallen sterk toe. De laatste vijftien jaar steeg het aantal broedparen in Duitsland van 120 naar meer dan 300. Het broedareaal breidt zich ook richting Nederland uit en het dichtstbijzijnde paar bevond zich anno 1999 bij Bremerhaven, op ongeveer 100 km van de grens. De aantalstoename vertaalt zich nog niet in een toename van het aantal overwinterende zeearenden in Nederland. Dat blijft de laatste jaren steeds op vijf tot tien exemplaren steken (in 2000: dertien).

Van de lynx zijn de laatste tien jaar verschillende waarnemingen gedaan in Zuid- en vooral Midden-Limburg. Er is zelfs één geval bekend van een volwassen dier met jong. Vermoedelijk zijn deze dieren afkomstig van een herintroductie-project in de Duitse Eifel. In de Eifel en de Ardennen bevindt zich inmiddels een kleine populatie.

Wolven komen sinds een eeuw niet meer in Nederland voor, maar ook deze soort is de laatste jaren bezig met een onmiskenbare herovering van West-Europa. In Zuidoost-Frankrijk en het Oosten van Duitsland leven inmiddels weer verschillende families en de verwachting is dat de soort zich van hieruit verder naar het westen zal uitbreiden.

De komst en toename van het aantal grote roofdieren in Nederland zal een positief effect hebben op de scherpte en gezondheid van de grote grazers. Aantalsregulatie door predatie zal echter maar in zeer beperkte mate optreden. Ook natuurgeweld zal maar zelden tot de dood van grote aantallen grazers leiden.

Verminderde vruchtbaarheid en ziektes blijven de belangrijkste aantalsbeperkende factoren. Omdat het bewust toelaten van (epidemische) ziektes bij grote grazers, en zeker bij halfwilde paarden en runderen, op grote ethische bezwaren stuit, blijft menselijk ingrijpen geboden. Dit ingrijpen moet echter tot een minimum beperkt blijven en zijn gericht op het genezen of verwijderen van zieke of verzwakte dieren. Ook kunnen (groepen) dieren worden weggevangen om nieuwe terreinen te koloniseren, maar ook hierbij verdient het de voorkeur om aan te sluiten bij het natuurlijke fenomeen van afsplitsing van delen van de kudde.

Voor de jacht op grote grazers geldt dat dat het beste kan worden ingepast in bovenstaand verhaal, dus als vervanging van predatie of ter voorkoming van ziektes. Daarbij moet wel worden voorkomen dat dieren schuwer worden voor mensen dan strikt noodzakelijk. Zo worden ree en hert over het algemeen als schuwe bosdieren gezien, die vooral ’s nachts actief zijn. Maar in terreinen zonder jacht vertonen ze zich ook overdag en in het open veld. Wat deze dieren betreft is het dringend nodig om hen te laten leven naar hun eigen maatstaven, orde en behoeftes. Ook de Oostvaardersplassen laten zien dat zowel reeën als edelherten goed overdag in open terrein kunnen leven en dat op z’n minst edelherten niet schuw zijn als ze niet worden bejaagd. Van deze soorten hebben we dus eigenlijk nog steeds geen goede gegevens over het terreingebruik en de natuurlijke begrazingsdichtheid. Het is gewenst om deze dieren meer terreinen te geven waar ze hun natuurlijke gedrag kunnen gaan vertonen.

In de Oostvaardersplassen zullen de "grote grazers (nu al rond de 1.000) niet ongelimiteerd in aantal blijven toenemen totdat de draagkracht van het terrein wordt overschreden en er door voedselgebrek meer dan normale sterfte optreedt, waardoor de aantallen dieren afnemen tot een niveau dat er weer genoeg voedsel voor de overblijvende dieren bereikbaar is. De Raad voor het Natuurbeheer adviseerde minister Van Aartsen onlangs deze met een eufemistische uitdrukking omschreven "zelfregulatie" in de OVP toe te passen ten einde daar "de natuur haar gang te laten gaan". De kadavers en crepeergevallen zouden ter wille van het beoogde "natuurlijke systeem" moeten blijven liggen, uitgezonderd op plaatsen waar ze zichtbaar zijn voor het grote publiek. Deze voorstellen wekten bij velen, ook bij het "Veluws Hert", grote weerstand.

De directeur van Staatsbosbeheer, mr. M. Brabers, heeft nu duidelijk gemaakt dat van zulk een gang van zaken in de Oostvaardersplassen geen sprake zal zijn. We geven de natuur graag ruim baan, maar er zijn grenzen. De OVP vormen een geheel ingerasterd gebied van beperkte omvang (het te begrazen gedeelte is niet meer dan 2.000 hectaren groot), we hebben hier de dieren uitgezet en daarmee een soort eiland?situatie gecreeërd en dat brengt de nodige consequenties met zich mee, aldus de heer Brabers.

In de OVP leven nu ongeveer 300 Konikpaarden, 450 Heckrunderen en 250 edelherten. Deze aantallen nemen in aanmerkelijk tempo toe. Maar de vruchtbare bodem van het polderland levert nog voldoende voedsel op voor de aanwezige dieren. Bij Staatsbosbeheer verwacht men dat over rond twee jaren de draagkracht van het terrein maximaal wordt benut en daarna overschreden. Dan moet er worden ingegrepen, we laten de dieren hier niet van honger verkommeren, aldus de heer Brabers. Hoe er dan moet worden ingegrepen is nog steeds een onderwerp van studie. Bijvoedering in karige wintermaanden wordt afgewezen omdat dan op kunstmatige wijze de draagkracht van het terrein geweld wordt aangedaan omdat er te veel dieren leven. Als mogelijkheid blijft dan nog over het periodiek verwijderen van een aantal dieren, zodat er voor de overblijvende grazers geen hongersituaties ontstaan. Dat verwijderen kan op twee manieren: vangen ("verhuizen" of slachten") of afschot. Het eventuele afschot zal in ieder geval in eigen beheer geschieden, aldus de heer Brabers.


Zomer 1999

Kwartaalblad Het Edelhert

"Tot de dood er op volgt". Onder deze titel schreef dr. J.T. Lumeij in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van augustus 1999 een ingezonden brief om een discussie op gang te brengen onder veterinairen over het inzetten van gedomesticeerde dieren in het natuurbeheer.

Aanleiding hiertoe was een vijftal vragen door drie leden van de VVD aan de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gesteld. Op 27 april j.l. antwoordde de staatssecretaris hierop. De aard van de antwoorden was voldoende om een discussie onder dierenartsen over dit onderwerp te openen.

Hier volgen de vragen, verkorte antwoorden en de belangrijkste punten uit het commentaar van dr. Lumeij:

Vraag 1- Of de staatssecretaris bekend was met de hongerdood van 42 stieren in de Oostvaardersplassen (OVP)?

Antwoord 1- Ja. In de eerste 12 weken van dit jaar zijn niet slechts 42 maar 50 stieren, 14 jonge dieren en 7 oude koeien dood gegaan. Dus totaal 71 dieren van de 493 (= rond de 14%). Daarnaast zijn nog 14 paarden en 6 edelherten gestorven. De oorzaak van deze sterfte bleek voornamelijk te bestaan uit het niet meer werken van de pens door zeer vezelrijk voedsel. De rol die de pens bij de warmteregulatie vervult viel daardoor uit, waardoor onderkoeling optrad met een rustige dood als gevolg.

Commentaar 1- Er werd dus totaal niet ingegaan op de oorzaak van het feit dat de pens alleen maar gevuld was met verkleind voedsel. Onverteerd materiaal in de pens kan evenwel niet zonder meer als voedsel worden aangemerkt. De runderen hadden weken niets meer te eten dan slecht verteerbaar materiaal. De dieren verbruikten alle reserves, herkauwden niet meer (of onvoldoende) en stierven de hongerdood.
Het langdurig onthouden van voedsel wordt tot de ernstigste categorie van ongerief gerekend in de proefdierkunde. Art. 27 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren (GWWD) stelt dat het de houder verboden is aan een dier de nodige verzorging te onthouden. In art. 36 staat dat het verboden is, zonder redelijk doel, het welzijn van een dier te benadelen. Dit geldt ook voor niet-gehouden dieren.
Het hanteren van verschillende normen voor natuurbeheerders en veehouders ten aanzien van de omgang met dieren veroorzaakt een ernstige rechtsongelijkheid.


Vraag 2- Of het sterven aan de hongerdood in Nederland een normale zaak wordt geacht?

Antwoord 2- Nee, het is geen gewone zaak dat dieren waarvoor mensen verantwoordelijk zijn de hongerdood sterven. Maar voor de OVP blijkt dit niet te gelden omdat hier de doelstelling zo natuurlijk mogelijke natuur en zo min mogelijk ingrijpen is.

Commentaar 2- Dit is nog geen vrijbrief voor overtreding van de GWWD. Er is bovendien geen sprake van een vrije natuurontwikkeling. Overal heeft de mens de hand in gehad en daar komt nog bij dat een vrije uitwisseling van de dieren niet mogelijk is.
De minister van Landbouw gaat, blijkens een schrijven aan de Raad van 12 juli 1996, ervan uit dat de grote grazers in natuurgebieden beschouwd moeten worden als "gehouden" dieren. Deze moeten dus gehouden worden conform de GWWD. Het standpunt van de huidige staatssecretaris is daarmee in strijd en Staatsbosbeheer is dus in overtreding!


Vraag 3- Of de staatssecretaris bereid was maatregelen te treffen tegen de eigenaar?

Antwoord 3- Kortweg, nee. De kennis van het gedrag van dieren, die in een de?domesticair proces verkeren zoals de runderen in de OVP, is nog in opbouw.

Commentaar 3- Het is een illusie te veronderstellen dat in een beperkt gebied als de OVP sprake zou kunnen zijn van de?domesticicatieprocessen. We kunnen hooguit spreken van verwildering van gefokte runderen en paarden in een incompleet ecosysteem.


Vraag 4- Waarom veehouders wél gehouden zijn aan de GWWD en de beheerders van natuurgebieden niet?

Antwoord 4- Hierin onderstreept de staatssecretaris nog eens het verschil tussen veehouderijbedrijven en de situatie in natuurgebieden. Als een dier ernstig lijdt kan men wat doen, want er altijd toezicht in het gebied.

Commentaar 4- De effectiviteit van dit toezicht moet ernstig worden betwijfeld wanneer er 71 dieren verhongeren!


winter 1999

Kwartaalblad Het Edelhert

LELYSTAD - In het afgerasterde natuurgebied de Oostvaardersplassen sterven jaarlijks zo'n 120 edelherten door voedselgebrek. De beheerder van het terrein tussen Almere en Lelystad, Staatsbosbeheer. weigert de hertenbij te voederen. Vooral tijdens vriesweer is de sterfte onder de dieren aanzienlijk. Staatsbosbeheer spreekt van 'natuurlijke selectie'.

Om uitzichtloos lijden te voorkomen, worden zwakke dieren doodgeschoten. In het gebied van 5600 hectare leven 850 edelherten, samen met 600 konikpaarden en 200 heckrunderen. Het aantal herten is explosief gestegen: in 1992 werden de eerste 50 uitgezet. Volgens Staatsbosbeheer is de beslissing om niet bij te voederen wettelijk geregeld. De Dierenbescherming ziet graag dat de dieren wel worden gevoederd. „Wij zijn daar voorstander van, omdat het gehouden dieren zijn", aldus Maaike Wermer. „Ze kunnen geen kant op, want ze leven binnen een omheining. Je moet ze behandelen als koeien of herten in een hertenkamp. Er is een groot verschil met dieren die in het wild leven, die moet je hun gang laten gaan. Met de Dierenbescherming bestaan afspraken hoe om te gaan met verzwakte dieren, die moet je laten inslapen." L. Bronkhorst van Staatsbosbeheer: „Alleen bij extreme kou of zware sneeuwval houden we een slag om de arm. We zijn voor een natuurlijk systeem, al zouden we graag willen dat we een verbinding krijgen met andere natuurgebieden. Jaarlingen, oudere en zwakkere dieren kunnen de dupe worden van voedselgebrek, hoewel vooral de mannetjes voedsel halen uit de bossen, zoals knoppen en twijgjes. De populatie damherten groeit overigens explosief." Het aantal beesten binnen de omheining van de Oostvaardersplassen is volgens Bronkhorst niet te groot. „Hier buigen zich diverse commissies met wetenschappers over en ze komen tot de conclusie dat er normaal gesproken voldoende voedsel is voor de dieren." De Dierenbescherming stuurt binnenkort inspecteurs naar de Oostvaardersplassen om de situatie te bekijken. Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen worden voorlopig niet afgeschoten. De commissie natuur van de Amsterdamse gemeenteraad is daar tegen. Het terugbrengen van het aantal damherten werd eerder geopperd door wethouder Maij. In het gebied leven 700 damherten, die steeds meer gevaar opleveren voor het verkeer. Het aantal damherten neemt jaarlijks toe met 43 procent.


Algemeen Dagblad 20-2-2003

Door Hans Botman
Op 10 juli 2001 vergaderde een zgn. expertgroep om de situatie in de Oostvaardersplassen m.b.t. de grote grazers te bespreken en Staatsbosbeheer van advies te dienen.

Op 10 juli vergaderde een zgn. expertgroep om de situatie in de Oostvaardersplassen m.b.t. de grote grazers te bespreken en Staatsbosbeheer van advies te dienen.

De Oostvaardersplassen zijn in eerste instantie een natuurgebied voor vogels. Dat er nu ongeveer 2.000 grote grazers rondlopen, komt doordat men edelherten, Heckrunderen en konikpaarden heeft ingezet om het gebied door middel van begrazing zijn waarde voor de vogels te laten behouden. Hoewel de Oostvaardersplassen als vogelgebied officieel nog steeds de status van experiment hebben en de grote grazers in dat experiment zijn opgenomen, is er in de praktijk natuurlijk niet echt sprake meer van een experiment: het gebied is en blijft er, de vogels komen en gaan er, en niemand denkt eraan de grote grazers radicaal te vervangen door maaimachines of iets dergelijks.

Tot nu toe heeft de beheerder, Staatsbosbeheer, niet ingegrepen in de populatiegrootte van de kudden herten, runderen en paarden. Dat is een bewuste keuze geweest. "Niets doen" is ook een vorm van beheer, en zeker niet altijd de slechtste. De beheerder dient zich bij zijn "grazersbeheer" te houden aan de "Leidraad grote grazers" en de "Ethische richtlijnen".

De situatie qua aantallen en groei van de kudden is als volgt:

- Het totaal aantal dieren bedraagt ongeveer 2.000: 800 edelherten, 600 Heckrunderen en 600 konikpaarden.
- De groei van de kudde edelherten verloopt min of meer lineair. De aanwas dit jaar was rond de 200.
- De jaarlijkse aanwas van runderen en paarden lijkt zich min of meer te stabiliseren op 100. - Er is tot nu toe geen uitzonderlijke sterfte geweest; de dieren zijn in goede conditie.


De discussie in de expertgroep richtte zich in de eerste plaats op de vraag of het "experiment" met de grote grazers moet worden voortgezet. De opvattingen liggen nogal dicht bij elkaar. Het is "ja, mits" (een kleine meerderheid, vooral aangevoerd door de wetenschappers) of "nee, tenzij" (o.a. Gerrit-Jan Spek en ikzelf).

De expertgroep bepleit de vorming van een Commissie Grote Grazers. Staatsbosbeheer dient een lijst met randvoorwaarden voor het toekomstig beheer (het voortzetten van het experiment) op te stellen en deze voor te leggen aan die nieuwe commissie.

Staatsbosbeheer geeft aan dat het doden van gezonde dieren, zonder dat daaraan "een nuttig doel" ten grondslag ligt, maatschappelijk en politiek niet haalbaar is.


Commentaar
Al jaren hebben wij namens de Vereniging gepleit voor een soort preventief getalsmatig ingrijpen om crashes of onverantwoorde conditie-achteruitgang te voorkomen. Zowel op grond van studies, die aangaven dat de populaties nog jaren konden groeien of zich op natuurlijke wijze zouden stabiliseren, is dat niet gebeurd. Ongetwijfeld spelen ook de opvattingen van het ministerie van LNV hierbij een rol.

Het is wel zo dat Staatsbosbeheer zich heeft voorbereid voor het geval op korte termijn een crash zou dreigen. Dat moment is echter zeer moeilijk te bepalen. Wij zijn ervan overtuigd dat ooit zal moeten worden ingegrepen, ook al blijkt de populatiegroei verder te kunnen doorgaan dan door ons verwacht.

Het probleem voor Staatsbosbeheer is overigens niet gering. Met de huidige aantallen wordt enigszins effectief ingrijpen een zeer grote operatie. En hoe haal je de dieren weg? De runderen hebben geen oormerken; het afschieten van paarden heeft een zeer emotionele lading, en wat te denken van verontrusting en stress?

Uit het oogpunt van het opdoen van ervaring en kennis is het volgen van de verdere populatie-aanwas, de onderlinge beinvloeding van de drie soorten grote grazers, het verloop van de bio-diversiteit etc. zeer boeiend.

Wij zullen als vereniging graag een rol spelen bij het zo verantwoord mogelijk inspelen op die ontwikkelingen.

Erik Taalman Kip


Herfst 2001

Kwartaalblad Het Edelhert

Het aantal dieren in de Oostvaardersplassen moet drastisch verminderen om te voorkomen dat veel dieren van de honger sterven. Het afschieten van verzwakte dieren is geen oplossing.

Dat zegt de Lelystadse oud-veehouder Piet Kostelijk, in een reactie op het nieuwe beleid van Staatsbosbeheer om de zwakke dieren niet langer een natuurlijke dood te laten sterven, maar uit hun lijden te verlossen.

Kostelijk verzet zich al vele jaren tegen de manier waarop Staatsbosbeheer in de Oostvaardersplassen met de dieren omgaat. Hij vindt dat ruim 3.000 dieren teveel.

REGULERING VAN HET AANTAL GROTE GRAZERS -

In de Oostvaardersplassen zullen de "grote grazers" (nu al rond de 1.000) niet ongelimiteerd in aantal blijven toenemen totdat de draagkracht van het terrein wordt overschreden en er door voedselgebrek meer dan normale sterfte optreedt, waardoor de aantallen dieren afnemen tot een niveau dat er weer genoeg voedsel voor de overblijvende dieren bereikbaar is. De Raad voor het Natuurbeheer adviseerde minister Van Aartsen onlangs deze met een eufemistische uitdrukking omschreven "zelfregulatie" in de OVP toe te passen ten einde daar "de natuur haar gang te laten gaan". De kadavers en crepeergevallen zouden ter wille van het beoogde "natuurlijke systeem" moeten blijven liggen, uitgezonderd op plaatsen waar ze zichtbaar zijn voor het grote publiek. Deze voorstellen wekten bij velen, ook bij het Veluws Hert grote weerstand.

De directeur van Staatsbosbeheer, mr. M. Brabers, heeft nu duidelijk gemaakt dat van zulk een gang van zaken in de Oostvaardersplassen geen sprake zal zijn. We geven de natuur graag ruim baan, maar er zijn grenzen. De OVP vormen een geheel ingerasterd gebied van beperkte omvang (het te begrazen gedeelte is niet meer dan 2.000 hectaren groot), we hebben hier de dieren uitgezet en daarmee een soort eiland-situatie gecreeërd en dat brengt de nodige consequenties met zich mee, aldus de heer Brabers.

]n de OVP leven nu ongeveer 300 Konikpaarden, 450 Heckrunderen en 250 edelherten. Deze aantallen nemen in aanmerkelijk tempo toe. Maar de vruchtbare bodem van het polderland levert nog voldoende voedsel op voor de aanwezige dieren. Bij Staatsbosbeheer verwacht men dat over rond twee jaren de draagkracht van het terrein maximaal wordt benut en daarna overschreden. Dan moet er worden ingegrepen, we laten de dieren hier niet van honger verkommeren, aldus de heer Brabers. Hoe er dan moet worden ingegrepen is nog steeds een onderwerp van studie. Bijvoedering in karige wintermaanden wordt afgewezen omdat dan op kunstmatige wijze de draagkracht van het terrein geweld wordt aangedaan omdat er te veel dieren leven. Als mogelijkheid blijft dan nog over het periodiek verwijderen van een aantal dieren, zodat er voor de overblijvende grazers geen hongersituatjes ontstaan. Dat verwijderen kan op twee manieren: vangen ("verhuizen" of slachten") of afschot. Het eventuele afschot zal in ieder geval in eigen beheer geschieden, aldus de heer Brabers.


Winter 1999

Kwartaalblad Het Edelhert
Ingezonden brief:
"Herten verhongeren in de Oostvaardersplassen"


Geacht bestuur,

Vanochtend in het A.D. een alarmerend bericht over de Oostvaardersplassen, waar nu herten in erbarmelijke omstandigheden blijven verkeren en dood (dreigen te) gaan van de honger. Een paar jaar geleden deed zich daar vergelijkbare ellende voor de dieren voor. S.B.B. is verantwoordelijk voor dat gebied maar laat de dieren aan zichzelf en aan de natuur over. U kent ongetwijfeld het voor de dieren fatale motto:"de natuur redt zichzelf wel"

Wat zijn dat eigenlijk voor mensen, die nog steeds over de O.V.P. durven spreken als zou dat de "NATUUR" zijn? Mensen hebben er grote grazers gebracht, omdat mensen dat voor zichzelf nuttig achtten (maaiers).Een raster was onmisbaar. Uiteraard mensenwerk. Een kind weet al dat er elk voorjaar aanwas te verwachten is. U en ik weten ook dat dat elementaire proces pas stuk loopt onder uiterst marginale omstandigheden en dat door dieren niet aan geboortebeperking wordt gedaan.

Ik doe hierom een klemmend beroep op u als bestuur van Vereniging ten behoud van het Veluws Hert en publiekelijk, onmiddellijk en krachtig te protesteren tegen het "Beleid" (wat heet!) van S.B.B., dat zich gemakkelijk verschuilt achter het door geleerde Haagse heren achter hun bureau zgn. wetenschappelijk geschreven scenario.

Maar daar mag het niet bij blijven. Ikzelf heb nooit gejaagd, maar verbeeld mij er wel iets van te begrijpen. In mijn omgeving kaart ik het onderwerp nogal eens aan, maar de muur van onbegrip en afkeer is vaak onneembaar. In uw vereniging zijn ongetwijfeld veel deskundigen, die in staat zijn een goed doorgetimmerd verhaal te houden voor leken en kinderen. Mobiliseer hen en probeer eindelijk eens gehoor te krijgen bij het parlement, de pers en het grote publiek. Leg het uit, 1000x desnoods. Geef het niet op! Goede faunabeheerders zijn geen moordenaars, mar beschermers van in het wild levende dieren, meer dan de dierenbescherming, die het wel goed meent, maar t.a.v. wildbeheer dom en kortzichtig handelt.

Dit schrijven is een hartenkreet! Ik hoop, dat ik binnenkort, behalve een luid en duidelijk protest van u als pleitbezorger van het hert, ook in de krant zal kunnen lezen, dat de politiek hierover heeft benaderd en dat u tracht om een constructieve dialoog te starten met de directie van S.B.B.

Ik verzoek u dit schrijven te beschouwen als ingekomen stuk op de Algemene Leden Vergadering, 8 maart 2003.

Image

Image
In April 1996 heeft het bestuur van het VH een brief gestuurd aan de minister van LNV (indertijd Van Aartsen), waarin stelling werd genomen tegen een advies voor de raad voor Natuurbeheer aan de de minister van LNV. Het advies luidde, dat in de OVP geen populatiebeheer mag plaatsvinden, ook niet als de draagkracht van het gebied wordt overschreden. Er mag ook niet bij ernstig voedseltekort bijgevoerd worden en dat de dieren die liggen te creperen (woordgebruik van de Raad) niet uit hun lijden mogen worden verlost.
Het bestuur van het Veluwshert schreef de minister met grote verontrusting kennis genomen te hebben van het advies en drong bij de minister met grote klem aan het advies niet over te nemen. Ook werd erop gewezen, dat dergelijke gang van zaken strijdig is met artikel 36 van de gezondheids- en welzijnwet voor dieren.

In november 1996 antwoordde de directeur van SBB tijdens een persbijeenkomst op "harde" vragen van Het Veluws Hert, dat SBB zal ingrijpen als de draagkracht van het OVP-terrein zou worden overschreden. "We hebben in de OVP een soort eiland situatie gecreëerd en dat breng de nodige consequenties met zich mee", zo zei de directeur van SBB indertijd. Bijvoeren in de karige wintermaanden wordt afgewezen, als mogelijkheid blijft dan nog over het periodiek verwijderen van een aantal dieren, zodat er voor de overblijvende grazers geen hongersituatie kan ontstaan. Dat "verwijderen" kan, aldus de directeur van SBB op twee wijzen: vangen (verhuizen of slachten) of afschot. Het eventuele afschot zal in ieder geval in eigen beheer plaatsvinden, aldus SBB-directeur. tevens deelde hij mee, dat de draagkracht naar verwachting niet voor 1999 zou worden overschreden.

Diverse publicaties in het kwartaalblad het Edelhert
Door aanhoudende kritiek gaat Staatsbosbeheer dieren die aan het eind van hun Latijn zijn in de Oostvaardersplassen eerder uit hun lijden verlossen.

Tot nu toe liet de organisatie de natuur zijn gang gaan en stierven beesten door ziekte, ouderdom of honger een natuurlijke dood. Critici vonden dit vaak zielig en daarom worden de verzwakte dieren voortaan afgeschoten. Volgens de boswachters kunnen dieren zo ongeveer twee weken eerder uit hun lijden worden verlost.

Dit is een ommezwaai in het beleid dat Staatsbosbeheer jarenlang voerde in de Oostvaardersplassen.

LELYSTAD Staatsbosbeheer schiet in het vervolg zieke, zwakke en stervende grote grazers als konikpaarden, herten en runderen sneller af in de Oostvaardersplassen bij Lelystad. De organisatie wil hiermee erger dierenleed voorkomen. De beheerder voert dit nieuwe beleid definitief in, liet een woordvoerder van Staatsbosbeheer woensdag weten.
Voorheen liet de beheerder de natuur zo veel mogelijk zijn gang gaan in het natuurgebied en stierven veel dieren door ziekte of honger. Staatsbosbeheer wil met het nieuwe model uitzichtloos lijden zo veel mogelijk voorkomen. Het is bij wijze van proef een jaar geleden ingevoerd.
Tegenstanders vonden jarenlang dat Staatsbosbeheer de dieren te veel aan hun lot overliet in het natuurgebied, waar grote grazers vrij leven. Vooral in de winter stierven veel grazers de hongerdood.
Tweede ontsnapte hert afgeschoten

Boswachters van Staatsbosbeheer hebben donderdagochtend een ontsnapt edelhert moeten afschieten langs de Buitenring in Almere-Buiten. Het is het tweede dier dat ontsnapt is uit de Oostvaardersplassen.

Het eerste edelhert sprong woensdagavond voor een auto. De bestuurder uit Almere kwam met de schrik vrij, maar het dier was dood.



Toen Staatsbosbeheer vanochtend de melding kreeg dat er nog een edelhert buiten de hekken van het natuurgebied liep, werd er ingegrepen. Hans Breeveld van Staatsbosbeheer kan niet uitsluiten dat er nog meer edelherten los rondlopen.

De fout zou dus liggen bij de werknemers van het bedrijf Van de Wiel, die langs de Buitenring bezig zijn om klei weg te graven voor het ophogen van de Oostvaardersdijk. Zij zouden een hek open hebben laten staan, maar opzichter Eddy Bruinsma ontkent dat.
Oostvaardersplassen - Het nieuwe beleid in de OVP zorgt er voor, dat er herten afgeschoten worden, indien blijkt, dat de dieren dusdanig verzwakt zijn, dat zij naar verwachting een ellendige dood zullen gaan sterven.

Vanuit Staatbosbeheer is gepleit voor andere regels om de jacht (het uit te voeren beheer) gemakkelijker te maken. Het gaat dan om gebruik van bijvoorbeeld geluiddempers. Staatsbosbeheer heeft inmiddels toestemming gevraagd aan Veerman om in de Oostvaardersplassen gebruik te mogen maken van geluiddempers. 21-1-2005

Was tot voor kort het motto van Staatbosbeheer "Niet ingrijpen in de natuurlijke processen", nu heeft Staatbosbeheer toch ingegrepen. De situatie zal dus ernstig zijn.

In het zuidelijk deel dat sinds vijf jaar deel uit maakt van de Oostvaarderplassen blijken de herten er zo slecht aan toe, dat de verstoring door de recreatie funest kan zijn, de herten sterven de afgelopen weken met bosjes. Volgens SBB zijn er 80 herten in de eerste twee maanden van het jaar afgemaakt moeten worden of zijn reeds dood gevonden voornamelijk in het Fluitbos. De oorzaak ligt voor de hand: voedselgebrek. Staatsbosbeheer zegt hetzelfde, maar met een omweg en geeft de sneeuw en de recreanten de schuld. Op een populatie volgens SBB van 350 herten het Fluitbos (volgens onze telling maximaal 200) is 80 herten een aanzienlijk deel.

Staatsbosbeheer vindt nu dat de herten te veel verstoord worden door de recreanten, zeker nu de herten het zo zwaar hebben is elke krachtinspanning te veel.

Eerder heeft SBB ook ingezien, dat toegang na zonsondergang ook uitgesloten diende te worden en wij hopen (en wij zijn niet de enige) dat het gebied van 1 januari tot 1 mei dag en nacht gesloten gaat worden. Geen onrust van stangenzoekers in de meest kwetsbare periode voor deze herten.

Het Veluws Hert is van mening dat elk jaar de herten in de OVP het zwaar hebben om de winter door te komen en zou graag elke winter meer rust hebben in het gebied, maar dat blijft een lapmiddel. Beter zou zijn de voedselsituatie aan te pakken: het aantal grazers afstemmen op het voedselaanbod, beheer naar graascapaciteit, want 3000 dieren op 2600 hectare blijkt te veel te zijn.

Image
Zaterdag 5 maart 2005 9 uur : Het Fluitbos wordt afgesloten voor het publiek.

Image
Vreemd. De herten zouden niet in staat zijn
voedsel te vinden door de sneeuw. Op de Veluwe hebben de herten er geen last van. De waarheid is, dat veel herten in de OVP in de winter te veel interen en geen tegenslag kunnen verdragen.

Image
Verstoring door recreanten?
In dit geval nauwelijks, op andere momenten wel degelijk. Rust is zeker nu heel belangrijk.

Image
Een schaatser op de plassen,
de herten op de achtergrond trekken weg.

Image
Aan weerzijde zijn de kaalgeschilde bomen,
zoals overal in de Oostvaardersplassen.

Image
Volgens Staatsbosbeheer was tot voor kort nog genoeg voedsel, niet alle bomen waren namelijk ontdaan van de bast. (maar wel bijna allemaal!!!)

Image
Ondanks de sneeuw zouden de herten best wel aan voedsel kunnen komen. Met hun hoeven krabben ze de sneeuw weg om bij het gras te kunnen, maar er is geen gras, slechts kale klei.

Image
Hier een spitser, een éénjarig mannelijk hert.
Bevangen door de kou, door een longontsteking of door een te lage suikerspiegel komen de herten aan hun einde en niet door ouderdom, voedselgebrek ligt steeds ter grondslag

Image
Hier een ander hert wat ouder dan de vorige.
Niet geschoten, maar een "natuurlijke" dood gestorven.
Staatsbosbeheer ontdoet het hert van de kop met gewei
om trofeezoekers voor te zijn.

Image
Konden herten maar vliegen en zoals deze
brandganzen die naar hun fouragegebieden trekken. En dan te bedenken dat de herten er voor de ganzen het gras kort zouden moeten houden.

Het Fluitbos bij Almere is voor onbepaalde tijd gesloten voor het publiek. Dat heeft Staatsbosbeheer besloten in verband met het winterweer.

In het Fluitbos komen veel edelherten om te zoeken naar voedsel. Door de sneeuw hebben de herten meer moeite om eten te vinden. Staatsbosbeheer wil de dieren zoveel mogelijk rust gunnen en daarom zijn mensen in het bos nu ongewenst.

Volgens Staatsbosbeheer is bijvoeren van de herten geen optie, omdat dit de rust in de kuddes verstoort.

Bron: Persbericht SBB

Staatsbosbeheer: Bos blijft afgesloten, bijvoeren niet mogelijk, natuur moet zijn loop hebben.

Staatsbosbeheerheeft het afgelopen weekend wegens zware sneeuwval en koude het Fluitbos bij Almere afgesloten voor het publiek. In dit bos schuilen de herten uit het nabij gelegen natuurgebied Oostvaardersplassen en vinden er voedsel. Het bos werd afgesloten om de rust van de edelherten te garanderen en onnodige sterfte te voorkomen.
Staatsbosbeheer heeft besloten de afsluiting van het bos voorlopig in stand te houden. Door het smelten van de sneeuw vinden de dieren inmiddels weer voedsel. De enorme grasvlaktes van de Oostvaardersplassen zijn wonderbaarlijk groen onder de sneeuw vandaan gekomen en de meeste herten komen overdag uit het bos en zoeken de vlakte weer op.
Opvallend is, dat het aantal afgevallen dieren kleiner is, dan te verwachten was met de extreme koude van de afgelopen week. De grootste sterfte in de natuur treedt namelijk op in de winterperiode.

In de Oostvaardersplassen, een van de grootste natuurgebieden van ons land leven naast tienduizenden ganzen, zilverreigers en sinds kort ook zeearenden meer dan drie duizend grote grazers. De paarden, runderen en edelherten leven er in symbiose met de ganzen. In de Oostvaardersplassen heeft de natuur het voor het zeggen. Dit betekent dat Staatsbosbeheer als beheerder zo min mogelijk ingrijpt en natuurlijke processen de ontwikkeling laat bepalen. Dit geldt ook voor de in het wild levende dieren in het gebied.

Op basis van leeftijdsopbouw en natuurlijke selectie zouden in de Oostvaardersplassen jaarlijks ongeveer evenveel dieren moeten sterven als er geboren worden, ongeveer 400. Deze aantallen worden op dit moment bij lange na niet gehaald. Tot deze week zijn er van de ruim 1500 herten rond de 150 afgevallen (10%). Ter vergelijking, in andere delen van het land worden dit jaar van de 1865 herten 1146 exemplaren door jagers gedood om de door hen gewenste voorjaarsstand te bereiken (60%) (bron: Veluws Hert) Staatsbosbeheer kiest in de Oostvaardersplassen echter nadrukkelijk voor een model waarbij de natuur het voor het zeggen heeft en waarbij door euthanasie (zwakke dieren worden voor ze lijden gedood) onnodig dierenleed wordt voorkomen.
Dit betekent echter ook dat, om sociale onrust in de kuddes te voorkomen, de dieren niet kunnen worden bijgevoerd. De sociale rangorde binnen de kuddes bepaalt welke dieren de beste voedselplaatsen kunnen bemachtigen.
Oude dieren en jonge dieren die niet meer door de moeder worden gezoogd staan het laagst in rangorde en krijgen daarom het minste voedsel. In de natuur overleven daarom vooral de sterkste dieren.
Dagelijks toezicht en euthanasie van dieren die aangeven het leven in de kudde door ouderdom of zwakte niet langer aan te kunnen, voorkomt in de Oostvaardersplassen individueel lijden van dieren.

In de afgelopen periode heeft Staatsbosbeheer verscheidene externe belangenbehartigers, zoals de veterinaire begeleidingscommissie, Vereniging Het Veluws Hert en de Dierenbescherming, de gelegenheid geboden zich ter plaatse op de hoogte te stellen van de toestand van de kuddes. Ook Kamerleden zijn uitgenodigd zich te informeren. Daarnaast wordt de toestand van de dieren regelmatig door dierenartsen beoordeeld.
Hoewel de ergste koude en sneeuw nu wel voorbij zijn verwacht Staatsbosbeheer toch dat er in de komende tijd nog een aantal dieren zal afvallen.
"DE LEIDRAAD GEEFT AAN, DAT DE BEHEERDER PREVENTIEVE MAATREGELEN MOET NEMEN IN DE VORM VAN AANTALSBEHEER (OM DE KUDDES VOLDOENDE KLEIN TE HOUDEN) EN BIJVOEDEREN WANNEER DE TERREINOMSTANDIGHEDEN EN HET WEER DAT VERGEN".

Citaten uit de Leidraad: pag 3, laatste zin; "hieraan wordt door betrokken partijen partijen reeds gewerkt". Bedoeld wordt hier een beheerplan.
DIT BEHEERPLAN IS ER DUS KENNELIJK NA 5 JAAR NOG NIET, zie laatste zin van brief 7-3-2005 van Veerman van de Tweede Kamer

Leidraad pagina 5, onder zorg 2.1. Belangen en afweging. IN OMHEINDE GEBIEDEN ZIJN DE GROTE GRAZERS BEPERKT IN HUN MOGELIJKHEDEN TOT MIGRATIE. DE BEHEERDER ZAL HIERMEE REKENING MOETEN HOUDEN, DOOR TIJDIG IN TE GRIJPEN IN DE OMVANG VAN DE POPULATIE EN BIJ DREIGENDE CALAMITEITEN, BIJVOORBEELD WANNEER EEN VOEDSELTEKORT DREIGT""

Leidraad, pag 7, eerste regel: "Wettelijk kader.: "HET VOORKOMEN VAN LIJDEN DOOR GETALSREGULATIE IS BINNEN HET KADER VAN DE GWWD EEN GOEDE MOGELIJKHEID OM DE VEREISTE ZORG TE BIEDEN. INDIEN BIJ DREIGENDE OVERBEVOLKING BESLOTEN WORDT OM IN TE GRIJPEN BESTAAT DE MOGELUIJKHEID OM DIT DOOR AFSCHOT TE DOEN."

Leidrad pag 7 onder beleidslijn:"BIJ DREIGENDE OVERSCHRIJDING VAN DE DRAAGKRACHTIN GROTE EENHEDEN NATUUR DIENT PREVENTIEVE AANTALREGULATIE PLAATS TE VINDEN, ZOWEL MET HET OOG OP DE LANGE TERMIJNONTWIKKELING VAN DE KUDDE, ALS MET HET OOG OP STUCTURELE BESCHIKBAARHEID VAN VOEDSEL.
EEN BEHEERDER MEOT IN EEN BEHEERPLAN AANGEVEN WAT DE DRAAGKRACHT EN DE MOGELIJKE MATE VAN ZELFREGULATIE VAN HET TERREIN IS EN WELKE MAATREGELEN WORDEN GETROFFEN OM OVERSCHRIJDING VAN DE DRAAGKRACHT TE VOORKOMEN."

Minister schrijf dus nu, na 5 jaar dat er nog een meerjarig beheerplan moet worden!! Calamiteitenplan is er ook nog niet.

Alle citaten uit de Leidraad geven preventieve maatregelen aan, SBB schiet nu de dieren pas dood als ze na een periode van voedselgebrek aan het eind zijn. Symtoombestrijding i.p.v. preventie!

Bijvoeren wordt toegestaan in accute noodsituaties, maar is natuurlijk ook symtoombestrijding.

Ten slotte: SBB geeft in nieuwsbrief zelf aan dat de draagkracht is overschreden en de Wetenschappelijke commissie geeft aan de deze volgen de normen van de leidraad is bereikt.
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

ons kenmerk: N/2005/1101
datum: 09-03-2005
onderwerp: Oostvaardersplassen

Geachte Voorzitter,

In uw bovengenoemde brief verzoekt u mij om een reactie op het persbericht van Staatsbosbeheer van 7 maart jl. (Staatsbosbeheer sluit Fluitbos bij Almere voor publiek) en op signalen van onder andere dierenartsen dat dieren van honger sterven.

U verzoekt mij in ieder geval in te gaan op de situatie in de Oostvaardersplassen op dit moment, op de mogelijkheid van bijvoederen van de dieren en op het bestaan c.q. gebruik van een eventueel calamiteitenplan.

Bij het beheer van de Oostvaardersplassen wordt gestreefd naar een zo natuurlijk mogelijke situatie, waarbij het aantal dieren in evenwicht is met de draagkracht van het terrein. Dit betekent dat de aantallen runderen, edelherten en paarden gereguleerd worden door de natuurlijke omstandigheden en de natuurlijke levensverwachting van de dieren zelf en niet door afschot op grond van te voren door de beheerder vastgestelde aantallen.

Staatsbosbeheer volgt in het beheer de Leidraad Grote Grazers en het daarop aansluitende advies dat de Wetenschappelijke advies commissie Oostvaardersplassen in 2004 heeft de uitgebracht. Op basis van dit advies neemt Statbosbeheer maatregelen bij een dreigende calamiteit. Deze aanpak heeft mijn instemming, zie mijn brief van 17-01-2005 (DRZw.2005/165)

Staatsbosbeheer onderkent de ernst van de situatie en neemt de nodige maatregelen.
In de concrete situatie die zich bij de sneeuwval van vorige week voordeed betekent dit het volgende:

-De controle op de dieren is geïntensiveerd tot driemaal daags.
-Om uitzichtloos of ernstig lijden te voorkómen worden verzwakte dieren door de beheerder afgeschoten.
-Het bos waar ten tijde van sneeuwval en vorst het meest voedsel te vinden is wordt afgesloten voor publiek om de dieren optimale rust en toegang tot voedsel te geven.
-Voorts zijn de relevante lokale en regionale autoriteiten van de situatie op de hoogte gebracht.

Tenslotte heeft Staatsbosbeheer 2 edelherten aangeboden aan de GGD om na te gaan hoe de gezondheidstoestand was.

De huidige sterfte bedraagt 15 à 20 dieren per dag. Er is geen sprake van onnatuurlijk hoge sterfte. Er waren door de zachte weersomstandigheden deze winter nog weinig dieren gestorven. Door de sneeuwval van de afgelopen week is er sprake van extra sterfte.

Conform de Leidraad is bijvoederen aan de orde bij langdurig slechte weersomstandigheden waarbij het voortbestaan van een relatief groot deel van de populatie in gevaar komt. Dit op grond van artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren om uitzichtloos en ernstig lijden te voorkómen.
Daarvan was in de korte koude periode van de vorige week nog geen sprake. De relatief korte duur van de sneeuw- en vorstperiode rechtvaardigt dat vooralsnog niet wordt bijgevoederd. Zoals gezegd wordt de situatie zorgvuldig gemonitord door Staatsbosbeheer.
Bijvoederen kent daarbij ook nadelen. Het betekent een verstoring van het evenwicht tussen de natuurlijke draagkracht van het terrein en het aantal dieren en het veroorzaakt veel onrust in de kudde. De sterkste dieren gaan vóór de zwakke.
Tenslotte wijs ik nog op Artikel 74a van de Flora- en faunawet dat het bevorderen van de stand van edelherten (en damherten, reeën en wilde zwijnen) door middel van bijvoeren verbiedt. Van dat verbod kan ontheffing worden verleend als sprake is van bijzondere weersomstandigheden of wanneer door een tijdelijk voedseltekort het welzijn van de dieren in het geding is. Het bevoegd gezag zijn Gedeputeerde Staten.

Zoals ik hiervoor heb aangegeven werkt Staatsbosbeheer met een aanpak van calamiteiten op grond van het advies van de wetenschappelijke advies commissie Oostvaardersplassen. Mede aan de hand van de opgedane ervaringen zal de komende tijd daarnaast een meerjarig beheerplan worden geschreven voor het beheer van de dierpopulaties in de Oostvaardersplassen.


De minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit,

dr. C.P. Veerman

Nieuwsbrief SBB

Staatsbosbeheerheeft het afgelopen weekend wegens zware sneeuwval en koude het Fluitbos bij Almere afgesloten voor het publiek. In dit bos schuilen de herten uit het nabij gelegen natuurgebied Oostvaardersplassen en vinden er voedsel. Het bos werd afgesloten om de rust van de edelherten te garanderen en onnodige sterfte te voorkomen.
Staatsbosbeheer heeft besloten de afsluiting van het bos voorlopig in stand te houden. Door het smelten van de sneeuw vinden de dieren inmiddels weer voedsel. De enorme grasvlaktes van de Oostvaardersplassen zijn wonderbaarlijk groen onder de sneeuw vandaan gekomen en de meeste herten komen overdag uit het bos en zoeken de vlakte weer op.
Opvallend is, dat het aantal afgevallen dieren kleiner is, dan te verwachten was met de extreme koude van de afgelopen week. De grootste sterfte in de natuur treedt namelijk op in de winterperiode.

In de Oostvaardersplassen, een van de grootste natuurgebieden van ons land leven naast tienduizenden ganzen, zilverreigers en sinds kort ook zeearenden meer dan drie duizend grote grazers. De paarden, runderen en edelherten leven er in symbiose met de ganzen. In de Oostvaardersplassen heeft de natuur het voor het zeggen. Dit betekent dat Staatsbosbeheer als beheerder zo min mogelijk ingrijpt en natuurlijke processen de ontwikkeling laat bepalen. Dit geldt ook voor de in het wild levende dieren in het gebied.

Op basis van leeftijdsopbouw en natuurlijke selectie zouden in de Oostvaardersplassen jaarlijks ongeveer evenveel dieren moeten sterven als er geboren worden, ongeveer 400. Deze aantallen worden op dit moment bij lange na niet gehaald. Tot deze week zijn er van de ruim 1500 herten rond de 150 afgevallen (10%). Ter vergelijking, in andere delen van het land worden dit jaar van de 1865 herten 1146 exemplaren door jagers gedood om de door hen gewenste voorjaarsstand te bereiken (60%) (bron: Veluws Hert) Staatsbosbeheer kiest in de Oostvaardersplassen echter nadrukkelijk voor een model waarbij de natuur het voor het zeggen heeft en waarbij door euthanasie (zwakke dieren worden voor ze lijden gedood) onnodig dierenleed wordt voorkomen.
Dit betekent echter ook dat, om sociale onrust in de kuddes te voorkomen, de dieren niet kunnen worden bijgevoerd. De sociale rangorde binnen de kuddes bepaalt welke dieren de beste voedselplaatsen kunnen bemachtigen.
Oude dieren en jonge dieren die niet meer door de moeder worden gezoogd staan het laagst in rangorde en krijgen daarom het minste voedsel. In de natuur overleven daarom vooral de sterkste dieren.
Dagelijks toezicht en euthanasie van dieren die aangeven het leven in de kudde door ouderdom of zwakte niet langer aan te kunnen, voorkomt in de Oostvaardersplassen individueel lijden van dieren.

In de afgelopen periode heeft Staatsbosbeheer verscheidene externe belangenbehartigers, zoals de veterinaire begeleidingscommissie, Vereniging Het Veluws Hert en de Dierenbescherming, de gelegenheid geboden zich ter plaatse op de hoogte te stellen van de toestand van de kuddes. Ook Kamerleden zijn uitgenodigd zich te informeren. Daarnaast wordt de toestand van de dieren regelmatig door dierenartsen beoordeeld.
Hoewel de ergste koude en sneeuw nu wel voorbij zijn verwacht Staatsbosbeheer toch dat er in de komende tijd nog een aantal dieren zal afvallen.
Brief van de heer Prof. Dr. Wensink van de Wetenschappelijke Adviescommissie aan de heer Drs.Wanders, Adjunct-directeur van Staatsbosbeheer.

In deze brief geeft de heer Wensing advies uit over het beheer in de OVP.

De belangrijkste punten zijn de volgende:

- DE DRAAGKRACHT IS BEREIKT
- Het voedselaanbod zal afnemen
- De sterfte in absolute en relatieve zin zal toenemen
- Beschikbare habitat is voornamelijk een zomerhabitat

- Er is een ataxie tekort (kopertekort in de lever)
- Er moet een calamiteitenplan komen. om te kunnen reageren op plotselinge sterfte ( Dat moet er al 5 jaar komen)
- er moet een completer habitat komen.

Steeds heeft SBB zich verscholen achter de Wetenschappelijke Adviescommissie. Nu liggen de nieuwste adviezen niet meer in het straatje van SBB en worden ze nu dan niet meer opgevolgd?
Edelherten Oostvaardersplassen

Aan de orde is het debat over de edelherten Oostvaardersplassen in de Tweede kamer

De heer Ormel (CDA): Voorzitter. Vorige week vrijdag zou de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een werkbezoek afleggen aan de Oostvaardersplassen. Helaas kon dat niet doorgaan vanwege de extreem slechte weersituatie. Die extreem slechte weersituatie trof echter ook de paarden, de runderen en de edelherten die in het natuurgebied de Oostvaardersplassen verteoven. Daar zitten op dit moment 580 runderen, 800 paarden en 1160 edelherten op een gebied van 2000 hectare. Dat is meer dan 1 grote grazer per hectare met vrijwel niets te eten. Dieren die in de natuur migreren, kunnen dat hier niet vanwege de hekken om de Oostvaardersplassen. Een boer die in de winter zijn koeien in de wei zet zonder enige bijvoedering, zal worden aangeklaagd en op de bon geslingerd.

Door de sneeuwval in de Oostvaardersplassen is een acute situatie ontstaan. Wij zijn getuige van een grote sterfte die daar plaatsvindt; er worden daar dagelijks dieren gedood. Hoewel de sneeuwval voorbij is, laat de voedselsituatie nog zeer te wensen over. De grasgroei is nog niet begonnen en laat nog zeker drie weken op zich wachten. Gisteren werden nog 20 herten doodgeschoten en dat zal dus doorgaan.
Deze calamiteit toont eigenlijk aan waar wij mee bezig zijn in Nederland. Wij menen dat het mogelijk is om in Nederland een oernatuur te realiseren en om wat dit betreft een situatie te creëren die zichzelf in stand kan houden. Welnu, mijn fractie denkt dat dit niet kan. Er is hierbij naar ons oordeel sprake van een heel grote dierproef waar een keer een eind aan moet komen. Artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is zo belangrijk dat wij ook in de natuur de zorgplicht hebben om dieren niet aan hun lot over te laten, zeker niet in een door mensen gecreëerde situatie. Wij vragen dan ook of hetgeen wij nu meemaken, niet een goed signaal is om met elkaar te besluiten om over te gaan tot preventieve aantalsregulatie. Wij kunnen beter van tevoren ingrijpoen dan de dieren eerst lang te laten hongeren, mager te laten worden en dan pas in te grijpen. Waar wij ingrijpen is dat in feite het topje van de ijsberg. Wij vragen ons af waar het calamiteitenplan is bij massale sterfte als gevolg van voedseltekorten. Ook de wetenschappelijke adviescommissie, vorig jaar voorgezeten door prof. Wensing, heeft daarom gevraagd.
Het gaat nu om de vraag of bijvoederen al dan niet mogelijk is.
Staatsbosbeheer stelt in haar persbericht dat dat grote sociale onrust binnen de kudde teweeg brengt. Dat zou kunnen, maar ik kan mij ook voorstellen dat wij op een andere manier bijvoederen, bijvoorbeeld door op verschillende plekken kleine hoeveelheden laagenergetisch hooi of stro neer te leggen. Op die wijze kunnen wij dan de ernstigste calamiteiten ondervangen. Wij vragen ons dan ook af waarom nu niet bijgevoerderd gaat worden, zeker omdat het nog drie weken duurt voordat er weer echt voedsel komt.
Kortom, wij roepen de minister op om spoedig het huidige dierenleed te verzachten door kansloze dieren uit hun lijden te verlossen -- dat gebeurt al -- en door te starten met bijvoederen. Wij vragen structureel om beheer en bewaking van het welzijn van de grote grazers in ons land door preventieve aantalregulatie, ook in de Oostvaardersplassen.

De heer Slob (ChristenUnie): Wij debatteren vandaag ook aan de hand van een brief van de minister. Ik wil graag uw oordeel daarover horen. U bent daar nog niet echt op ingegaan. De minister zegt in feite dat, ook als je kijkt naar de situatie op dit moment, er geen sprake is van onnatuurlijk hoge sterfte en dat er al een aantal aanvullende maatregelen wordt genomen. Wilt u daar eens op reageren?

De heer Ormel (CDA): De sterfte die nu plaatsvindt, vindt plaats door afschot. Dieren die door hun hoeven gezakt zijn vanwege de honger, worden afgeschoten. Dat is het topje van de ijsberg. Het is niet zo dat 90% van de dieren daar weldoorvoed rondloopt en dat 10% door de hoeven zakt. Een aantal dieren is redelijk doorvoed, maar een groot aantal dieren -- Staatsbosbeheer zegt het ook in het persbericht -- zet hun bloedsomloop in de spaarstand. Dat wil zeggen dat ze een energietekort hebben en dat ze niet zo kunnen functioneren als zij normaal zouden moeten kunnen functioneren. Wij denken dat dat niet goed is en dat daar iets aan gedaan moet worden.

Mevrouw Kruijsen (PvdA): Wij hebben in januari ook al gesproken over het beheer van de grote grazers. Wij hebben toen ook bekeken wat de consequenties zouden zijn van de manier waarop wij nu over het beleid rond de grote grazers praten. Wij zijn toen eigenlijk allemaal akkoord gegaan met hetgeen nu gebeurt. Wij hebben toen afgesproken dat op het moment dat de kudde in gevaar komt, er maatregelen genomen kunnen worden. De kudde komt nu echter niet in gevaar. De dieren die nu overlijden zijn individuele mannelijke edelherten die je ook door spaarzaam af ten toe voedsel te geven niet zult kunnen redden. De sterkste overwint en de zwakkeren zullen alsnog verstoten worden en door hun hoeven zakken. Ik snap dan ook niet waarom de heer Ormel nu zo'n bezwaar heeft tegen hetgeen wij in januari al hebben afgesproken en wat nu praktijk is. Het is nog steeds niet desastreus voor de kudde. Er is meer aanwas dan er nu dood is gegaan.

De heer Ormel (CDA): Ik ben van mening dat wij een zorgplicht hebben, ook voor de dieren die in een min of meer natuurlijke situatie in ons land voorkomen. Als wij een ree aanrijden, behoren wij die ook te verzorgen. Er is nu sprake van een behoorlijk aantal ondervoede dieren. Die dieren zouden, mocht het een volstrekt natuurlijke situatie zijn, zijn gaan migreren en net zo lang zijn gaan lopen tot zij op een plek kwamen waar voldoende voedsel was. Dat kunnen ze in Nederland echter niet. Daarom vinden wij dat wij veel beter preventief kunnen zorgen dat er niet te veel herten of runderen of paarden op een klein oppervlak zitten, dan dat wij de boel de boel laten en als het mis gaat ze laten lijden en als het lijden te ernstig wordt, ze afschieten.

Mevrouw Kruijsen (PvdA): U geeft niet helemaal antwoord op mijn vraag. Wij hebben er in januari al over gesproken en toen wisten wij ook de consequenties hiervan. Waarom dan nu, nu er nog niet eens desastreus veel dieren overlijden, maar iets meer dan gemiddeld omdat wij een keer een flinke nacht vorst hebben gehad, ineens een spoeddebat? Waarom niet eerst kijken wat er is gebeurd en dat evalueren? Waarom niet pleiten voor grotere gebieden waar wel voldoende voedsel is? Waarom breekt de CDA-fractie nu juist de ecologische hoofdstructuur verder af? Waarom pleit ze niet net als wij voor intensivering van het realiseren van grote gebieden en robuuste verbindingen?


De heer Ormel (CDA): Wij breken niets af, wij pleiten voor dierenwelzijn. Wij vinden dat het dierenwelzijn nu en de komende weken in het geding is. Wij vinden het onverteerbaar dat er de komende drie weken nog dieren zullen sterven van de honger, omdat zij in een omheinde situatie zitten. Daar willen wij iets aan doen.

Mevrouw Vos (GroenLinks): Ik vind het onbegrijpelijk dat u juist steeds terugkomt op die omheinde situatie, want het CDA wil net als de VVD en de LPF geen robuuste verbindingen en zegt zelfs tegen de minister dat hij deze niet meer aan moet leggen. De oplossing is juist om de Oostvaardersplassen met de Veluwe te verbinden. Als u zich zorgen maakt over het dierenwelzijn, zou het CDA een voorstel moeten steunen om versneld een robuuste verbinding tussen de Oostvaardersplassen en de Veluwe aan te leggen.

De heer Ormel (CDA): Het is een illusie om te denken dat wij in een dichtbevolkt land als Nederland een volledig natuurlijke situatie kunnen creëren voor duizenden grote grazers. Wij zijn van mening dat wij prachtige natuur hebben in Nederland, maar dat deze dient te worden beheerd, onder andere volgens de normen voor dierenwelzijn van artikel 36.

Mevrouw Vos (GroenLinks): Dit is geen antwoord op mijn vraag. Als ik u zo hoor, denk ik dat u echt voor dierenwelzijn bent. Waarom is de CDA-fractie dan tegen snelle aanleg van een robuuste verbinding tussen de Oostvaardersplassen en de Veluwe? Dat is cruciaal voor het dierenwelzijn.

De heer Ormel (CDA): Ik ben ervan overtuigd dat dierenwelzijn zeer goed gegarandeerd kan worden bij de huidige omvang van de Oostvaardersplassen, maar dat er sprake is van overbevolking. De populatie edelherten is toegenomen met 26% per jaar. Dat kunnen wij door laten gaan tot het plafond is bereikt, en dan kunnen wij ze laten verhongeren, maar dat vinden wij geen manier van doen. Wij vinden dat de aantallen preventief moeten worden gereguleerd, uitgaande van de bestaande situatie bij de Oostvaardersplassen.
*N

Mevrouw Kruijsen (PvdA): Voorzitter. De Partij van de Arbeid steunt het beleid van de minister en het beleid dat Staatsbosbeheer voert wat betreft grote grazers in de Oostvaardersplassen. Ik heb goed gevolgd wat er de afgelopen dagen is gebeurd. Laat duidelijk zijn dat wij voor dierenwelzijn zijn, ook voor de grote grazers die in de Oostvaardersplassen rondlopen. Dat kan ik met een gerust hart zeggen, omdat ik weet dat de mensen die daar bezig zijn, meerdere malen per dag in de gaten houden wat er met die dieren gebeurt. Als het nodig is, worden dieren uit hun lijden verlost. Dat gebeurt al.
Mocht het nodig zijn om bij te voeren, dan moeten wij ons wel houden aan een aantal spelregels die wij van tevoren met elkaar hebben afgesproken. Bijvoeren zou volgens ons juist contraproductief werken, en dat wil de PvdA-fractie te allen tijde voorkomen. Waarom is het contraproductief om nu bij te voeren? Met goedkeuring van alle partijen in dit huis is de leidraad afgesproken dat er slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden bijgevoerd.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Wat u nu zegt, sluit enigszins aan op het citaat dat ik van u heb gelezen en waarover ik graag duidelijkheid wil, namelijk dat de fractie van de Partij van de Arbeid het heel natuurlijk vindt dat beesten mager zijn.

Mevrouw Kruijsen (PvdA): Mevrouw Snijder verwijst naar een citaat in het Algemeen Dagblad van vanochtend. Daarin werd mij een zin in de mond gelegd die ik in een context heb gezegd die ik even zal schetsen. Ik heb gisteren letterlijk gezegd dat dieren die buiten leven, bij strenge weersomstandigheden minder voedsel hebben, zodat zij magerder zijn dan wanneer men ze in de dierentuin tegenkomt. Het is heel natuurlijk dat dieren er iets magerder uitzien na een strengere winter, en zeker na het weer dat wij de afgelopen week hebben mogen meemaken. Het is niet natuurlijk dat dieren er in het algemeen mager uitzien, maar daarvoor is er normaal voldoende voedsel.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Mag ik dan wel verwachten dat dieren die in de natuur leven, met hun volle vet, dus warm de winter ingaan?
Mag ik dus van de PvdA-fractie verwachten dat zij ervan uitgaat dat in een natuurlijke situatie een dier gezond de winter in kan gaan?

De voorzitter: Een korte reactie, alstublieft.
**

Mevrouw Kruijsen (PvdA): Ja.

De voorzitter: Heel goed, korter kan het niet.
**

De heer Van den Brink (LPF): Gelooft de PvdA-fractie nou echt dat de dieren ineens mager zijn geworden als er vijf dagen sneeuw ligt, omdat zij dan vijf dagen wat minder of niet hebben gevreten?

Mevrouw Kruijsen (PvdA): Nee.

De voorzitter: Ook dat is een kort antwoord.
**

Mevrouw Kruijsen (PvdA): In de leidraad hebben wij afgesproken -- dat hebben wij als Kamerleden niet gedaan; daar hebben wetenschappers zich over gebogen -- dat wij gaan bijvoeren in uitzonderlijke situaties. Wij hebben hier met z'n allen afgesproken dat "uitzonderlijk" betekent dat de kudde in gevaar komt. Daar gaat het hier om. Er werden zojuist al een paar cijfers genoemd. Daar wil ik er een paar aan toevoegen. Er zijn het afgelopen jaar maar liefst 420 jonge dieren geworpen en opgegroeid. Vanaf januari zijn er daarvan 147 gestorven, dus ongeveer een derde. Dat betekent dat er eerder sprake is van een toename dan van een afname. Als wij die leidraad goed lezen, is dus absoluut geen sprake van een uitzonderlijke situatie, want dan zou een meervoud van de aanwas moeten komen te overlijden. Bovendien wordt aangegeven dat wij pas bijvoeren wanneer de kudde in gevaar komt. Nu komen eigenlijk alleen individuele dieren in gevaar. Daarbij geldt, zoals wij ook met z'n allen hebben afgesproken, natuurlijke selectie, het recht van de sterkste. De dieren die zichzelf nu in leven kunnen houden en voldoende voedsel vinden, blijven; de dieren die het niet meer redden, de zwakkere dieren van de kudde, worden terecht preventief afgeschoten.

De heer Ormel (CDA): Ik vind het verheugend dat u dat preventief afschieten terecht vindt, maar waarom laat u die dieren eerst honger lijden vóór dat afschieten? Waarom zegt u niet: er is een bepaalde mogelijkheid voor een gebied om een aantal dieren te hebben en wij grijpen in als die mogelijkheid wordt overschreden? Dat afschieten moet helaas gebeuren, maar doe dat dan voordat zij honger lijden. Laat de dieren niet eerst honger lijden en een lijdensweg volgen voordat zij aan het eind worden afgeschoten.

Mevrouw Kruijsen (PvdA): Ik wil de dieren niet laten lijden. Daarom pleit ik voor grotere aaneengesloten terreinen en robuuste verbindingen, waardoor er voldoende voedsel voor de herten is. Daar pleiten wij al jaren voor.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Begrijp ik het nu goed dat de PvdA-fractie een kudde belangrijker vindt dan het individueel dierenwelzijn?

Mevrouw Kruijsen (PvdA): Ja, dat hebben wij in Nederland zo afgesproken. Ik heb geen zin om grote ophef te maken over populair gebruik van een individueel hert dat sterft. Ik wil graag praten over een fatsoenlijk beheer van de natuur in Nederland. Ik stel ook voor dat wij binnenkort juist over het beheer van grote grazers een debat voeren; ik hoop dat de minister daarin wil meegaan. Er wordt gesproken over een calamiteitenplan. Ik weet dat dat in ontwikkeling is. Wellicht kunnen wij dat dus ook hier bespreken, waarbij wij kunnen praten over de vraag wanneer wij wel of niet preventief moeten afschieten. Ik ben benieuwd naar het standpunt van Staatsbosbeheer over de normale sterfte, de relatie tussen die normale sterfte en de sterfte die nu plaatsvindt en de consequenties daarvan. Ik zou daarvoor heel graag een aantal wetenschappers willen horen over de draagkracht van kuddes, die in het Engels zo mooi "the carrying capacity" heet. Daar gaat het ons om en daarover willen wij graag verder debatteren.


*N

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. In de brief die de minister ons gisteren heeft gestuurd, geeft hij aan dat Staatsbosbeheer de Leidraad Grote Grazers volgt bij wat er nu in de Oostvaardersplassen gebeurt. Ik heb die leidraad er nog eens op nageslagen.
Daarin lees ik dat de beheerder preventieve maatregelen moet nemen in de vorm van aantalsbeheer en bijvoederen wanneer de terreinomstandigheden en het weer dat vergen. Hij dient doeltreffend in te grijpen bij een aantal zaken. Vervolgens lezen wij in de beleidslijn dat bij dreigende overschrijding van de draagkracht in grote eenheden natuurgebieden, waaronder de Oostvaardersplassen, preventief aantalsregulatie plaats dient te vinden zowel met het oog op de langetermijnontwikkeling van de kudde als met het oog op de structurele beschikbaarheid van voedsel. Wij vragen ons dan ook af wat de reden is dat de minister Staatsbosbeheer zijn gang laat gaan. Waarom is er niet vroegtijdig ingegrepen om de populatie en de draagkracht van het gebied goed op elkaar af te stemmen? Bij de Leidraad grote grazers is door mijn fractie aangegeven dat bij een afgebakend natuurterrein, ook al is het een heel groot gebied, sprake is van een niet-natuurlijk terrein en van gehouden dieren. Daarbij dient populatiebeheer en draagkracht van het gebied uitgangspunten te zijn. Het verbaast ons dat de minister daaraan voorbij gaat. Het is niet uit te leggen in het land dat dieren, ook al is het in natuurgebieden, sterven van de honger. Kamer en regering zijn immers kritisch op hoe burgers en ondernemers dieren houden. Ik vraag de minister om nu in te grijpen. Hij moet voor de toekomst kritisch bekijken hoe om te gaan met draagkracht en populatiebeheer in het gebied.

Mevrouw Vos (GroenLinks): Wat moet de minister doen? Afschieten en bijvoederen tegelijkertijd?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): De minister komt nog aan het woord. Ik vind dat er nu ingegrepen moet worden. De dieren moeten uit hun lijden worden verlost of zij moeten bijgevoederd worden. Dat is allebei ingrijpen. Voor de toekomst moeten wij betere afspraken maken en moet er beter zicht ontstaan op wat draagkracht is in een gebied en wat voor populatie daar voldoende gezond en evenwichtig kan leven.

Mevrouw Vos (GroenLinks): Moet de robuuste verbindingszone er niet komen om een goed draagkrachtig gebied voor deze dieren tot stand te brengen?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Dat is voor de toekomst. De robuuste verbindingszones zitten allemaal in de pijplijn. Die vormen echter geen garantie dat deze dieren daar volwaardig kunnen voortbestaan. Ook met de robuuste verbindingszone zijn wij er nog niet.

Mevrouw Vos (GroenLinks): De VVD wil die zones helemaal niet aanleggen. Daarvoor zijn ook moties ingediend. Misschien kan mevrouw Snijder die terugtrekken. Dat lijkt mij heel verstandig.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Dat is een misvatting. Bij Vitaal Platteland, bij de begroting en bij de nota Ruimte is daarover gediscussieerd. Wij willen van de kleine verbindingszones af. De robuuste verbindingszones zitten allemaal nog in de pijplijn.


*N

De heer Van den Brink (LPF): Voorzitter. Ik hoor mensen spreken over de natuur en over het houden van dieren in die natuur. Ik hoor mensen ook spreken over dat de sterkste mag overwinnen in de natuur. Ik vraag mij dan altijd af bij welke partij die mensen horen. Ik hoor in de politiek veelal dat wij de zwakkeren moeten beschermen. Ik ben dan ook verbaasd dat de PvdA stelt dat, als het op een natuurlijke wijze gaat, de sterkste mag overwinnen. Ik begrijp hier helemaal niets van. Dat ligt echter aan mij en niet aan de PvdA.
Ik vind niet dat wij in Nederland natuurgebieden hebben zoals in Afrika. Wij hebben in Nederland kunstmatig aangelegde natuurgebieden. Natuurlijk spreken wij van ecologische verbindingszones. Zo is er een zone van de Oostvaardersplassen naar de Veluwe. Wij kunnen echter constateren dat er op de Veluwe evenveel sneeuw lag als op de Oostvaardersplassen.
Ook de sneeuw is flauwekul. Er is geen één dier dood gegaan dat gezond was voordat de sneeuw viel. Geen enkel gezond dier bezweek na vijf dagen sneeuw. Het was koud en wij voelden de winter aan onze knieën. Wij zagen een keer dat Nederland wit was. Opeens merkt men dat er veel dieren doodgaan, maar dezelfde dieren waren ook dood gegaan als er geen sneeuw was gevallen. Wij hadden er gewoon te veel. Er lopen zoveel dieren in de Oostvaardersplassen; het is gelijk een extensief veehouderijbedrijf. Daar doen wij aan grondbewerking en daar bemesten wij dezelfde grond om gewassen te produceren, wat wij hier niet doen. Zie hier de problematiek.
Nu komt de oplossing. Ik denk dat je ethisch nooit mag zeggen dat natuurlijk lijden wel mag. Als lijden niet mag, mag het ook natuurlijk niet. Als je je rentmeester of hoeder van de dieren voelt, dan moet je ervoor zorgen dat zij niet in de situatie van lijden komen. De enige oplossing nu is ervoor te zorgen dat het aantal dieren wordt bijgesteld en dat het gebied voedsel kan produceren. Één ding blijft overeind, in een heel lange winter van vier tot zes weken zul je moeten bijvoeren, want anders houd je niets over.

*N

Mevrouw Vos (GroenLinks): Voorzitter. Wij hebben het over een serieus probleem: de sterfte van edelherten in een behoorlijk hoog tempo, waar niet gemakkelijk een oplossing voor te vinden is. Mijn fractie vindt dat er zo spoedig mogelijk grotere gebieden moeten komen, waardoor dieren meer kansen hebben om op een natuurlijke manier aan hun voedsel te komen. Daarom stoort de opstelling van de fracties van VVD en CDA mij zeer. De heer Ormel zei net in feite dat wij in Nederland geen natuur hebben. Voorts zei hij dat het onwenselijk is dat populaties te groot worden. Hij weigert zich dus in te zetten voor vergrote natuurgebieden, steunt zelfs moties en gaat nieuwe moties indienen die deze verbindingszones afschieten. Wat wil de CDA-fractie? Én bijvoeren én preventief afschieten. Ik snap eerlijk gezegd niet goed wat dit nu met dierenwelzijn te maken heeft. De heer Ormel wil preventief dieren afschieten in het kader van het dierenwelzijn.

De heer Ormel (CDA): Natuurlijk hebben wij natuur in Nederland. Wij hebben prachtige natuur in Nederland. Wij hebben zelfs overdadig veel natuur voor zo'n dichtbevolkt land. Wij hebben de Veluwe, de Waddenzee en de Oostvaardersplassen, maar het is een illusie om te denken dat wij van heel Nederland natuur kunnen maken. Er wonen 16 miljoen mensen die er moeten werken en die zich ook nog moeten verplaatsen.

Mevrouw Vos (GroenLinks): U hebt net gezegd dat de Oostvaardersplassen geen natuurlijk gebied kunnen worden, waar populaties zich vanzelf zullen ontwikkelen. U vindt dat de overheid die herten preventief moet afschieten en bijvoederen. U vindt beide op dit moment nodig. Die redenering vind ik onnavolgbaar. Ik vraag mij ook af waar uw prioriteit ligt. Waarom pleit u er niet voor om de Oostvaardersplassen versneld te gaan verbinden met de Veluwe? Dat zou een echt structurele oplossing kunnen zijn voor dit probleem.
De heer Ormel (CDA): Als de hertenpopulatie zich daar met 26% per jaar vermeerdert, dan kunt u ook uitrekenen dat er ergens een plafond is. Dat plafond kunnen wij bereiken door verhongering en het afschieten van dieren als zij verhongerd zijn, maar wij kunnen het ook anders doen. Wij concluderen dat dit het plafond is en moeten er dan voor zorgen dat wij daar niet boven komen. Dan is er een reële situatie: reëel voor het gebied en goed voor het dierenwelzijn. Ook het dierenwelzijn moet meespelen.
De heer Van den Brink (LPF): Stel nu voor dat wij die robuuste verbindingszones gaan aanleggen, stel voor dat u dan helemaal gelijk krijgt, wat is er dan voor vandaag voor die dieren in dat gebied opgelost?

Mevrouw Vos (GroenLinks): Daar hebt u absoluut gelijk in. Wij hebben daar ook een groot probleem, maar het stoort mij wel in hoge mate dat partijen ineens enorm opgeven van het dierenwelzijn, het CDA en de VVD, weigeren om na te denken over cruciale oplossingen voor de langere termijn. Overigens was het CDA zeer tegen het opnemen van dierenrechten in de Grondwet, maar nu spreekt het voortdurend over de zorgplicht. Het opnemen van dierenrechten in de Grondwet legt die zorgplicht voor de overheid vast. Mijn partij zou daar groot voorstander van zijn. Waar de heer Çörüz zegt dat dieren in de wei horen en niet in de Grondwet zou dat ook een ondersteuning daarvan kunnen zijn.
Voorzitter. GroenLinks vindt dat er op dit moment inderdaad sprake is van een onnatuurlijke situatie. Daarom pleiten wij voor het versneld aanleggen van die verbindingszones, waardoor het gebied voor de dieren vergroot wordt. De overheid zou daar de hoogste prioriteit aan moeten geven, want dit probleem hebben wij jaar op jaar. Voorkomen moet worden dat dieren massaal sterven. Wat ons betreft, zou wel moeten worden overgegaan tot bijvoeren. Waar de minister in zijn brief zegt dat de sterfte niet onnatuurlijk is, vraag ik hem dat nader toe te lichten. De sterfte lijkt mijn fractie wel degelijk hoog. Voorts verzoek ik de minister om een nadere toelichting op de nadelen die hij in zijn brief schetst voor het bijvoederen. Mijn fractie vraagt zich af, of het toch geen tijd wordt om daartoe over te gaan.


*N

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Als je voor de eerste keer kennisneemt van de situatie van de grote grazers bij de Oostvaardersplassen, dan is de primaire reactie: doe iets, bijvoorbeeld bijvoeren. Maar, zoals vaker is de werkelijkheid wel wat gecompliceerder. In dat opzicht trof mij wel de opmerking van mevrouw Snijder. In feite verweet zij de minister dat hij Staatsbosbeheer maar zijn gang laat gaan. Dat is natuurlijk best een groot verwijt. Als ik de brief van de minister lees, uitgangspunt voor dit debatje, plaatst hij de situatie bij de Oostvaardersplassen juist in het perspectief van het daarvoor afgesproken beheersysteem. Staatsbosbeheer heeft de verantwoordelijkheid om dat beheersysteem naar letter en geest uit te voeren. De minister stelt dat op dit moment aanvullende maatregelen zijn genomen -- hij noemt er drie -- en hij geeft aan dat bijvoederen op dit moment ongewenst is, omdat er geen sprake is van een heel extreme situatie. Als ik de brief lees, zijn argumenten en zijn verwijzingen naar de regelgeving op dat punt, kan ik niet de stelling voor mijn rekening nemen die mevrouw Snijder in de mond nam, namelijk dat hij Staatsbosbeheer maar zijn gang laat gaan en eigenlijk op een heel onoorbare wijze bezig is. Mijn fractie is dan ook geneigd om de minister te volgen in lijn die hij in zijn brief aan de Kamer heeft geschetst. Dan zit je wel in een enorm spanningsveld, zoals mevrouw Vos net al zei, dat er toch dingen gebeuren die je wel aan het hart gaan. Dan moet je ook de absolute zekerheid hebben dat de uitvoering van de huidige regels en het feit dat er op dit moment niet wordt bijgevoerd, volledig verantwoord is. Ik vraag de minister nogmaals te onderbouwen wat kort in zijn brief staat, namelijk dat Staatsbosbeheer op een oorbare wijze en conform de regelgeving bezig is en dat het ook vanwege alle bijeffecten ongewenst is om bij te voederen. Ook zie ik graag een onderbouwing van zijn zinsnede dat er op dit moment geen sprake is van een onnatuurlijk hoge sterfte die echt aanleiding zou zijn om in te grijpen. Ik heb dit nodig omdat ik mij een afgewogen oordeel wil kunnen vormen over de moties die vermoedelijk nog wel zullen komen.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Heeft de heer Slob destijds ingestemd met de Leidraad grote grazers?

De heer Slob (ChristenUnie): In welk verband plaatst mevrouw Snijder deze vraag?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik vraag dit omdat hij kritiek heeft op mijn inbreng. In de Leidraad grote grazers staan andere uitgangspunten dan in de brief van de minister. Daarom heb ik mij zo kritisch uitgesproken. Ik hoor graag of de heer Slob het met die leidraad eens is.

De heer Slob (ChristenUnie): De Leidraad grote grazers is het uitgangspunt van het praktisch handelen van Staatsbosbeheer. Mevrouw Snijder zegt nu in feite tegen de minister dat hij Staatsbosbeheer maar zijn gang laat gang. Staatsbosbeheer zou dingen doen die niet kunnen en de minister laat dit toe en sanctioneert dit zelfs door de wijze waarop hij de Kamer informeert. Ik vind dit zware woorden die ik niet voor mijn rekening kan nemen. Ik heb aan de minister gevraagd of hij hierop wil reageren.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik heb bewust een aantal citaten uit de Leidraad grote grazers voorgelezen en ik hoop dat de heer Slob die nog wil lezen voordat wij over moties praten.

De heer Slob (ChristenUnie): Ik wil alles lezen wat nodig is voor het debat, maar mijn opmerking had vooral betrekking op het zware verwijt van mevrouw Snijder aan het adres van de minister. Ik probeer het te volgen, maar op basis van de informatie die ik heb, kan ik die woorden niet onderschrijven. Daarom ben ik heel nieuwsgierig naar het antwoord van de minister. Het is immers niet niks wat mevrouw Snijder zegt.

De heer Ormel (CDA): Ik vind het zuiver dat de heer Slob uitgaat van het antwoord van de minister. Ik neem afstand van de suggestie dat Staatsbosbeheer zo maar iets zou doen. Natuurlijk is dit niet zo, Staatsbosbeheer gaat uit van een principe en daar hebben wij het in feite over. Dit wordt ook in de brief verwoord. Daarin staat dat bijvoederen nadelen heeft en het evenwicht tussen de natuurlijke draagkracht van het terrein en het aantal dieren kan verstoren. Vindt de heer Slob dit belangrijker dan het welzijn van de dieren dat nu in ernstige mate in het geding is?

De heer Slob (ChristenUnie): Als de heer Ormel goed heeft geluisterd, weet hij dat ik hierover een vraag heb gesteld aan de minister. Ik heb gevraagd of de minister dit uitgangspunt nog eens wil onderbouwen in relatie tot de huidige situatie. Wij hebben er ook moeite mee dat er nu dieren sterven.


*N

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Natuur is natuur en natuur is een levende werkelijkheid. Wij hebben in ons land nog nauwelijks pure natuur. Een enkele uitzondering daargelaten, is onze natuur doorgaans gereguleerde en georganiseerde natuur. Je zou de natuur het liefst haar gang laten gaan en zo min mogelijk menselijke interventies willen plegen als een natuurlijk evenwicht in de soortenrijkdom en de diversiteit daar het resultaat van zouden zijn. Menselijke interventie is gerechtvaardigd als dit evenwicht dreigt te worden verstoord.
Nu de Oostvaardersplassen en de actuele situatie. Er is een Leidraad grote grazers en op de calamiteiten wordt gereageerd. De minister heeft in zijn brief drie actiepunten opgesomd. Staatsbosbeheer onderkent de ernst van de situatie en neemt maatregelen. Het springende punt is dat er vooralsnog, let op het woordje "vooralsnog", niet wordt bijgevoederd. De besluitvorming over het al of niet bijvoederen is voorbehouden aan gedeputeerde staten van de betreffende provincie.
Als ik dit alles overzie, kom ik tot de conclusie dat wij dit eigenlijk aan de deskundigen moeten overlaten. Ik ben niet deskundig. Velen bemoeien zicht met dit vraagstuk. Ik noem bijvoorbeeld het advies van de Wetenschappelijke adviescommissie voor de Oostvaardersplassen. Dat zou het moeten zijn, ware het niet dat wij weten dat er nu dieren sterven en wankelend in de kudde lopen.
Die kennis dwingt mij toch om mijzelf moeilijke vragen te stellen. Als een dier in de natuur moeite heeft om overeind te blijven, vind ik namelijk dat je in principe de morele plicht hebt om de helpende hand te bieden. Dat doe je immers ook in je eigen woonomgeving; als het koud wordt, voer je de dieren in je tuin bij. Je kunt je ook afvragen waarom je dat zou moeten doen, aangezien de natuur toch wel haar gang gaat. De meeste mensen zullen, denk ik, uiteindelijk voor bijvoeren kiezen.
Dezelfde emotionele betrokkenheid voel ik bij dit probleem. Heeft de minister zich vergewist of wat hij hierover schrijft wel juist is? Hij ontleent deze kennis immers aan het oordeel van mensen die deze dieren na aan het hart gaan. Ik hoor graag een duidelijk antwoord van de minister, want tijdelijke ondersteuning van kuddes hoeft een beheers- en beleidsregiem natuurlijk niet wezenlijk te doorkruizen.

*N


Mevrouw Van Velzen (SP): Voorzitter. De discussie over de Oostvaardersplassen is niet van vandaag of gisteren. Zo hebben wij eerder gedebatteerd over het probleem dat dieren uit dit gebied niet verplaatst zouden mogen worden omdat de Oostvaardersplassen een natuurgebied zijn. Deze dieren mochten niet naar het Lauwermeer trekken, omdat ze niet geregistreerd waren in het I&R-systeem.
Toen gingen wij er dus van uit dat de Oostvaardersplassen een natuurgebied zijn. Door anderen wordt echter gezegd dat het eigenlijk een soort dierentuin is omdat er een hek omheen staat, en dat de gezondheidsnormen voor dieren in gevangenschap aangehouden moeten worden. Het is een discussie over waan en werkelijkheid. Uiteindelijk zullen wij echter toch echt moeten kiezen tussen twee mogelijkheden: het is of een natuurgebied zonder onnatuurlijk hoge sterfte of een dierentuin met een onacceptabel hoge sterfte. Overigens vindt de AID de situatie inmiddels zo ernstig dat men overweegt om proces-verbaal op te maken tegen Staatsbosbeheer.
Als wij besluiten dat de Oostvaardersplassen als een dierentuin moeten worden behandeld, moeten wij het hek wat hoger maken en toegang heffen. Als wij dat niet doen, moeten wij beslissen of wij gaan bijvoeren of kogels gaan voeren. Maken wij er een natuurgebied van, dan moet het hek weg en mogen wij geen toegang heffen. Als wij dat willen, moet de minister zorgen voor extra geld om het gebied te vergroten.
Ik ben een voorstander van de laatste optie. Laten wij er een echt natuurgebied van maken. Nu is het namelijk geen van beide. Het lijkt nog het meest op een hertenkamp, want het is geen dierentuin en geen natuurgebied. Laten wij een punt achter deze discussie zetten en er een natuurgebied van maken en meer geld uittrekken voor robuuste verbindingszones.
Ik ben een realist en ik weet dat een meerderheid van de Kamer niet bereid is om hiervoor meer geld uit te trekken. Ik moet dan ook een pragmatische keuze maken en daarom stel ik voor om er een dierentuin van te maken. Als wij dat doen, is de toestand waarin deze dieren verkeren, niet langer acceptabel en moeten wij dus geen bijvoeren. Dat neemt overigens niet weg dat deze keuze niet mijn eerste voorkeur is.


*N

De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. Wij spreken vandaag over diverse dilemma's. Ik zal er ook een paar aan de minister voorleggen. Wat is natuur? Zijn de Oostvaardersplassen natuur? Is het misschien een park of een dierentuin? En mag je wel ingaan tegen de natuur van mensen om beesten in nood te helpen? Ik kan maar moeilijk kiezen.
De minister zegt dat de maatregelen die inmiddels genomen zijn, voldoende zijn om de beesten te helpen. Hij wordt voorgelicht door allerlei deskundigen en ik ga ervan uit dat deze deskundigen het bij het juiste eind hebben. Aan de andere kant hebben wij allemaal de beelden gezien en wordt terecht de vraag gesteld of de situatie in de Oostvaardersplassen nog wel acceptabel is. Moeten wij niet erkennen dat wij in Nederland alleen maar parken en veredelde dierentuinen hebben en deze dieren daarom moeten bijvoeren?
Ik laat mijn oordeel afhangen van de beantwoording van de minister. Pas na zijn antwoord besluit mijn fractie of wij een motie om bij te voeren zullen steunen. Het is echt een dilemma, want uiteindelijk beslis je ook hoe je tegen de natuur in Nederland aan kijkt.


De heer Ormel (CDA): De heer Van der Ham vraagt zich af wat natuur is. In mijn ogen is natuur een ecosysteem dat met zichzelf in balans is zonder ingrijpen van de mens. Deelt hij die mening? Zo ja, denkt hij dat dit in Nederland mogelijk is?

De heer Van der Ham (D66): Op een aantal plekken is dat zeker wel mogelijk. De vraag is of het hier mogelijk is. Daarover hebben wij het vandaag. Het belangrijkste dilemma is misschien wel het enigszins nare gevoel dat ik bij dit debat heb over de opstelling van CDA, VVD en andere partijen. Alles wat er wordt gedaan om tot echte natuur in Nederland te komen, zoals robuuste verbindingen, wordt in moties door CDA, VVD en LPF afgebroken. Dat is voor vandaag geen oplossing. Als die moties niet zouden worden aangenomen, redden wij daarmee niet de herten en de andere beesten. Het is echter wel een feit. Deze woordvoerders hebben het over dierenwelzijn, maar ik zie dat zij niets doen aan de bio-industrie. Zij spreken over glow-in-the-dark vissen, maar niet over de kippen in de bio-industrie die door hun poten zakken. Ik denk dan: de haan kraait drie keer. Wij luisteren in ieder geval naar de antwoorden van de minister en naar aanleiding daarvan zullen wij ons oordeel geven.


*N

Minister Veerman: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de uitvoerige inbreng en de grote zorg voor de dieren, waarvoor ik ook grote verantwoordelijkheid draag. Voor de duidelijkheid zeg ik eerst iets over de robuuste verbindingen waarover is gesproken. Deze of volgende week wordt er gestemd over de moties die zijn ingediend bij de behandeling van de Nota Ruimte. In haar motie heeft mevrouw Snijder volstrekt duidelijk gemaakt dat de aanleg van de robuuste verbindingen, ook degene die de Veluwe met de Oostvaardersplassen verbindt, nog steeds op de rol staat. In zoverre treft het verwijt dat ik heb gehoord, geen doel. Straks kritiseer ik u, mevrouw Snijder, dus wees niet te vroeg blij. De robuuste verbindingen gaan gewoon door en dat heb ik meerdere malen gezegd. Er is financiering voor de bovengrens van het totaal aantal hectaren. Het tijdschema klopt nog steeds en dat volgen wij dus de komende jaren tot en met 2015 à 2018. Zo is het, maar dat helpt ons niet van de problemen van dit moment af.
Hier manifesteert zich een verschillende kijk op wat voor een gebied de Oostvaardersplassen is. Dat komt ook scherp tot uitdrukking in de verschillende bijdragen. Mevrouw Van Velzen zei dat het scherpste: is het een dierentuin of een natuurpark? Het is dat laatste. Dat vinden wij niet alleen, maar zo is het ook ontstaan en zo is het ook internationaal gekwalificeerd. Er is een zogenaamd Europees diploma aan dit gebied verleend. Dat betekent dat het als zodanig is gekwalificeerd. Er is dus een verschillende kijk op het soort beheer dat daar moet worden gevoerd. Daaromtrent scheiden zich de meningen. Dat is volstrekt duidelijk.
Ik kom voorts te spreken over het juridische kader. Iedereen voert hier de Leidraad Grote Grazers aan. Dit is geen schaamlap om onder de problematiek uit te komen, maar de Leidraad Grote Grazers slaat op runderen en paarden. De leidraad is dus primair niet van toepassing op de edelherten. De citaten die mevrouw Snijder zo streng voorwerpt aan anderen, missen daardoor doel. Ik kan het ook niet helpen, mevrouw Snijder.

De voorzitter: Ik zie dat mevrouw Snijder wil reageren, maar ik wil eerst een opmerking maken. Tijdens de regeling van werkzaamheden is afgesproken dat wij een kort spoeddebat zouden houden met spreektijden van twee minuten. Ik ga nu echt een tandje strenger voorzitten, want anders zitten wij hier vanmiddag nog.
**

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): De volgende vraag is natuurlijk heel simpel. Wat is dan exact het beleid voor de edelherten?

Minister Veerman: Ik was net toe aan het antwoord op die vraag.

De voorzitter: De minister gaat door. Ik had die interruptie inderdaad beter niet kunnen toelaten.
**

Minister Veerman: Het is een volstrekt logische vraag van mevrouw Snijder. Wat is er dan van toepassing? De Flora- en faunawet is hier van toepassing.
Het is klip en klaar: de Flora- en faunawet verbiedt het bijvoederen van dieren. Dat staat in artikel 74a. Ik kan het ook niet helpen. Er is één uitzondering, namelijk als in bijzondere weersomstandigheden door een tijdelijk voedseltekort het welzijn van de dieren in het geding is. In dat geval kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen. Dat is de feitelijke juridische situatie.
De vraag is nu wat er feitelijk gebeurt. Wij moeten eerst kijken naar de feiten. Is er sprake van extreem grote sterfte? Het antwoord daarop moet zijn: nee, dat is er niet. De populatie groeit nog steeds. Dit jaar zijn er 147 dieren doodgegaan en 420 hertenkalfjes geboren. In een ander gebied, namelijk de Veluwe, is volgens de Vereniging tot behoud van het Veluws Hert de voorjaarsstand 1800 tot 1900 herten. Dat bestand wordt door middel van de jacht met 60% teruggezet. Het groeit vervolgens weer aan en het wordt weer teruggezet. Dat is dus een vorm van beheer op basis van de exploitatie van het bestand. Daar is niets mis mee. Het is een filosofie die past bij die manier van het houden van dieren.
In dit geval hebben wij te maken met een gebied dat is aangemerkt als een gebied waarin de natuur zijn gang moet kunnen gaan, met dien verstande dat er wordt ingegrepen als er sprake is van dreigend ernstig lijden van dieren. Dat ingrijpen bestaat uit het afschieten van dieren die dreigen ernstig te gaan lijden. Wij moeten het bestand dus streng bezien en monitoren. Dat gebeurt, soms zelfs drie keer per dag. Dat wordt extra actueel als er, zoals vorige week, sprake is van strenge vorst en sneeuwval. Tegen het voorjaar zijn de dieren immers vermagerd. Het gebeurt heel nauwkeurig. Er vinden veterinaire inspecties plaats en inspecties van Staatsbeheer. Dat Staatsbosbeheer maar een beetje zijn gang gaat, heb u vast niet zo bedoeld mevrouw Snijder. Dat is namelijk niet zo. U bent ook al ernstig terecht gewezen door een paar andere leden. Ik zal dat niet herhalen. Het is niet aan de orde.
Op basis van de inspecties en van de monitoring, bekijken wij in hoeverre wij moeten ingrijpen om ervoor te zorgen dat de dieren niet onnodig lijden. Dat is een andere benaderingswijze dan op de Veluwe wordt gebruikt. Daar vindt een, overigens terechte, exploitatie van het wildbestand plaats. Dat is hier niet het geval. Hier is het omgekeerde het geval. Er is een natuurlijke populatie die in dat gebied moet en kan bestaan, maar er wordt ingegrepen door middel van afschot als de grenzen van het lijden worden bereikt.
Als er sprake is van buitengewone omstandigheden kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing verlenen om bij te voeren. Ik wil daar niet onmiddellijk toe overgaan omdat er geen sprake is van excessieve sterfte. De dieren zijn wel mager, maar er zijn op zich geen bijzondere omstandigheden. Ik heb begrip voor de zorg die er is. Het zijn prachtige dieren en het is deerniswekkend om die te zien vermageren en lijden. Dat spreekt vanzelf. Dat is echter op zich geen reden om bij te voeren. Het effect van bijvoeren is dat de populatie zich vermeerdert en dat het probleem in feite toeneemt. Dat is een begrijpelijke strategie als er een beheer wordt gevoerd zoals op de Veluwe en er dus meer kan worden "geoogst" als de populatie groeit. Als, zoals in dit geval, de populatie op zichzelf staat en alleen dieren uit hun lijden worden verlost waarvan vaststaat dat zij dreigen te gaan lijden, is de nu gekozen strategie consequent.
De Kamer maakt zich zorgen en dat begrijp ik wel. Ik zal op basis van dit debat de leidraad, die nu een paar jaar bestaat en niet van toepassing is op deze diercategorie, door een aantal deskundigen op zijn actualiteit laten bezien. Ik zal ook de situatie van de edelherten de komende dagen nauwkeurig laten volgen.
Als de sterfte boven het gemiddelde dreigt te komen, wat nu niet het geval is, zal ik nagaan of een tijdelijke bijvoermaatregel geboden is. Hierin ben ik overigens buitengewoon terughoudend. Voorts zal ik op basis van dagelijkse inspecties door Staatsbosbeheer dit nauwkeurig volgen. Staatsbosbeheer is een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) en heeft op grond hiervan een eigenstandige verantwoordelijkheid in dit opzicht. Toch ben ik vandaag weer naar de Kamer gekomen.
De Kamer kan er zeker van zijn dat ik op basis van die inspecties in ieder geval zal nagaan in hoeverre het preventieve afschot geïntensiveerd moet worden, opdat de dreiging van lijden door dieren die de winter toch niet zullen doorkomen, niet acuut wordt.

Mevrouw Van Velzen (SP): Er blijft een wrijving tussen de termen “dierentuin” en “natuurgebied”. De minister zegt dat er besloten is dat het een natuurgebied is en dat dus de Flora- en faunawet geldt en niet de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Dit gebied is wel maximaal 1500 ha met ontzettend veel dieren. De mensen zijn daar ook verbaasd over: als je er met de trein langs rijdt, denk je dat daar een dierentuin is. Waar ligt de grens? Hoeveel dieren mogen er in dat gebied zijn, wil het niet meer onder de Flora- en faunawet vallen en de dieren onder de categorie “gehouden dieren” vallen? Er staan hekken omheen, dus feitelijk is het een parkje.

Minister Veerman: Mevrouw Van Velzen haalt enkele dingen door elkaar. De Flora- en faunawet geldt niet omdat het om gehouden dieren gaat en evenmin omdat het om een dierentuin gaat, maar deze wet geldt sowieso voor dit type dier: edelherten. Het zijn dus geen gehouden dieren. Het gaat om een natuurpark, een natuurgebied van 2000 ha. De bovengrens is die populatie die kan bestaan zonder dat dieren dreigen ernstig te gaan lijden. In dat geval schieten wij ze namelijk af.

Mevrouw Vos (GroenLinks): Ik wil toch een preciezer antwoord van de minister horen aan de inspectie van de dierenbescherming, met name de dierenartsen die zich zorgen maken en de indruk hebben dat dieren nu al lijden. Is het nu zeker dat er, voordat dieren ernstig gaan lijden, iets gebeurt, dus dat zij zo nodig afgeschoten worden? Wanneer is voor de minister het moment voor bijvoeren bereikt? Waar ligt dus voor de minister de grens dat het aantal dieren dat overlijdt boven het gemiddelde komt en hij de dieren laat bijvoeren?

Minister Veerman: U zegt het zelf eigenlijk al: als het boven het gemiddelde komt. Nu zitten wij daar nog duidelijk onder. Het is nu medio maart. Zodra het zonnetje echt doorbreekt, schiet het gras omhoog en is het hele probleem voorbij. De heer Ormel zegt dat dat nog drie weken duurt. Dat vind ik een knappe voorspelling van het verloop van het voorjaar. Wij weten echter allemaal dat, zodra de sneeuw weg is en zodra het zonnetje iets sterker wordt, er voldoende voedsel is.
Staatsbosbeheer kan maatregelen overwegen en niet ik. Ik heb er in dit geval wel op toe te zien of de Flora- en faunawet adequaat wordt nageleefd, wanneer het bovengemiddeld sterven betreft of wanneer er lijden van dieren dreigt te ontstaan, iets wat niet acceptabel is.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik heb een vergissing gemaakt door te denken dat de leidraad voor grote grazers ook voor de edelherten geldt. Daarvoor geldt dus de Flora- en faunawet. De toepassingen in de leidraad, zoals draagkracht en populatie, staan ook in de Flora- en faunawet staat en dienen dus ook te gelden voor de edelherten. Dit speelt dus wel degelijk ook een rol bij de populatie van de edelherten in de Oostvaardersplassen.

Minister Veerman: Ik zal proberen om het nog een keer duidelijk te zeggen. De filosofie voor dit gebied is niet die van het exploiteren van een wildstand, maar van het beheren daarvan in een natuurlijke omgeving. De bovengrens wordt bereikt, wanneer er een bovengemiddelde sterfte ontstaat, gebaseerd op een jarenlang gemiddelde. Er wordt dan overwogen of er bijgevoerd moet worden. Dat is nu nog niet aan de orde. Naar mijn verwachting zal dat ook niet gebeuren.
Als voorts de dreiging bestaat dat dieren ernstig gaan lijden, zullen wij de populatie van die dieren zodanig uitdunnen dat dit lijden wordt vermeden. Er wordt afgeschoten en er is sprake van een dagelijkse controle.
Mevrouw Vos en mevrouw Van Velzen melden dat de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming dit problematisch vindt, maar dat is mij niet bekend. Mij is meegedeeld dat de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming hier nog niet over aan de bel heeft getrokken. Ik zal het nagaan. Als blijkt dat het wel zo is, houd ik er rekening mee bij mijn verdere beslissingen.

De voorzitter: Ik stel voor, de beraadslaging te sluiten.
**

De heer Ormel (CDA): Voorzitter. Ik wil een korte tweede termijn.

De voorzitter: In die termijn hebben de sprekers dan, zoals gebruikelijk, een derde van de spreektijd in de eerste termijn. Dat is echt driekwart minuut. Dit duurt allemaal veel te lang.
**



*N

De heer Ormel (CDA): Ik bedank de minister voor zijn beantwoording. Ik ben het met hem eens dat de Oostvaardersplassen geen dierentuin vormen, maar een heel mooi natuurgebied. Het is wel een natuurgebied met een grens. Ik ben verheugd over het goede nieuws dat de minister bijvoedering en het nemen van preventieve maatregelen in de toekomst overweegt. Om de minister toch te helpen met deze overwegingen, dien ik mede namens de collega's Schreijer-Pierik, Snijder-Hazelhoff en Van den Brink de volgende motie in.


*M

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de grote grazers en edelherten in natuurgebied "De Oostvaardersplassen" vrijwel niets meer te grazen hebben;

van mening dat de natuurlijke draagkracht van dit natuurgebied is overschreden en het welzijn van de aanwezige edelherten, Konikpaarden en Heckrunderen in ernstige mate is aangetast door chronische ondervoeding;

constaterende dat ook in grote eenheden natuur, zoals de Oostvaardersplassen, de natuurlijke migratie van grote grazers en edelherten beperkt wordt en er dus geen sprake is van een geheel natuurlijke situatie;

verzoekt de regering, in te grijpen zodat geen dieren onnodig sterven en om het welzijn van grote grazers en edelherten in grote eenheden natuurgebied te bewaken met behulp van preventieve aantalregulering en bijvoedering wanneer er sprake is van extreme omstandigheden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Ormel, Schreijer-Pierik, Snijder-Hazelhoff en Van den Brink. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 67 (29 800 XIV).
**



De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. Wat is het verschil tussen de motie van de heer Ormel en de toezegging van de minister?

De heer Ormel (CDA): De minister heeft toegezegd dat hij het gaat overwegen en wij vinden dat het moet gebeuren.

Mevrouw Vos (GroenLinks): Wat bedoelt de heer Ormel met preventieve aantalregulering? Wil hij dat in de Oostvaardersplassen hetzelfde als op de Veluwe gebeurt, dus wat de minister net beschreef?

De heer Ormel (CDA): Ja, het is beter dat je de dieren afschiet voordat je ze laat verhongeren dan nadat je ze laat verhongeren.

Mevrouw Van Velzen (SP): Ik had de indruk dat de heer Ormel dit gebied als natuurgebied bestempelde. Waarom kiest hij dan zo nadrukkelijk voor voer en kogels in plaats van voor vergroting van het gebied, zodat het echt natuurlijk wordt?

De heer Ormel (CDA): In de huidige situatie is er sprake van kogels in plaats van voer. Er moet zo min mogelijk worden bijgevoerd, dus alleen in extreme omstandigheden. Daar kun je voor zorgen als je aan preventieve aantalregulatie doet. Dan kunnen de dieren zonder bijgevoerd te worden de winter in. Op die manier bewijzen wij de dieren een betere dienst dan wanneer wij ze laten verhongeren alvorens ze af te schieten.



*N

Mevrouw Kruijsen (PvdA): Voorzitter. Vanuit het oogpunt van dierenwelzijn steunen wij het beleid van de minister. Wij steunen ook de verdere uitwerking van de leidraad, specifiek voor de edelherten. Ter voorkoming van een discussie als vandaag is gevoerd, willen wij wel dat er een helder en eenduidig calamiteitenplan in wordt opgenomen. Daarom dien ik samen met twee collega's de volgende motie in.


*M

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ervoor gekozen is om in de Oostvaardersplassen op natuurlijke wijze aan populatiebeheer te doen;

overwegende dat Staatsbosbeheer reeds handelt volgens een conceptcalamiteitenplan;

verzoekt de regering om op korte termijn een definitief calamiteitenplan op te stellen op basis van de ervaringen van de winter 2004-2005 en de adviezen van de wetenschappelijke adviescommissie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Kruijsen, Vos en Van der Ham. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 68 (29 800 XIV).
**
*N

Mevrouw Vos (GroenLinks): Voorzitter. Ik dank de minister voor het antwoord. Mijn fractie maakt zich nog steeds zorgen, maar het is ons duidelijk dat ook de minister dat doet. Hij houdt de zaak zeer goed in de gaten en hij zal nagaan wat de leidraad is. Wij zullen de motie van de fractie van het CDA derhalve vooralsnog niet steunen. Wij volgen de lijn van de minister, maar wij houden die wel nadrukkelijk in de gaten. Ik leg de volgende motie voor.

*M

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

Overwegende, dat de Oostvaarderseplassen omringd zijn door barrières waardoor de aanwezige edelherten geen kant op kunnen;

Overwegende, dat vergroting en verbinding van natuurgebieden in sterke mate zorgen voor voldoende draagkracht voor een stabiele edelhertenpopulatie;

verzoekt de regering de robuuste verbinding tussen de Oostvaarderseplassen en de Veluwe versneld aan te leggen en een voorstel te doen voor de benodigde financiële middelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Vos, Kruijsen en Van Velzen. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 69 (29 800 XIV).
**
*N

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Wat moest nu ook alweer het perspectief zijn van dit spoeddebat?
De minister merkte op dat bijvoederen vooralsnog niet aan de orde is en hij gaf zijn redenen en het juridische kader daarvoor aan.
Nadat hij de sprekers in dit debat heeft gehoord, merkte hij echter op dat hij dat alsnog zal overwegen en dat hij in samenspraak met alle betrokkenen een afweging zal maken. Een meerderheid in de Kamer zegt echter dat de minister dat hier klip en klaar moet toezeggen. Dat is mij uit het oogpunt van het verkeer tussen de Kamer en het parlement een brug te ver. Ik ben er voorstander van de lijn van de minister te volgen, in het vertrouwen dat hij de Kamer goed heeft gehoord en dat hij met deskundigen van diverse snit zal afwegen of het nodig en nuttig is bij te voederen. Mijn emotionele intentie is dat dit onder de huidige omstandigheden gebeurt als dat enigszins mogelijk is. Ik respecteer echter het oordeel van de deskundigen.
*N

Mevrouw Van Velzen (SP): Voorzitter. Ik heb met de ondertekening van de motie van mevrouw Vos duidelijk aangegeven dat ik van mening ben dat dit natuurgebied nog een tikkeltje natuurlijker kan en dat wij daarop moeten inzetten.
*N

De heer Van der Ham (D66): Voorzitter. Als een dier in nood is, moeten wij dat helpen. Ik heb gehoord dat de minister dat heeft gezegd. In de motie van de heer Ormel staan woorden van dezelfde strekking, dus die is overbodig. De fractie van het CDA heeft vaker opgemerkt dat wij overbodige moties niet moeten steunen. Dat zal ik dus niet doen. Zoals ik al zei, heb ik gehoord dat de minister van diezelfde partij heeft opgemerkt dat hij iets zal doen met als doel deze situatie te veranderen. Dat is uitstekend.
*N

Minister Veerman: Voorzitter. De eerste motie van de heer Ormel is nog niet voorzien van een nummer. In reactie op die motie merk ik op dat ik tijdens dit debat heb geprobeerd duidelijk te maken wat de lijn is. In het dictum van de motie staat: “verzoekt de regering in te grijpen, zodat er niet onnodig dieren sterven.” Dat is vrijwel onmogelijk. Ik kan nooit zodanig ingrijpen dat er niet onnodig dieren sterven. De formulering is nogal strikt.
Over het bewaken van het welzijn van grote grazers, de preventieve regulering van de aantallen en de extreme omstandigheden ben ik duidelijk geweest. Ik kan echter niet toezeggen dat ik zal ingrijpen en dat ik daarmee voorkom dat dieren onnodig sterven. Er kunnen tientallen oorzaken zijn voor het sterven van dieren. Wie bepaalt overigens of dat al dan niet nodig is? Laten wij blijven bij datgene wat wij hier hebben afgesproken en bij de afspraken die wij in dit debat hebben gemaakt. De heer Van der Vlies heeft daarover een verstandige opmerking gemaakt.

De heer Ormel (CDA): U hebt gelijk als u zegt dat het een strikte formulering is, maar als u het tweede deel van het dictum ondersteunt, kunnen wij de motie aanhouden.

Minister Veerman: Het is aan de heer Ormel om de motie in te trekken en aan mij om er een oordeel over te geven. Als de heer Ormel het eerste gedeelte schrapt, zijn wij het in hoofdzaak met elkaar eens, gelet op wat ik in het debat heb gezegd. Wij gaan echter niet uit van een dierentuin en niet van exploitatie van de dieren. Het betreft hier een natuurlijk gegeven en wij grijpen pas in met preventieve maatregelen als dreigt dat dieren onaanvaardbaar zullen lijden. Dat is de natuurlijke gang van zaken in dat gebied. Ik interpreteer de motie dan ook als ondersteuning van beleid en ik veronderstel dat de Kamer mij op de vingers kijkt. Dat is ook haar taak.

De heer Ormel (CDA): Ik dank de minister voor deze toezegging en deze verduidelijking. Die zijn voor mij voldoende reden om de motie in te trekken.

De voorzitter: Aangezien de motie-Ormel c.s. (29800 XIV, nr. 67) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.
**
Minister Veerman: De bede van mevrouw Kruijsen zal ook zonder haar motie worden verhoord. Ik weet niet of de motie daarmee ook overbodig wordt, maar op basis van het advies van de Wetenschappelijke Adviescommissie Oostvaardersplassen wordt voortvarend aan een draaiboek voor calamiteiten gewerkt. Dit draaiboek zal de komende maanden ter beschikking komen. Ook de ervaringen van deze vorst- en sneeuwperiode zullen daarin worden meegenomen. Ik neem aan dat dat de intentie is van de motie van mevrouw Kruijsen. Ik zeg haar toe dat dit draaiboek ter beschikking zal komen. Ik heb van Staatsbosbeheer de verzekering gekregen dat men het binnen enkele maanden gereed zal hebben.

Mevrouw Kruijsen (PvdA): Dan trek ook ik mijn motie in.

De voorzitter: Aangezien de motie-Kruijsen c.s. (29800 XIV, nr. 6 is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.
**
Minister Veerman: Ik probeer het drietal compleet te krijgen, maar ik veronderstel dat dit niet zal lukken. Mevrouw Vos wil de aanleg van de robuuste verbinding versnellen. Dat kan ik niet beloven. De aanleg van de robuuste verbinding zit in het pakket ter financiering van de uitvoering van de totale ecologische hoofdstructuur, inclusief de robuuste verbindingen. De provincie Flevoland heeft een aantal ideeën om de aanleg te combineren met andere functies. Ik ben bereid te bezien op welke wijze wij de aanleg in samenwerking en in overleg met de provincie Flevoland daarmee kunnen integreren, ook naar aanleiding van vragen van mevrouw Snijder-Hazelhoff. Ik zal bezien of dit probleem aanleiding is de aanleg naar voren te halen, maar ik wil dit niet verzekeren. Mevrouw Vos moet dus maar kiezen.


De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter: Ik stel voor over de enig resterende motie te stemmen na het debat over de Wet inkomensaanvulling 2005.
**

Daartoe wordt besloten.
Evenals in voorgaande jaren hebben vrijwel alle WBE's, Het Kroondomein Het Loo en Het Nationaal Park De Hoge Veluwe zich weer ingespannen om een zo volledig mogelijk beeld te geven van het gerealiseerde grofwild afschot. Gegevens over het totale afschot waren terug te vinden in de catalogus en in de tentoonstelling.

Voor de tentoonstelling 2005 zijn de geweien en tanden beoordeeld, die in het seizoen 2004/2005 zijn bemachtigd.

Uit Noord Gelderland - het werkgebied van de FBE Veluwe - zijn niet alle WBE's vertegenwoordigd. Van de reeen en de keilers is een selectie aanwezig. Van het roodwild en hat damwild is vrijwel alles ingeleverd.

REEWILD
Het aantal ingezonden bokken bedroeg dit jaar 308 stuks. De volgende WBE's hebben een deel van hun afschot ingezonden:, WBE Noord West Veluwerand, WBE IJsselvallei, WBE Voorsterbeek, WBE Brummen, WBE Nijkerk, WBE Veluwe Noorcl West, WBE Vale Ouwe, WBE Noord Oost Veluwe, WBE Midden Veluwe, WBE Zuid Oost Veluwe en de Hoge Veluwe. De WBE's die ontbreken zijn: WBE Oldebroek-Oostenwolde, WBE Zuid Veluwe West en de WBE Lunteren.

ROODWILD
Uit de vrije wildbaan, het Kroondomein Het Loo en de Hoge Veluwe zijn vrijwel alle hertengeweien van 2 jaar en ouder aanwezig. Er ontbreken enkele valwild herten (verkeer), een ouder hart die bij de preparateur is en enkele jonge herten om verschillende redenen.

Vrijdag
Openingswoord in de tent buiten en verwelkoming door de Jachthoornblazers en overhandiging van de apeldoornse vlag met reeds geplaatste vlaggemast. (met 30 jaar garantie)

Zaterdag en zondag
Toegang voor alle belangstellende met een rondleiding georganiseerd door het Veluws Hert langs alle leefgebieden met uitleg waarom wel en waarom geen juist afschot. Ook werd voorlichting gegeven hoe aan de hand van het gewei en het gebit de leeftijd kan worden geschat. Hier bleek veel interesse voor te bestaan.

Image
Deel van de overzichtskaart met daarop
de leefgebieden en daarbij aangegeven
welke wildsoorten er voorkomen

Image
De toeschouwers in de regen, de hoornblazers
hoog en droog op het balkon.

Image
Overhandiging van de Apeldoornse vlag
met mast aan "Het Aardhuis" , En vervolgens kon men de gerealiseerde afschot van mannelijke herten, reeen en zwijnen zelf aanschouwen.

Image
In de bijbehorende catalogus staan gegevens
vermeld over afschotplaats, gewei, leeftijd, juist/onjuist afschot en toelichting. Juist gepleegd afschot wordt met een groene punt gekenmerkt. De meeste geweien hebben dan ook een groene punt.

Image
Zo werd dit 12-jarige hert, een ongelijke 14-ender,
in het Willemsbosch behorende tot de WBE Vale Ouwe met een blauwe punt gekwalificeerd. Onjuist "afschot" (gewei heeft kronen), eigelijk rode punt, maar als valwild zijnde een blauwe punt. Spanbreedte 120 cm, stanglengte 90 cm

Image
Het Hakselaarhert. Op 30 september 2004
in een maisveld in Elspeet "zomaar in de messen van de
maiskneuzer gelopen". Een gebeurtenis die veel vragen opriep.

Image
Rondleiding. Voor afschot kwamen in aanmerking o.a.
herten van 2 tot 4 jaar (geen kroon aan een of beide stangen) en herten met ontbrekende oog- of middentak. Gewenste vermindering wordt afgestemd op basisbreedte per geboorte jaar (gelimiteerde toewijzing)

Image
Een rode punt hadden de geweien
met een of twee kronen(3 of meer takken van minimaal 5 cm) Groene punt o.a. geweien van alle spitsers, herten van 2 t/m 11 jaar met ontbrekende kronen, of herten met ontbreken oog- of middentak.

Image
Wat damherten betreft, dankzij het Veluws Hert
sinds enkele jaren geen exoot meer met bijbehorende nulstand, was de helft van de 3 jaar en oudere dieren onjuist gepleegd en zal het aanspreken (leeftijdschatting in het veld) verbeterd dienen te worden.

Image
Hans Bulder toonde zijn werk. Achter hem "Joris", (voor bloedverversing op de veluwe uitgezette poolse keiler) onjuist afgeschot en in 1984 en door een berouwvolle jager laten prepareren en geschonken aan het Aardhuis. Joris inspireerde Hans en is op meerdere werken van Hans te bewonderen.


Geachte xxxx,
In de eerste plaats wil ik u bedanken voor de moeite die u genomen heeft om contact met Staatsbosbeheer te zoeken over de dieren in de Oostvaardersplassen.
In de Oostvaardersplassen heeft de natuur het voor het zeggen. Dit betekent dat Staatsbosbeheer als beheerder zo min mogelijk ingrijpt en natuurlijke processen de ontwikkeling laat bepalen. Dit geldt ook voor de in het wild levende dieren.
Bijvoeren van de in kuddes levende dieren is niet mogelijk, omdat dit grote sociale onrust binnen de kudde teweegbrengt, waardoor de dieren juist eerder dood zouden gaan. De sociale rangorde binnen de kuddes bepaalt welke dieren de beste voedselplaatsen kunnen bemachtigen. Oude dieren en jonge dieren die niet meer door de moeder worden gezoogd staan het laagst in rangorde en krijgen daarom het minste voedsel. In de natuur overleven daarom vooral de sterkste dieren.

Zijn de Oostvaardersplassen te klein? De Oostvaardersplassen is één van de grootste natuurgebieden van ons land. Het is bijvoorbeeld groter dan het Nationaal Park de Hoge Veluwe, bovendien is het van belang dat de vruchtbaarheid van de Oostvaardersplassen vele malen groter is dan van de Veluwe. De hoeveelheid biomassa en de ruimte bepalen hoeveel dieren en soorten dieren er in een gebied kunnen leven.

Laat Staatsbosbeheer de dieren in de Oostvaardersplassen verhongeren? De dieren zijn over het algemeen goed bestand tegen de winterse kou. Wel vallen er in dit soort periodes, als onderdeel van de natuurlijke selectie, veel zwakke dieren af. In normale winters is dat tussen de 10 tot 15 procent.
Door de onverwacht strenge winter verwacht Staatsbosbeheer dat er dit jaar meer dieren zullen sterven. De dieren krijgen echter geen kans om te lijden, omdat er voor die tijd wordt ingegrepen.
Staatsbosbeheer doodt slechts die dieren, die door hun gedrag aangeven dat zij het leven in de kudde hebben opgegeven en zoeken naar een plek om te sterven. Deze methode van beheer is het afgelopen najaar aanbevolen door de Wetenschappelijke Adviescommissie Oostvaardersplassen en werd goed bevonden door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Door het smelten van de sneeuw vinden de dieren inmiddels weer voedsel. De enorme grasvlaktes van de Oostvaardersplassen zijn wonderbaarlijk groen onder de sneeuw vandaan gekomen. Opvallend is, dat het aantal afgevallen dieren kleiner is, dan te verwachten was met de extreme koude van de afgelopen week. De grootste sterfte in de natuur treedt namelijk op in de winterperiodes.

Ik weet niet of u de Oostvaardersplassen kent, maar anders kan ik u aanraden er eens een kijkje te gaan nemen. Dat is zeker de moeite waard.
Vriendelijke groet,
Willemijn Berben
Informatiecentrum Staatsbosbeheer Driebergen
030-6926213
Afzender: STAATSBOSBEHEER Nieuwsbrief
Rubriek: Binnenland
Datum en tijd: 23-03-2005 16:28

Na een korte afsluiting heeft Staatsbosbeheer het Fluitbos in de Oostvaardersplassen nabij Almere weer opengesteld voor publiek.

Dankzij de afsluiting van het bos twee weken geleden hebben de edelherten in de Oostvaardersplassen de kans gehad om de afgelopen weken ongestoord door te komen. De rust was nodig om onnodige sterfte door stress onder de ruim 200 edelherten in het bos te voorkomen.

Uit recente onderzoeken in het buitenland is gebleken dat om energie te sparen tijdens koude perioden de herten hun lichaam afkoelen tot zo'n 10 graden. Een soort tijdelijke winterslaap. Bij verstoring moeten zij echter keer op keer opnieuw hun normale lichaamstemperatuur krijgen om te kunnen vluchten. Dit kost zoveel energie dat de dieren er aan kunnen sterven.

Ondanks de afsluiting waren er veel herten te zien vanaf de toegang bij de Hugo de Vriesweg. De dieren waren terwijl zij rustig stonden te eten zeer goed waarneembaar voor de vele nieuwsgierigen. Dit toont nogmaals aan hoe weinig schuw deze herten zijn in vergelijking tot de Veluwe.
Over het algemeen waren de bezoekers, ondanks het feit dat zij niet het gebied in konden vol met begrip voor de drastische maatregel. De boswachters van Staatsbosbeheer waren daarom blij verrast met de medewerking en het begrip van de recreanten.

Ook leverde de rustperiode nog een bijzondere gast op in de
Oostvaardersplassen: een monniksgier. Deze vogel met een vleugelwijdte van bijna 3 meter, die tot nog toe slechts drie keer in ons land is waargenomen, profiteerde van de rust, ruimte en het voedselaanbod in de Oostvaardersplassen. Een unieke belevenis voor Nederland, die aantoont hoe waardevol grote aaneengesloten gebieden met grote kuddes in het wild levende dieren zijn. De monniksgier is een ernstig bedreigde soort, omdat er in Europa bijna geen grote kuddes wild levende dieren meer voorkomen.
Image

„Nederland te klein voor oernatuur”
Staatsbosbeheer laat hun grote grazers verkommeren en noemt dat oernatuur. Te veel dieren, die het met steeds minder voedsel moeten doen, want er staat een hek omheen. Bij een tekort aan voedsel sterven er vanzelf meer dieren, zo redeneert staatsbosbeheer. Dank je de koekoek! De oplossing ligt voor de hand: hek weg of het aantal dieren in overeenstemming brengen en houden met het voedselaanbod.

Wassenaar, Jan Paulides

Zorgplicht
Naast de vele honderden heckrunderen en konikspaarden lopen er in de Oostvaardersplassen meer dan 1000 herten op een oppervlakte ter grootte van niet meer dan 3600 ha. Dat houdt in dat er gemiddeld één hert loopt op elke drieënhalve hectare. De situatie in de vrije wildbaan gaat meestal uit van aantallen die schommelen tussen de 1,7 á 2 per 100 ha. (de voorkeursituatie van houtvesters, die vraatschade tot een minimum willen beperken) tot een breder geaccepteerd aantal van 4 tot 6 dieren per 100 ha. Dan heeft elk dier zo’n 16 tot 50 ha. tot z’n beschikking en alle vrijheid van bewegen om in de winter naar voedsel te zoeken. De huidige dichtheid in de Oostvaardersplassen gaat geheel voorbij aan een natuurlijk biologisch evenwicht, waarbij in principe ook nog ruimte zou moeten zijn voor bosverjonging en herstel van de vegetatie. Op de lange duur zal blijken dat van alle houtige gewassen er nog slechts kommervormen bestaan, die zwaar te lijden hebben van het vraatwerk van de aanwezige hoefdieren. Dit zal een desastreus effect hebben op de aanwezige fauna. Uiteindelijk zal o.a. het gemiddelde gewicht en levensverwachting van de kalveren ernstig achteruitlopen. Lichaamsonderzoek (met name meting van het vetgehalte van het beenmerg, dat uitsluitsel geeft over de conditie) en de bevindingen afzetten tegen waarden die elders in Europa onder herten in de vrije wildbaan worden aangetroffen, lijkt wenselijk. Mochten de waarden beduidend lager zijn dan die elders in Europa, dan zal staatsbosbeheer verplicht gesteld moeten worden de populatie zover terug te brengen dat de dieren wederom een normaal conditiepeil bereiken. Gelet op het feit dat de dieren in een raster staan dat kleiner is dan 5000 ha. is de status van de herten volgens de Flora en Faunawet niet die van wilde ’fauna-elementen’ maar ’gehouden dieren’, waarvoor SBB een zorgplicht heeft.

Leidschendam, drs. J. van den Broek


Nadat de Oostvaardersplassen ingerasterd waren, heb ik zelf de edelherten geleverd. Bij het loslaten van deze dieren heeft o.a. de bekende wildbioloog prof.dr. J.L. van Haaften gezegd dat binnen drie jaar met afschotregulatie moest worden begonnen om een gezonde populatie te waarborgen. Dit advies werd genegeerd. Het gevolg is een veel te grote populatie. Het is te gek voor woorden dat hierdoor dieren de hongerdood sterven en het publiek hiervan geen getuige mag zijn. Laat staatsbosbeheer een voorbeeld nemen aan ons nationaal park De Hoge Veluwe, waar wel afschotregulatie plaatsvindt en het grofwild zonder bijvoering in perfecte conditie is.

Joppe, Max Garssen

_ _ _ _ _ _ _ Met dank aan onze adverteerders in 2018 in Het Edelhert: _ _ _ _ _

1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7